Balspelsporten
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

Balspelsporten - A. Doelsporten
Tot 75 jaar in aangepaste, verwante of basissportvormen. Van competitief-wedstrijdgericht geleidelijk naar recreatief-belevingsgericht.Dominante motieven: bewegen om te presteren, bewegen om spanning te beleven, bewegen om het bewegen en met elkaar. Inzet is matig intensief ofwel optimaal. Coördinatieniveau 3 (hoog). Enkele doelspelen komen hierna aan bod. Voor een volledig overzicht: zie boek ‘Sport op Maat’(2010), hoofdstuk 3. 

Basketbal
. De bedoeling van dit spel is een bal, al of niet na samenspel, in de basket te gooien respectievelijk dat te voorkomen. Dat gebeurt namelijk in twee teams die om balbezit spelen. De bal is bij heren zwaarder dan bij de dames en de jeugd. Het spelen met een lichtere bal is aan te bevelen. Als spelregels in onderling overleg tot stand komen en als het scoren moeilijk gaat, kunnen ringen lager worden gehangen (normaal op 3,05 meter) of kan op de ringen een opzetstuk worden geplaatst die het doelvlak vergroot. Elk team bestaat uit vijf veldspelers en vijf tot zeven wisselspelers. Een team bestaat uit twee guards, twee forwards en één center. Een van de guards is de spelverdeler, de andere guard is vaak goed in het afstandschot of in de verdediging. De forwards houden zich meer op in de buurt van de bucket. De bucket is een speciaal gemarkeerde ruimte onder en voor de basket, waarbinnen speciale regels gelden. De center staat in de directe nabijheid van de basket. In de verdediging bewaakt hij de center van de tegenpartij. Je mag niet lopen met de bal. Al dribbelend kun je bij de basket van je tegenstander komen. Het levert je 2 punten op, of je maakt een driepunter als je van buiten een bepaalde afstand de bal in de basket gooit. Een aanval afronden is aan tijd gebonden. Lukt dat niet, dan gaat de bal naar de tegenstander. Rebounden is in basketbal belangrijk. Daarbij probeert een aanvallende of verdedigende speler springend de na een mislukt schot in het veld terugspringende bal, te bemachtigen. Er mag onbeperkt worden gewisseld. De zuivere speeltijd bedraagt twee keer twintig minuten. Lichamelijk contact is verboden. Een basissportvorm is: streetbasketball, het spelen van drie tegen drie of vier tegen vier op één basket en één speelhelft in de zaal, waarbij je als team na het in balbezit komen eerst het recht van aanval bij de middenlijn haalt, door er met de bal overheen te dribbelen of een pass. Er bestaat ook rolstoelbasketbal maar met een rolstoel kun  je ook meedoen in een 55-plus mixclub. Regels hierop afstemmen. 
 
Korfbal wordt in gemengde teams van evenveel mannen als vrouwen gespeeld. In principe verdedigen de mannen elkaar en hetzelfde geldt voor de vrouwen. Iedereen heeft een vaste tegenstander. Veldkorfbal wordt in drie vakken gespeeld en zaalkorfbal in twee vakken: een aanvalsvak en een verdedigingsvak. Vier spelers (twee heren en twee dames) van één partij bevinden zich in een vak. Alleen in het aanvalsvak kan gescoord worden. De bal moet van bovenaf door de korf worden gespeeld. Er mag niet met de bal worden gelopen of gedribbeld. Spelers moeten zich door combinatiespel en door schijnbewegingen een schotpositie verwerven. Na twee doelpunten wordt van vak gewisseld. Een zaalwedstrijd duurt twee keer dertig minuten. Door de vakkenwisseling wissel je ook van aanvaller naar verdediger en omgekeerd. Het schieten op de korf en het verdedigen van het schot staan centraal. De acties zijn relatief kort en snel. Het belang van wisselspelers is dus groot. Een basissportvorm is monokorfbal waarbij vier tegen vier op één korf wordt gespeeld en een partij het recht van aanval verwerft, door de bal eerst buiten een van de lijnen en daarin terug in het veld te brengen.
 
Veld- en zaalhockey zijn sportvormen waarbij een stick wordt gebruikt. Het uiteinde daarvan is krom en heeft bij veld- en zaalhockey een bolle kant en een platte kant. De bal mag alleen met de platte kant worden geraakt. Bij floorball is sprake van twee platte kanten en mag de bal met beide kanten worden gespeeld. Een hockeywedstrijd kent tien veldspelers en een keeper. De veldspelers dragen meestal alleen beenbeschermers en een gebitsbescherming, de keeper draagt over het hele lichaam bescherming inclusief een helm. Een hockeyveld is van gras of – steeds meer - kunstgras. Een hockeywedstrijd duurt tweemaal 35 minuten. Scoren gebeurt vanuit de cirkel. Bij veld- en zaalhockey staat het doel op een achterlijn, bij floorball meer in het veld (net als bij ijshockey). Door het spel met een stick kun je in principe tot je 75e blijven hockeyen.
Basissportvormen: 7 tegen 7 met een keeper of 6 tegen 6 zonder keeper op een half speelveld en in de breedte van een normaal veld. Er is geen sprake van buitenspel en er worden geen strafhoekslagen toegekend. Zowel binnen als buiten kan er ook 5 tegen 5 met of 4 tegen 4 zonder keeper worden gespeeld. De bal wordt schuivend-vegend naar elkaar of op doel gespeeld. Eventueel kan met een iets grotere en/of lichtere bal worden gespeeld. Het is prettig als bij deze kleinterrein-sportvormen met een boarding rondom het veld kan worden gespeeld.
Voor hen die niet eerder hebben gehockeyd en 50-plus zijn, beveelt de hockeybond knotshockey aan. Een spel waarbij een ronde knots en een lichte bal het sturen van de bal in de gewenste richting lastig maken. Vanwege die onvoorspelbaarheid geeft het spel wel fun. Het spel staat te ver van de sporteindvorm hockey af en is te simpel om er lang plezier aan te beleven. Je kunt er te weinig van leren.
Een verwante sportvorm is floorball (of unihockey)? Zie
www.nefub.nl

Voetbal
is als wedstrijdsport een spel met elf spelers. Bij de jongste jeugd of pupillen wordt zeven tegen zeven gespeeld. De opzet is eenvoudig: schiet de bal in het doel. Uitvoering is complexer en moeilijker door het aantal spelers en het spel met de voet. Je mag verder met heel je lichaam de bal raken, behalve met je armen en handen. Er wordt op gras en – ook steeds meer – op kunstgras gespeeld. In het eerste geval is het spelen met noppen belangrijk en in het tweede geval spelen op zaalvoetbalschoenen. Voetbal is als wedstrijdsport tot je 55e jaar redelijk verantwoord te spelen. Naast veldvoetbal zijn andere sport- en eindspelvormen beschikbaar die beoefening tot ongeveer je 65e mogelijk maken.
Met 45+-voetbal is in het seizoen 2009-2010 begonnen. Er zijn regionale competities opgezet. Het wordt gespeeld op een half veld met teams van 7 speler. Er mag doorlopend worden gewisseld en de buitenspelregel ontbreekt. Een wedstrijd duurt 2 x 20 minuten. Zaalvoetbal of futsal gebeurt op een speelveld van 40 bij 20 meter. De bal is ‘maat vier’ en stuit minder dan de ‘maat vijf’ bij het veldvoetbal. Er wordt ingetrapt in plaats van ingegooid. Er wordt gespeeld in teams van vijf spelers inclusief een keeper. Een wedstrijd duurt twee helften van elk 25 minuten. 
Basis- of minisportvormen zijn: 2-2, 4-4, 6-6/7-7 (met keeper).
Spelvormen zijn... Freestyle voetbal is balletje hooghouden. Maar van daaruit is het zich gaan ontwikkelen naar veel meer trucs met de bal. Het is een vorm van jongleren dat meer binnen gymnastiek past. Voetvolley is een spel van 2 tegen 2, 3 tegen 3 of 4 tegen 4 en een net. De bal mag met de voet of de rest van het lichaam (niet armen en handen) over het net worden gespeeld. De bal mag een beperkt aantal keren of helemaal niet de grond raken.
Beachsoccer wordt op zand gespeeld door teams bestaande uit 4 veldspelers en 1 keeper. De bal wordt veel door de lucht gespeeld. Er wordt 1, 2 of 3 x 12 minuten gespeeld. Er mag onbeperkt worden gewisseld en alle vrije trappen zijn direct en mogen direct op doel worden geschoten. Soccersquash wordt gespeeld als een tegen een. De bal wordt om en om, boven een lijn tegen een muur geschoten en mag één of twee keer (op afspraak) stuiten. Alleen de serverende partij kan punten scoren. Goalball is een sportvorm die geschikt is voor blinden en slechtzienden. Het veld is 18 bij 9 meter. De doelen zijn elk 9 meter breed en 1.30 meter hoog. Tijdens het spel (een wedstrijd duurt circa 30 minuten) spelen twee teams van drie personen tegen elkaar. De spelers hebben een vaste uitgangspositie, die vooraf wordt afgesproken. Spelers vinden hun positie steeds terug door de voelbare lijnen op het speelveld. In de bal zit een belletje zodat de spelers de bal kunnen horen aankomen. De bal wordt door een speler met de hand over de grond naar het doel van de tegenstander gerold. Goed positiespel en zintuigen gebruiken zijn van groot belang om dit spel te kunnen winnen. Bij voetbal kennen we ook voetbal voor licht geestelijk gehandicapten, het G-voetbal.

Balspelsporten - B. Miksporten

Miksporten kunnen op elke leeftijd worden gespeeld en zowel competitief-wedstrijdgericht als recreatief-belevingsgericht. De dominante motieven zijn: bewegen om te presteren, bewegen om spanning te zoeken en het met elkaar willen bewegen. De te leveren inspanning is licht of licht intensief c.q. gemiddeld. Coördinatieniveau 1. Enkele sportvormen op dit gebied volgen hierna.

Biljarten, poolen en snookeren. Biljarten is een sportvorm die wordt gespeeld op een tafel met een opstaande rand. De speelbal wordt met een keu gestoten om andere ballen te raken. Per spelsoort zijn er andere regels en ook een ander soort biljarttafel. Bij carambolebiljart wordt gespeeld met drie ballen. De speelbal moet de twee andere ballen raken. Enkele vormen van carambolebiljart zijn: libre, bandstoten en driebanden. Bij libre zijn er geen beperkingen om te caramboleren, met uitzondering van vier verboden zones in de hoeken van het speelvlak. Bij bandstoten raakt de speelbal alvorens de derde bal te raken minstens één band. Bij driebanden raakt de speelbal alvorens de derde bal te raken minstens drie banden. Poolbiljart lijkt erg op snooker maar wordt op een wat kleinere tafel gespeeld met 16 ballen. Enkele spelvarianten zijn 8-ball, 9-ball en straight pool. Bij snooker wordt met 22 ballen gespeeld die met de witte speelbal in één van de zes pockets gespeeld moeten worden. De ballen moeten in een bepaalde volgorde in de pockets gespeeld worden hetgeen veel techniek vraagt en spelinzicht. Het biljartspel wordt door één van beide spelers geopend met de acquitstoot, waarvoorde ballen (twee witte en een rode) in een driehoekvorm op de tafel gelegd worden. Beide spelers hebben een vaste speelbal (een van de witte), waarmee deze een carambole moeten scoren. Dat wil zeggen dat de speelbal zowel de andere witte als de rode bal raakt. Mislukt dit, dan komt de ander aan bod. De partij gaat door totdat een van de spelers een vastgesteld aantal caramboles bereikt, waarbij de niet-starter één nabeurt krijgt. De klassenindeling wordt gemaakt aan de hand van de bereikte moyennes. Komen spelers uit verschillende klassen tegen elkaar uit, dan moet de hogergeplaatste speler een hoger aantal caramboles scoren dan zijn tegenstander. Hierdoor blijft een spannend partijverloop mogelijk.
 
Bowling is het rollen van een bal naar meerdere voorwerpen. Een team dat deelneemt aan de competitie, bestaat uit vijf (gemixt) of uit drie bowlers (de zogenaamde trio’s met een mannelijke of vrouwelijke samenstelling). Verder zijn er individuele wedstrijden. Bowling wordt gespeeld in zes games. Een game bestaat uit tien frames, dat wil zeggen dat de bowler tien keer met hooguit twee ballen de tien pins moet omgooien. Een omgevallen pin levert een punt op, waarbij er voor de maximale score van tien een bonusregeling geldt. Ideaal is om met een bal alle pins in één worp om te gooien. Dat wordt een strike genoemd. Als je met de tweede bal uiteindelijk toch alle pins weet om te gooien, verdien je een spare. De maximale score in een game bedraagt 300 punten, te behalen door tien achtereenvolgende strikes, gevolgd door opnieuw twee strikes in de bonusbeurten. De tien pins staan opgesteld in de vorm van een driehoek. De bal is ruim 7 kg.
 
Zaalcurling of unicurl. In twee partijen van vier spelers worden stenen naar het midden van een cirkel geschoven, waarbij het erom gaat welke steen het meest centraal ligt. Elke speler gooit, om en om met de tegenstander per end twee stenen. Per end worden er in totaal dus zestien stenen gespeeld. De aanvoerder van het team, de skip, bepaalt de tactiek. Voor demonstratie van unicurl zie de link.....http://www.hamburg1.de/sport/Neue_Trendsportart_Teppich_Curling-7692.html

Bowls.
Het doel van het spel is om de eigen ballen en die van het eigen team dichter bij de witte bal te krijgen dan die van de tegenstanders. Dat levert per bal een punt op. Het speelveld van flat green bowls is minimaal 30 meter lang en 4 meter breed. De speelbal is voorzien van een zogenoemde bias. Het loopvlak is aan één zijde plat zodat het gewicht van de bal net iets uit het middelpunt ligt. De bal maakt dankzij dit loopvlak een boog en weegt 1½ kg. Wedstrijden worden gespeeld in singles tot teams van 4 tegen 4 personen. Relatief veel 50-plussers doen aan bowls omdat de meeste indoorbanen alleen overdag beschikbaar zijn.
 
Koersbal is een spelvorm en wordt ook wel indoor carpet bowls genoemd. Het wordt gespeeld op een mat van 8 bij 2 meter met per team 4 ballen van zo’n 750 gram en een jack (het doelballetje). Eerst wordt de jack geworpen door het team dat mag beginnen, en vervolgens is het doel van het spel om te zorgen de eigen ballen dichter bij de jack te krijgen dan de ballen van het andere team. Het is daarbij toegestaan om ballen van de tegenstander van de mat te kaatsen. Extra punten zijn te verdienen met het dubbelscorevak aan het eind van de mat door te zorgen dat de jack in dat vak terechtkomt. De ballen worden gerold. De ballen rollen met een boog omdat deze niet perfect rond zijn. Voor dit spel is geen kracht vereist, maar wel behendigheid en techniek. Rolstoelgebruikers met teveel beperking aan armen of rug maken gebruik van een plastic buis om de bal op koers in het spel te brengen.

Jeu de boules
is een verzamelnaam voor alle spelen waarbij een bal naar een balletje moet worden geworpen. In Nederland heet dit pétanque. Een spel dat individueel of in teams van twee of drie personen kan worden gespeeld. Elke speler heeft twee of drie ballen en probeert die zo dicht mogelijk bij het but (ook wel cochonnet) te gooien. Het but is een klein houten balletje. Tijdens het gooien moet de speler binnen een cirkel blijven staan. Behalve de bal zo dicht mogelijk bij het but plaatsen, kunnen spelers ook proberen de ballen van andere spelers of het but zelf, weg te kaatsen. Het team dat het verst van het but af ligt, mag blijven werpen tot de rollen zijn omgedraaid. Wie het eerst 13 punten behaalt, wint de partij.

Golf
, is een sportvorm en heeft als doel een balletje met een club vanaf de tee in zo weinig mogelijk slagen in een hole slaan. Een club is een slaghout met een voetje onderaan. Een golfer heeft vaak meer dan vijftien golfclubs bij zich om onderweg voor iedere ondergrond, afstand en windsnelheid de juiste stok te kunnen kiezen. De tee is de afslagplaats waar de golfer begint. En de hole is het gaatje waar de bal in terecht moet komen. De afstand tussen de tee en de hole is meestal 100 tot 560 meter. Afhankelijk van de lengte en moeilijkheidsgraad wordt er per hole een norm opgesteld, de par (Professional Average Result). Dat staat voor het aantal slagen dat een ervaren speler nodig heeft om het balletje in de hole te slaan. Als je heel goed bent (of een hele goede dag hebt) dan kun je onder par slaan, dus minder slagen dan het berekende nodig hebben. En ook boven par slaan. Het beste is natuurlijk om de hole in één slag halen, dat is de bekende hole in one. Golfbanen zijn in principe altijd van gras. Het grootste gedeelte heet de fairway, dat is vanaf de tee tot de green. De green is dan het laatste stukje, waarop het gras zeer kort gemaaid is. Ook kunnen er hindernissen op het parcours zijn, zoals bunkers (zandgaten) of water. Kom je aan de zijkant van het parcours, waar het gras hoger staat, dan kom je in de rough. Golf kan door iedereen worden gespeeld. Iedere golfer heeft zijn eigen handicap. Dat is een kwalificatie van je spelniveau. Door handicaps te vergelijken en te verrekenen met het aantal slagen dat gemaakt is, is in principe het niveauverschil tussen een superspeler en een beginner te verrekenen en kan de kruk het dus winnen van de crack. De holes zijn genummerd van één tot en met achttien. Alvorens de baan op te mogen moet aan drie voorwaarden zijn voldaan: kennis van de etiquette van de sport hebben; kennis van de spelregels hebben en de (golf)vaardigheid bezitten om de bal behoorlijk te slaan. Daarvoor moet je een examen afleggen. Je ontvangt dan het GolfVaardigheidsBewijs (GVB). Met zo’n bewijs kun je op vrijwel alle banen in Nederland spelen tegen betaling van de dagcontributie (green fee). Elke hole heeft twee afslagplaatsen, één voor dames en één voor heren. Die voor dames, de damestee, ligt vóór de herentee, soms wel 40 tot 60 meter. Een standaardronde bestaat uit achttien holes. Pitch and putt en midgetgolf zijn de klein terrein vormen van golf. De eerste bestaat uit 14 holes en de slagafstand varieert van 75 tot 150 meter.

Balspelsporten - C. Trefvlaksporten
Trefvlaksporten kun je tot je 75e spelen. Squash tot je 65e . Het competitief-wedstrijdgerichte kan geleidelijk overgaan in het meer recreatief-belevingsgerichte spelen. De dominante motieven zijn: beegen om te presteren, bewegen om de spanning, bewegen om het bewegen zelf en het samen bewegen. Er is al snel sprake van matige en hoog intensieve inspanning. Coördinatieniveau 3.
Trefvlaksporten zijn veilige spelen omdat lichamelijk contact ontbreekt. Badminton is wat gemakkelijker om dat als eerste te leren spelen, dan tennis of volleybal. Squash eist snelle acties en veel inspanning. Door eenvoudige regelveranderingen zijn alle trefvlakspelen zeker tot je 75e speelbaar. Het materiaal beïnvloedt de snelheid van het spel en door ander materiaalgebruik is die snelheid te vertragen.

Tennis wordt gespeeld op een veld van circa 11 bij 24, bestaat uit twee helften die van elkaar gescheiden door een net. De speler moet de bal met behulp van zijn racket binnen de lijnen op de helft van zijn tegenstander slaan. Het doel is de bal zo te slaan dat de tegenstander niet in staat is deze terug te slaan. Als dat lukt heb je een punt verdient. Die puntentelling loopt van 0 naar 15 naar 30 naar 40 en tenslotte game. Tennisslagen zijn de forehand, backhand, topspin, smash en volley. Tennis kan in een enkelspel als 1 tegen 1 of in een dubbelspel als 2 tegen 2 worden gespeeld. Er dubbel bestaat uit heren, dames of is gemengdJe krijgt een andere sportvorm als het samen in het spel houden van de bal het doel van het spel wordt. Bij softtennis is de bal zachter dan de gebruikelijke tennisbal. Ook de rackets zijn op dit feit aangepast: ze zijn lichter en hebben een lagere bespanning. Een gevolg hiervan is dat de bal minder hard terugstuitert van de grond en dat de bal in het algemeen makkelijker te controleren is dan bij tennis. Voor de rest is het spel hetzelfde als bij tennis. Soft tennisspelers hebben enkele specifieke technieken, waarbij de voordelen van een lichtere bal en racket goed worden benut, zoals de underhand cut en de reverse.
Bij dynamic tennis is het veld kleiner (de grootte van een badmintonveld), het net lager. De rackets zijn aangepast: licht, met een korte handgreep en een relatief groot blad,de balis een foambal die minder hard kan worden geslagen en de puntentelling is aan tafeltennis ontleent en gaat tot 21 punten.
Picklebal! Er zijn verschillende verwante sportvormen die zeer geschikt zijn voor 50-55 plussers. Zie de foto’s en filmpjes op de site www.picklebal.nl en op de Amerikaanse site www.usapa.org . Het is een sport die bij senioren enorm aanslaat en daardoor groot wordt in de USA en Canada. Op dit moment is het de grootste sport bij de seniorgames. Bij de ontwikkeling in Nederland is de organisator van de Europese seniorgames, Ton Kienhuis, betrokken. Wij gaan ons in Nederland specifiek op die groep richten. Het wordt een sport om o.a. In je eigen buurt op bestaande sportveldjes te spelen. In Amsterdam zijn er nu een aantal belijnd. Het is tevens een middel tot sociaal contact in de buurt. Maar het kan ook al indooractiviteit in een sporthal of –zaal. Voor meer informatie b.snijdersblok@gmail.com

Badminton wordt gespeeld met racket en shuttle, op een speelveld met een net als scheiding tussen de twee speelhelften. Spelsoorten zijn het heren- en damesenkelspel, heren- en damesdubbelspel en het gemengd dubbel. Doel van het spel is de shuttle op zo’n manier over het net te spelen dat deze de grond binnen de lijnen raakt. De shuttle wordt net zo lang over het net heen en weer geslagen totdat een van de spelers de shuttle niet meer over het net weet te krijgen, hem tegen het plafond slaat of buiten het speelveld. Indien de serverende partij een fout maakt, gaat de service over naar de tegenpartij, waarna deze de kans krijgt om een punt te scoren. Alleen de speler die serveert, kan een punt scoren. In het enkelspel gelden de binnenste lijnen, in het dubbelspel de buitenste lijnen als grenslijnen. Een badmintonwedstrijd bestaat uit twee gewonnen games van elk vijftien punten (in het damesenkelspel is dat elf punten). Basisslagen zijn onder andere de korte service (de shuttle gaat laag over het net), clear (met bovenhandse slag hoog en diep in het achterveld), dropshot (zacht en zo kort mogelijk over het net) en de smash. Door het badmintonnet hoger te hangen, wordt het spel vertraagd en verdwijnt de smash. Drie tegen drie spelen vermindert de vele snelle loopacties.
 
Tafeltennis. Een spel dat je één tegen één of twee tegen twee kunt spelen. Spelers serveren twee keer achter elkaar. Daarna gaat de service over naar de tegenpartij. In een set wordt tot 11 punten gespeeld met minimaal twee punten verschil. Overheerst het recreaties aspect dan kun je beter tot 21 punten doorspelen. Je kunt de sportvorm veranderen door de regel: 'samen de bal in het spel houden'. Daardoor verschuift de aandacht naar de bal zo spelen dat de tegenspeler deze nog net kan terugspelen. Vijf over het net geslagen ballen levert in dat geval een punt op.
Toepassing van een sportgerichte aanpak: op maat en optimaal. We regelen ons tafeltennissenonderling. Dat doen we op de volgende manier. Elke bijeenkomst begint ( het inspelen) met het samen in het spel houden van de bal en het elkaar de bal makkelijk toespelen. Later volgt meer variatie in dat aanspelen en is de bal voor de tegenspeler nog net haalbaar. Als we overgaan naar het spelen van wedstrijdjes speel je de bal af en toe ook ‘net niet’ haalbaar naar je tegenspeler. Er zijn ook iets grotere ballen die het spel wat trager maken. Als een van de spelers aan een tafel daar liever mee speelt, dan kan dat.
‘Goed’ spelen is het spelen van lange rally’s en variatie in aanvallen en verdedigen. Door het voor elkaar steeds complexer of moeilijker maken van het spel, stimuleren we het beter gaan spelen.
Tijdens het inspelen bepaal je aan een tafel onderling en een time out, wat je wilt verbeteren respectievelijk welk spelprobleem je wilt oplossen. Denk vooral in tactieken, zoals: hoe kan ik het spel meer spreiden, hoe kan ik de serve lastiger voor mijn tegenstander maken, hoe ‘stop’ ik hard geslagen ballen? Je kunt er ook voor kiezen om gewoon door te gaan met het zo gevarieerd mogelijk inspelen. Wil je iets doen, waarvan jezelf niet weet ‘hoe’, vraag het je partner en als deze het niet weet, vraag het aan de groep. We hebben talentvolle tafeltennissers in de groep die je vast kunnen en willen helpen. Vervolgens ga je door met het inspelen en probeer je het gewenste probleem op te lossen. Gebruik je partner als coach of beoordelaar.
Bij wedstrijdjes spelen we – afhankelijk van het aantal spelers en het aantal beschikbare tafels - enkel of dubbel. Bij dubbel spreken we vooraf af ‘niet om en om’ de bal te spelen of juist wel. Dat hangt van ons spelniveau af. Het ander tweetal kan anders spelen. We spelen om één of twee sets tot 21 punten. Daarna wisselen we van tegenstander(s). We kiezen (1) vooraf onze koppelgenoot en tegenstanders om ‘spelen op niveau’ mogelijk te maken of (2) we doen dat zo dat niveaus per tweetal onderling verschillen. Plaats in dat laatste geval de ballen ‘op maat’ van de tegenstander en – als je dat beheerst – afhankelijk van het niveau van de tegenspeler met moeilijke ‘net wel of net niet’ haalbare ballen.
Het spreekt verder vanzelf dat we voor- en achteraf het materiaal samen klaarzetten en opruimen. Het hoort erbij om samen na afloop nog even wat te drinken.
 
Volleybal. Het doel is het met de bal raken van het veld van de tegenpartij. De bal wordt met een opslag van achter uit het speelveld door de serveerder in het spel gebracht. Om de bal weer terug te spelen, mag elk team de bal maximaal driemaal spelen. Normaal gesproken speelt de speler die de bal uit een serve ontvangt de bal onderhands naar zijn spelverdeler, die een bovenhandse set-up geeft naar één van zijn medeaanvallers. De aanvaller smasht of speelt de bal in principe bovenhands over het net. De bal vangen of vasthouden mag niet (ten zij…zie later). Bovendien is het niet toegestaan de bal twee keer achter elkaar door dezelfde speler te spelen. Uitgezonderd bij het blokkeren. De wedstrijden worden gespeeld volgens het Rally Point Systeem. Het team dat de rally wint krijgt altijd een punt. Een set wordt gewonnen door het team dat als eerste 25 punten behaalt, met een verschil van ten minste twee punten. Het aantal sets dat gewonnen moet worden om een wedstrijd te winnen is afhankelijk van het niveau waarop men speelt.
Andere basisportvormen zijn: drie tegen drie of vier tegen vier volleybal in de breedte van de zaal en met vaak een lengtenet. Afhankelijk van het spelniveau wordt er niet gesmasht. Een bal die niet meer onderhands gespeeld kan worden mag worden gevangen, opgegooid en doorgespeeld. In een wedstrijd kan de speelwijze: direct doorspelen of eerst vangen, opgooien, doorspelen onderling worden afgesproken. Zitvolleybal is een prima alternatief voor iedereen die niet (meer) staand kan volleyballen. Het zitvolleybal hanteert de basiselementen uit het volleybal. Naast aanval en blok is vooral de lage verdediging belangrijk. Op het moment van een spelactie moet de speler met het zitvlak of een deel van de romp contact hebben met de vloer. Een serviceblok door de netspelers is toegestaan.
 
Squash wordt gespeeld door twee, als 1 tegen 1, of vier spelers, als 2 tegen 2, op een baan (court) omgeven door vier wanden. In het spel wordt de bal via de service tegen de muur in het spel gebracht, waarbij hij eenmaal de grond mag raken en om de beurt door beide spelers moet worden geraakt. De bal moet na elke slag de muur raken, waarbij hij eventueel via zij- of achtermuur op de grond mag stuiteren. Als de bal tweemaal de grond raakt, is de rally voorbij. De baan is 10 bij 6 meter. De baan moet voldoen aan eisen op het gebied van akoestiek, verlichting, verwarming en ventilatie. Het blad en het frame van het squashracket zijn kleiner en lichter dan van een tennisracket. Er zijn vier typen ballen. De verschillende typen worden aangegeven met een gekleurde stip op de bal die correspondeert met de snelheid van de bal. Hoe groter de snelheid van de bal hoe lager de moeilijkheidsgraad. Een snelle bal stuit hoger en geeft meer tijd om de bal te retourneren. Voor wedstrijden wordt de langzaamste bal (gele stip) gebruikt. De gunstigste positie van waaruit de gehele ruimte bestreken kan worden, is de middenpositie ter hoogte van de zogenaamde T-kruising (kruising van de middenlijn en de half courtlijn). Zodra een speler vindt dat de ander in de weg staat, kan hij om een let vragen. Een let is een onbesliste rally. Het is aan de scheidsrechter om deze let toe te kennen of een penaltypoint te laten spelen. Dit gebeurt afhankelijk van de mate waarin de ene speler de andere in de weg staat.

Balspelsporten - D. Slag- en loopsporten 
Slag- en loopspelen kun je tot je 75e jaar spelen en zowel competitief-wedstrijdgericht als recreatief-belevingsgericht. De dominante motieven zijn: bewegen om te presteren, bewegen om de spanning te ervaren, bewegen om het bewegen zelf en het samen bewegen. Zie intro: coördinatieniveau 3.

Honkbal en softbal. De bezoekende partij begint met slaan, de thuisspelende partij begint met verdedigen van het veld. De aanvallende partij brengt steeds een slagman in het slagperk, die moet proberen de door de pitcher geworpen bal te raken met de knuppel. De slagman loopt daarna zo hard mogelijk naar het eerste honk (bij honkbal 27,5 meter en bij softbal 20 meter) en moet daarbij de bal voorblijven. Is de bal er eerder en wordt deze gevangen door de eerste honkman, dan is de slagman uit. De slagman is ook uit als zijn bal zonder de grond te raken gevangen wordt. Soms wordt de bal zo geslagen dat de slagman meteen kan doorlopen naar het tweede of derde honk. Indien de bal over het hek in het buitenveld wordt geslagen, is dat een homerun. De slagman en eventuele voorgangers die ook op de honken stonden, krijgen een vrije loop naar de thuisplaat. Iedere honkloper die de thuisplaat passeert scoort een punt. Na drie ‘uit’ wisselen de partijen van positie. Als beide partijen een slagbeurt hebben gehad, is er één inning gespeeld. Een honkbalwedstrijd duurt normaal negen en een softbalwedstrijd zeven innings. De slagman slaat alleen de bal die tussen knie- en schouderhoogte en over de thuisplaat gaat. Wordt niet geslagen of wordt de bal gemist dan is dat een ‘slag’. Ballen die te hoog, te laag of naast de plaat worden geworpen zijn ‘wijd’. Drie slag krijgen, zonder de bal te raken is een ‘uit’ en vier wijd betekent een vrije loop naar het eerste honk. Een speler is ook uit, als hij getikt wordt met de bal en hij niet op een honk staat. Softbal is wat makkelijker dan honkbal. Het spel wordt in wedstrijdverband zomers gespeeld. 
Een basisportvorm is indoorsoftball voor 55+. Er is speciaal materiaal voor gebruik in de zaal beschikbaar. Zie MARÉ-DIDAKT te Zwolle. De benodigde zaalruimte is ongeveer die van een halve sporthal. Het voordeel is dat dan het spel in de wintermaanden kan worden gespeeld. Drie honken softbal met drie honken, twee slagmensen en vier veldspelers waaronder een pitcher en een catcher en vier honken softbal met drie slagmensen en zes of negen veldspelers zijn sportlvormvariaties waarbij in teams van 2 respectievelijk 3 spelers wordt gespeeld. Een team van 3 slagmensen en dit totaal aantal spelers zorgt dat er relatief veel kan worden geslagen. Dat is het leukste aan dit spel. Hoe beter er wordt geslagen, hoe meer veldspelers er nodig zijn.

Cricket.
Het team dat aan slag is probeert zoveel mogelijk punten te scoren door de bal die door de bowler wordt geworpen, weg te slaan en dan zo snel mogelijk één of meer runs te maken. Runs zijn sprintjes van de beide batsmen tussen de wickets. Als de bal over de grond het veld uitrolt, worden vier runs gescoord en als de bal door de lucht uitgaat dan worden in één keer zes runs gescoord. De winnaar van een cricketwedstrijd is de partij die na een vastgesteld aantal overs (een serie van zes gegooide ballen op één batsman) de meeste runs heeft gemaakt. Cricket wordt gespeeld door twee teams van elk elf spelers op een rond/ovaal veld ter grootte van bijna twee voetbalvelden. In het midden van het veld ligt een strook van ruim 20 meter lang en 2 meter breed, de pitch. Aan beide uiteinden van de pitch staan twee hekwerkjes, de wickets. De veldpartij bestaat uit een bowler, een wicketkeeper (de achtervanger, die zich achter het wicket bevindt) en negen fielders. Van de slagpartij komen twee batsmen in het veld. Runs maken doet de batsman door de bal het veld in te slaan. Slaat hij de bal ver genoeg weg, dan zullen beide batsmen gaan lopen (runnen). Zij doen dit tegelijkertijd, in tegenovergestelde richting. Als ze heen en terug kunnen, dan heeft de batsman twee runs vergaard. De batsman gaat uit, wanneer de bal het wicket heeft geraakt. Terwijl het voor de slagpartij belangrijk is niet uit te gaan en runs te scoren, is het voor de veldpartij van belang runs te voorkomen en batsmen uit te krijgen (wickets nemen). Cricket kan ook als indoorcricket in een (halve) sporthal worden gespeeld. Net als indoorsoftbal kan het daarmee in de winter worden gespeeld. Voor 65-plussers een ideaal spel.