7. Wat betekent ‘veranderen van sportvormen’?
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

Organisatie en opzet van een 55 plus club 
Lees- en plan-/ praktijkniveau 1 & 2 voor een kartrekker, coördinator en/of leefstijlcoach.


Keuzes van activiteiten en leeftijdsfase

Het is optimaal en ideaal als voor de groepen 35+, 45+, 55+, 65+ en – eventueel – 75+ sporters een specifiek aanbod, zowel naar inhoud als aanpak, mogelijk is. De aanpak is dat we zelfstandig en samen spel- en speelregels gaan veranderen opdat sport- en spelvormen goed op de persoonlijke mogelijkheden zijn afgestemd. Wat betekent die afstemming?


Groep 1 (35+). Kenmerk: competitief-wedstrijdgericht. Deelname aan leeftijdgebonden competitie en daarbij naar niveau. Door een sportbond opgezet of door de vereniging zelf regionaal geregeld. De groep traint minimaal één keer per week en speelt wekelijks een wedstrijd. Het willen leren en ontwikkelen is volop aanwezig. Een begeleider/trainer is tegelijk speler en kartrekker. Er wordt aan één sport deelgenomen. De inspanning is optimaal.

Groep 2 (45+). Kenmerk naar keuze competitief-wedstrijdgericht of recreatief-belevingsgericht. Er wordt wekelijks aan een regionale competitie deelgenomen en/of een onderling wedstrijdje gespeeld. De teams zijn naar niveau heterogeen (verschillend in niveau), bestaan uit minder spelers en er wordt vaak op een kleiner speelveld gespeeld. Deelnemers bepalen bij de recreatieve variant zelf hun spel- en speelregels. Het beleven en leren vindt afwisselend plaats. Door elkaar te coachen kan een leerbehoefte ontstaan. Er wordt aan meer dan één sport deelgenomen. De inspanning is optimaal.

Groep 3 (55+). Kenmerk: recreatief-belevingsgericht. Er worden door een groep, eventueel in andere samenstellingen, aan meerdere sporten deelgenomen. Er wordt individueel en samen gesport. Zo mogelijk wordt op vijf dagen per week gesport. Deelnemers regelen zelf de organisatie en de uitvoering. Niveau is heterogeen. Het beleven en leren vindt afwisselend plaats. Door elkaar te coachen kan een leerbehoefte ontstaan De inspanning is optimaal, maar varieert per dag in de mate van inspanning.

Groep 4 (65+). Kenmerk: recreatief-belevingsgericht. Er worden door een groep, eventueel in andere samenstellingen, aan meerdere sporten deelgenomen. Zo mogelijk wordt dagelijks gesport en dat gebeurt individueel en/of steeds samen. Deelnemers regelen zelf de organisatie en de uitvoering. Niveau is heterogeen. Het beleven en leren vindt afwisselend plaats, maar het beleven of doen zal gaan overheersen. Door elkaar te coachen kan een leerbehoefte ontstaan De inspanning varieert van laag (bij denksporten) tot optimaal en per dag.

Groep 5. (75+). Kenmerk: belevingsgericht. Leren en ontwikkelen verdwijnen naar de achtergrond. Het doen staat centraal. Er worden door een groep, eventueel in andere samenstellingen, aan meerdere sporten deelgenomen. Zo mogelijk wordt dagelijks gesport en dat gebeurt individueel en/of steeds samen. Deelnemers regelen zelf de organisatie en de uitvoering. Niveau is heterogeen. De inspanning varieert van laag (denksporten) tot optimaal en varieert per dag


Een sportvorm/activiteit veranderen 

Bij voorkeur wordt een sportvorm ‘al spelend en als totaliteit’ beleefd en geleerd. We nemen als voorbeeld een sportclub met een sportspelvorm als inhoud. Sportvormen worden gespeeld op een kleiner speelveld en met minder spelers, zoals vier tegen vier basketballen op een speelhelft of een vereenvoudigde sportvorm, zoals floorball-zaalhockey of pickleball, dutch tennis of klein terreintennis. 
Keuzecriteria voor sportspelvormen zijn: 1 overeenkomstige spelbedoeling als het sport- en wedstrijdeindspel; 2 afstemming van spelregels op het spelniveau van een groep; 3 in stappen te ontwikkelen van bijvoorbeeld drie tegen drie naar via vijf tegen vijf.
Voor spelvormen gelden de volgende keuzecriteria: (a) spelechtheid, duidelijke verwantschap met een sportspelvorm; (b) accent ligt op het oplossen van een bepaald spelprobleem door het veranderen van spel- of speelregels; (c) een spel moet door de spelers als spel beleefd kunnen worden.

Als je onderling speelt kan een groep zelf bepalen met welke regels er wordt gespeeld.

Spelregelverandering. Spelen in kleine(re) teams, met een lichtere, kleinere en/of juist grotere bal en dat er veel kan worden gescoord door zonder keeper te spelen, vanuit een zone te scoren (na een ‘lijn’ evenwijdig aan het doel), het doel groter te maken of van twee kanten te laten scoren. Haal overbodige regels weg of verander ze: vervang ingooien bij voetbal door het inspelen met de voet, pas bij hockey alleen een lange corner toe en je kunt buiten ook zonder veldbegrenzingen spelen. We passen de afgesproken regels toe en hebben daar dan geen scheidsrechter bij nodig.

Speelregelverandering. Maak onderling onderscheid doordat sommige betere spelers de volleybal de bal direct moeten spelen en anderen de bal ook eerst mogen vangen, in een team wordt zo mogelijk elke speler in elke aanval betrokken, aan de zijkant van het speelveld mag je niet aangevallen worden, de A-groep fietst een extra lus voordat we bij ons rustpunt zijn, sommige spelers mogen ongehinderd scoren, de betere spelers spelen ‘op de as van/centraal in’ het veld.

Ongeacht niveau- en conditieverschillen kan iedereen met elkaar als regels maar op maat van de groep en – soms – de individuele speler worden gemaakt. .

Voorbeeld van een spelvorm. Lijn(voetbal/handbal/basketbal). Het spel kan in de zaal en op het veld worden gespeeld. Van drie tegen drie tot en met vijf tegen vijf. Doel is de oplossing van het spelprobleem ‘hoe samenspelend te scoren?’. Er mag wel of niet met de bal worden gelopen, gedribbeld of getipt. Een speler achter de eindlijn krijgt de bal aangespeeld en speelt hem direct terug naar een medespeler (een andere dan de speler die de bal aanspeelde). Pas dan is een punt gescoord. Het spel loopt door. De partij in balbezit blijft dat. De andere partij moet balgericht verdedigen en proberen passes te onderscheppen. Tussen eindlijn en speelveld kan nog een neutrale zone worden aangegeven, waarin geen verdedigers mogen komen. Dat is nodig als de verdedigers te sterk zijn en er te weinig wordt gescoord. Er zijn drie spelvarianten en opklimmend in moeilijkheidsgraad.
1 Er is een vaste speler achter een eindlijn. Die blijft daar steeds staan. Blijft de aanvallende partij in balbezit dan moet eerst voorbij de middenlijn ‘recht van aanval worden gehaald’, voordat er weer mag worden gescoord.
2 Een willekeurige speler van de bal bezittende partij gaat achter de eindlijn staan (maximaal drie seconden) en wordt direct aangespeeld. Het op het juiste moment ‘in de diepte’ lopen is belangrijk.
3 Er kan achter beide eindlijnen door de bal bezittende partij worden gescoord. Dat geldt dus voor beide partijen. Het gaat dan ook om overzicht houden en zien waar de meeste kans op scoren is.

Veilig sporten
Al spelend worden spelregels op maat gemaakt. Doel: iedereen kan in dezelfde mate meedoen en van ieders mogelijkheden wordt even goed gebruik gemaakt. Optimaal en op maat spelen dus. Iedereen is speler en (meespelend) scheidsrechter tegelijk. Maak elkaar bij een overtreding het volgende duidelijk: wie maakt de fout? Wat doet de speler fout? Hoe luidt de beslis­sing? Dit is een werkpatroon.


Kartrekkers letten als eerste op ‘veilig kunnen spelen’. Dat heeft op het volgende schema betrekking.
Voor een wedstrijd. Zorg dat het materiaal klaar ligt voor gebruik zodat de spelers direct zelf aan de gang kunnen gaan. Dat kan individueel, in tweetallen of als groepje. Let op obstakels aan de zijkanten van een veld. Zijn ze duidelijk herkenbaar aangegeven of voldoende afge­schermd? Zijn kuilen in een veld gedicht? Ligt het materiaal zoals pilonnen, doeltjes e.d. klaar om een of meer velden uit te zetten. Beperk de warming up tot inspelen, inlopen, in-fietsen e.d. Dat wil zeggen: rustig beginnen en geleidelijk het tempo van handelen wat opvoeren. Vermijd in het begin al te explosieve acties.
Speelklaar maken. De teams worden samengesteld en kiezen hun posities in het veld. Geef de spelbedoeling aan en stel samen de spel- en speelregels vast. Eventueel elkaar laten ZIEN wat je bedoelt.
Veilig spelen. Let tijdens het spel op onveilige situaties: een bal die plotseling het veld in rolt, de keeper die wordt aangevallen bij het verwerken van de bal, te fel reageren van spelers op acties van de tegenstander en/of beslissingen van de scheidsrechter. Let erop dat een speler die een andere speler wil aanspelen, deze aanroept als hij niet oplet of dat een van de spelers ‘los’ roept wanneer twee spelers tegelijk naar een bal toe rennen. De speler die dit het eerste roept heeft voorrang.
Hulp voor beter spelen. Kijk of de spelers de spelbedoeling en de belangrijkste regels begrepen hebben. Geef een korte toelichting als dat niet het geval is. Loop – als je écht als scheidsrechter optreedt - steeds ter hoogte van de bal mee, want rondom de bal vinden de belang­rijk­ste spelacties plaats. Let vooral op: zijn de partijen even sterk? Als dat niet het geval is wijzig dan - in overleg - de samenstelling. Ga steeds na of alle spelers naar hun eigen idee ‘voldoende’ in het spel worden betrokken.
Ontwikkel het spel. Wijzig spel- en speelregels als het spel niet naar wens verloopt en je vindt dat het makkelijker moet of voeg spelregels toe als je merkt dat de spelers daaraan toe zijn. Het spel moet elke speler kunnen uitdagen.
Tijdens het spel kan overleg in een time out wenselijk zijn. Show hoe het spel verliep en hoe dat beter of ook anders kan door het achtereenvolgens tonen van het ‘plaatje, praatje, daadje’ (een werkpatroon).
Sluit goed af. Na het spel wordt al het materiaal weer bij elkaar ge­legd. Tel het materiaal zoals ballen en als er iets wordt vermist, laat dan alle spe­lers zoeken.

Faciliteiten

Laat sporters in een rust of na het sporten gebruikmaken van de kantine om een kopje koffie of iets anders te drinken. Na afloop kunnen douchen is plezierig. De kosten voor deelname zijn bij voorkeur laag. Maximale kosten drie of vier euro per keer. Geef ouderen in de club die niet aan een competitie deelnemen een ‘status aparte’: reken bijvoorbeeld per deelname drie euro of laat ze gebruikmaken van een knipkaart of een periode gebonden abonnement voor een maand, kwartaal of halfjaar. Het opgestuurd krijgen van een verenigingsblad vergroot de binding met de club. Natuurlijk worden de oudere sporters ook uitgenodigd voor bijzondere clubactiviteiten, zoals jaarvergaderingen en jubilea. Vraag ze iets voor de vereniging te doen. Dat kunnen klusjes zijn of iets meer structureels, zoals het geven van training aan de jeugd, het begeleiden van teams of lid worden van een commissie.

Bij alle activiteiten waaraan ouderen deelnemen, is minimaal één van de deelnemers in staat om eerste hulp bij sportongevallen (EHBSO) toe te passen en hebben minimaal twee deelnemers kennis van reanimatie en zijn in staat een defibrillator te gebruiken. Een vereniging of sportorganisatie die oudere sporters op hun terrein en in hun zaal laat sporten, beschikt over een automatische externe defibrillator (AED). Reanimatie kan namelijk het beste in combinatie met een AED worden uitgevoerd. Met de mobile telefoon van één van de deelnemers kan snel 112 gebeld worden of de dichtstbijzijnde huisarts. Het nummer van die huisarts is bekend bij de vereniging. Er is EHBSO-materiaal beschikbaar of de deelnemers hebben dat zelf in bezit. Minimaal aanwezig zijn zwachtels, vette watten, pleisters, mitella’s, jodium, zestientjes, leukoplast en een schaartje. Een auto voor spoedvervoer staat ter beschikking

 

Werven van deelnemers

Bij de opzet van sporten met oudere deelnemers, waarbij ook deelnemers worden gezocht van buiten de vereniging, is het goed om te inventariseren wat er in een plaats c.q. wijk zoal aan activiteiten plaatsvindt. Verenigingen kunnen ook samenwerken als de verwachting is dat het aantal sporters in een leeftijdscategorie te klein is. Een actieplan voor de opzet van sporten voor 35-plussers binnen een club bevat de volgende aandachtspunten:

- doelgroep: op welke mensen richten we de aandacht? Voor wie is de activiteit bedoeld?

- samenwerking: doen we het als club alleen of samen met andere clubs? Wie neemt het initiatief?

- begeleiding: regelen de oudere sporters hun eigen activiteiten? Is er sprake van voldoende deskundigheid? Beschikt iemand over kennis op het gebied van EHBSO?

- promotie: hoe verkrijgen en houden we plaatselijke bekendheid?

- sportactiviteiten: hoe stemmen we de activiteiten op de groep sporters af?

- accommodatie, materiaal en kantinegebruik: hoe kunnen we de beschikbaarheid gemakkelijk regelen? Is aanschaf van specifieke materialen nodig?

- inpassing in de vereniging: hoe zorgen we voor onderlinge informatie en hoe kunnen we de oudere groep sporters in verenigingstaken interesseren?


Informeer de potentiële deelnemers over hoe de sport op de mogelijkheden van de deelnemers wordt afgestemd. Zijn zowel mannen als vrouwen welkom? Staat de activiteit open voor sporters die dat al hun leven lang doen, herintreders en starters? Geef een beeld hoe hierop wordt ingespeeld. Het is aan te bevelen om in de werving iets te zeggen over waarom het sporten bij een sportclub aanbeveling verdient. Waarom juist deze club? Wat heeft de club u te bieden? Wat verstaan we onder oudere sporters? Wat zijn de kosten? Een kennismakingsperiode met enkele specifieke introductieactiviteiten strekt tot aanbeveling om mensen over de drempel te helpen. Hoe krijgt het samenwerkend sporten vorm en inhoud?


Opzetten van (55-plus) 'sportclubs'

Het persoonlijk benaderen van mensen om deel te nemen is het meest effectief. Het is verder belangrijk om informatie te geven over de activiteit, de plaats, de tijd en de periode waarin de activiteit plaatsvindt. September tot en met november en februari tot en met mei zijn de meest geschikte perioden. Zeg ook iets over hoe er met verschillen in niveaus en fysieke mogelijkheden wordt omgegaan.

Het huren van een veld of zaal en het verkrijgen van materialen is overdag goed te doen. ’s Avonds is dat lastiger. Al in maart moet een aanvraag bij de verhuurder, bijvoorbeeld de gemeente, worden ingediend. Accommodaties van scholen of sportverenigingen c.q. -organisaties en wijkgebouwen bieden een mogelijkheid. Het is belangrijk dat in elke sportgroep één of twee deelnemers de kartrekker willen zijn en de zaak willen organiseren en verder willen regelen. Dat is een deskundige op dat betreffende sportgebied: een (oud-) trainer-coach, een (CIOS-MBO-)sportleider of een (oud-)vakleraar lichamelijke opvoeding. Sommigen groepen verzorgen regelmatig nieuwsbrieven met beschrijvingen van gehouden of komende evenementen.

Hoewel onze mobiliteit sterk is toegenomen, is een sportaanbod dicht bij huis, voor velen het meest aantrekkelijk. Dat geldt niet alleen voor plaatselijke activiteiten, maar ook voor wijkactiviteiten. Wanneer gemeentes ook multifunctionele kunstgrasveldjes als speelvelden in een wijk gaan aanleggen, die mogelijkheden bieden voor voetbal, basketbal, korfbal, volleybal of tennis, is het overdag buitenspelen ook voor oudere sporters weer een mogelijkheid. Willen spelen is immers een fundamenteel gevoel. Materiaal- en gebruiksbeheer kan in deze situaties wellicht aan buurtbewoners worden gedelegeerd. De zorg om de woonomgeving gaat ons toch allemaal aan? Een coördinator buurt-onderwijs-sport kan dat beheer ook uitvoeren. Met de toename in belangstelling voor duursporten kan de overheid c.q. gemeente nog wel voor meer voorzieningen zorgen. De aanleg van een bijvoorbeeld een kilometer lange multifunctionele beton- en gravelbaan naast elkaar en met straatverlichting, biedt ook in de avonduren mogelijkheden voor racefietsen, wandelen, hardlopen, nordic walking en skeeleren. Mogelijkheden biedt dit ook voor de jeugd om naast fietsen en skeeleren hierop te gaan skelteren.