Typering fysieke en mentale zelfontwikkeling
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

Leren en ontwikkelen, een leven lang! - Kernartikel 4B! (versie december 2018) 

 

Samenvatting…..Leren en ontwikkelen doe je een leven lang. Bewust, maar vooral onbewust. Hier richten we ons vooral op de actieve leefstijl van de 55-plusser. Het zelf regelen en ontwikkelen binnen ‘clubverband’ staat centraal. Daarvoor is een samenhangend geheel van motorisch, sociaal-affectief en cognitief leren en ontwikkelen (ofwel: leren hoe te leren) nodig, om optimale ‘totaalplaatjes’ te verwerven. Bij dat 'leren hoe te leren' passen we schema’s, werkpatronen en vuistregels toe. 
Lees- en fundamenteel-/planniveau 2 voor kartrekker, coördinator, leefstijlcoach en/of 55-plusser. Deze bijdrage is een verdere uitwerking van kernartikel 4A

Een leven lang leren, het aanleren van nieuwe kennis en vaardigheden, is voor ieder van ons gewenst. Het houd je actief en motiveert. Leren sluit aan op wat eerder geleerd is: ons referentiekader. 'Hersenen, lichaam en omgeving' geven leren vorm en inhoud (Van der Helden & Bekkering, 2015). Optimaal bewegen en ontwikkelen gaan samen. Door veel te bewegen word je slimmer. Leren en ontwikkelen bevorderen gedrag en bewegen (of sporten). Persoon en omgeving zorgen voor dat functioneel handelen en bewegen en bewegen is het middel waarmee gewenste relaties met de omgeving kunnen worden gerealiseerd (Withagen, 2010). De mens is zowel een betekenisontdekker als -verlener en handelt in interactie met zijn omgeving én vanuit een geheel naar een deel...ofwel: volleybal spelen en 'nu' de bal geplaatst bovenhands over het net spelen of smashen.... 

Leefgebied ‘Ontwikkeling’: wat, hoe en waarom?
Velen van de generatie geboren in de jaren veertig, vijftig en begin zestig – de nu 55 tot 75-jarigen – hebben voorkeur voor een fysiek, sociaal én mentaal actieve leefstijl. De activiteiten en taken van hen hebben betrekking op de leefgebieden ‘werk, zorg, ontspanning en ontwikkeling’ (Baars, 2007; Timmers, 2012; SCP, 2018). En is verdeeld over ‘verplicht ervaren, vrije en persoonlijke tijd’.
‘Werk’ is in het functioneren op een beroep gericht of vrijwillig van aard. ‘Zorg’ richt zich op
doelgroepen zoals kinderen, volwassenen en ouderen (bijvoorbeeld mantelzorg). ‘Ontspanning’ kan naar aard vele activiteiten of hobby’s omvatten zoals: sporten, musiceren, bezoeken van theater, fotograferen, …..Deelname is ‘genieten’ en geeft ontspanning, maar kan wel (en soms) veel inspanning of inzet vergen. ‘Ontwikkeling’ staat op zich als leren of trainen bij scholing of het volgen van cursussen. Of… is gekoppeld aan werk-, zorg- en ontspanningstaken en een al doende leren of ervaren zijn. Het gaat hier om leerprocessen of training van vaardigheden om een activiteit te verbeteren, kost meer of minder inspanning c.q. een bepaald niveau van presteren. Voor 55-plussers is dat bij voorkeur optimaal presteren . Dat wil zeggen op zestig tot tachtig procent van het persoonlijk vermogen.
Daarvoor is fysieke, sociale én mentale coördinatie nodig. Fysieke coördinatie is gericht op de afstemming met uithoudingsvermogen, lenigheid, kracht en snelheid, bij een bepaalde activiteit of taak. Mentale coördinatie omvat het (1) denkhandelingsniveau en (2) taakcomplexiteit van afzonderlijke vaardigheden en het geheel daarvan. Sociale coördinatie is onderlinge afstemming van de met elkaar samenwerkende deelnemers. Dat vereist onderling afgestemd ‘strategisch handelen’, het elkaar inspireren, begeleiden of coachen én de kennis over hoe een activiteit in de loop van de tijd kan worden ontwikkeld. Ook wel leermethode of ‘leren hoe te leren’ genoemd. Bijvoorbeeld ‘hoe kunnen we individueel en als team technisch en tactisch beter gaan volleyballen?’.
De leefgebieden staan op zich, maar komen ook in samenhang voor. Een kartrekker bij een 55-plus sportclub bijvoorbeeld combineert (vrijwilligers)werk en ontspanning. Een 55-plus sporter begeleidt anderen in een ‘club’ (zorg) om ‘samen beter te gaan sporten (bijvoorbeeld tafeltennissen) en leert (en ontwikkelt) ook zichzelf hoe beter te leren sporten.

Pijlers van een actieve leefstijl

 In neurologie (hersenonderzoek), antropologie, filosofie en evolutieleer, maar ook op het gebied van Bewegingsleer, Lichamelijke Opvoeding en Sport is de eenheid van ‘lichaam, geest en omgeving’ het uitgangspunt. Zo ziet Scherder (2014) bewegen - en dus ook de sport of het sporten - als een ‘verrijkte omgeving’ en fundamenteel voor ons bestaan. Een omgeving zorgt voor een doorlopende stroom van vele verschillende zintuiglijke prikkels. Met name ook door complexiteit en nieuwwaarde. Dat betekent dat het fysiek-motorische, het mentaal-cognitieve en het sociaal-affectieve in samenhang élke omgeving ‘verrijkt’. Zowel de activiteit als de ‘wijze van deelnemen’ motiveren mensen tot het leveren van inspanningen en het daarbij betrokken-zijn (p.127-128).

De mens ontplooit zich als totaliteit en ontwikkelt zich op vele verschillende gebieden, maar steeds als een ‘eenheid van fysiek-motorisch en mentaal-cognitief-sociaal’ presteren en ervaren. Niet (alleen) onze hersenen denken, wij denken! Niet onze benen lopen, maar wij gebruiken onze benen daarvoor. Zo ontplooien en ontwikkelen wij ons als mens. Dat zijn op zich persoonlijke, unieke, individuele kenmerken, maar ze vertonen ook gemeenschappelijke kenmerken. Fysiek, mentaal en sociaal actief zijn is tegelijk ook leren en ontwikkelen. ‘Leren op korte termijn en ontwikkelen op de lange termijn’ betekent naar aard het volgende…..


*Verbeteren óf vernieuwen. Bij 'verbeteren' verloopt een activiteit (of taak) beter of heeft deze meer resultaat en bij 'vernieuwen' veranderen opvattingen en/of bedoelingen. Hierbij kan sprake zijn van verbreden’ en/of ‘verdiepen’ op een bepaald gebied, zoals het ‘sporten’ of het ‘coachen van elkaar’.
*Ontwikkelen heeft betrekking op een ‘beperkt’ gebied (volleybal, fotograferen, schilderen, tuinieren) of een ‘ruim’ gebied (ontspanning, zorg, werk, ….)….en hangt vaak samen met de sterke punten/ talenten/ kwaliteiten van mensen.  

*Ontwikkelen is toekomstgericht … een investeren in jezelf, in de relaties met … c.q. het inspireren van anderen en/of het beïnvloeden van omgevingen (leef-, woon-, werkomgeving) (SCP, 2006b).
*Ontwikkelen verloopt zowel lineair, op korte termijn (‘we verbeteren iets’) als cyclisch, op de lange termijn (‘na bloei komt verval’) (van Bavel, 2018; p.45-46; Stuurman, 2009). Ontwikkelen vindt daarnaast op verschillende niveaus plaats: in omvang of geldigheid op macro-, meso- en microniveau óf in mate van abstractie op praktijk-, plan- en fundamenteel niveau.


Het begrip ‘generatie’ is aan levensfase en een bepaalde leeftijdscategorie gekoppeld (Bolhuis, 1995). “Elke levensfase heeft andere vraagstukken en brengt nieuwe ervaringen mee: seksuele ervaring, het ouderlijk huis verlaten, studie en loopbaan, kinderen krijgen en opvoeden en dergelijke. Wat geleerd werd in vorige fasen wordt in elke volgende periode gebruikt, bewerkt en aangevuld” (p.96). Elke generatie heeft ook een gemeenschappelijke geschiedenis. “Het referentiekader van individuen die tot een generatie behoren heeft dus gemeenschappelijke kenmerken die zijn ontstaan door het verkeren in dezelfde sociale situatie. In de regel blijven de eenmaal gevestigde opvattingen of waardenoriëntaties en gedragspatronen zich manifesteren (p.97)”. “Het totaal van wat iemand op een bepaald moment in het leven heeft geleerd, is van groot belang voor wat hij of zij vervolgens kan en zal gaan leren. Door de persoonlijke leer- en levensgeschiedenis ontstaat een persoonlijk referentiekader: een geheel aan betekenissen van kennis-inzichten-vaardigheden-attitudes. Het zijn de ogen waarmee iemand of een generatie de wereld al doende en al ontwikkelend ziet of wenst te zien (p.168)”. Omdat ontwikkelingen per generatie zowel gemeenschappelijk als persoonlijk worden beoordeeld en gewaardeerd ontstaan gedeelde waarden, waarde-gebieden of opvattingen. Samen ontwikkelen doe je binnen vele ‘clubs’, groepen, netwerken of leefgemeenschappen die, hoe ouder je wordt, geleidelijk meer uit dezelfde leeftijdgenoten gaan bestaan. De eigen sociale en vaardigheden bepalen in hoeverre je op maat en optimaal met anderen kunt presteren.

Leren en ontwikkelen zijn begrippen die in ‘tijd’ en ‘omvang’ verschillen. Je leert volleybalvaardigheden (bovenhands spelen, serveren, opstelling team bij het opvangen van de serve) om daarmee het sportspel volleybal beter te kunnen spelen en uiteindelijk de sportvorm volleybal zelf en samen met anderen te ontwikkelen. Ontwikkelen is leren én ‘leren hoe te leren’ of ‘hoe kan ik anderen iets leren’. Hoe kan ik mezelf, mijn medespeler of het team beter leren volleyballen? “Leren en ontwikkelen is de combinatie van levenslange processen waarbij een persoon – lichaam (genetisch, fysiek en biologisch) en geest (kennis, vaardigheden, attitudes, waarden, emoties, betekenissen/opvattingen en zintuigen)  - sociale situaties ervaart (een ‘omgeving’), waarvan de inhoud cognitief, emotioneel of praktisch (en in combinatie) leidt tot veranderingen bij die persoon en in diens individuele biografie worden geïntegreerd” (Jarvis, 2012; in Klarus & de Beer, 2015, p.45).

Met sporten én bewegen beïnvloed ik onder andere mijn motorische (coördinatie)ontwikkeling. Hoe omvangrijker in opeenvolging en meer gelijktijdig ik handel op bepaalde gebieden, hoe allrounder ik bezig ben. Als zeventigjarige kan ik bijvoorbeeld de volgende sportvormen doen….ik ga dagelijks met de mountainbike erop uit, wandel een keer per week, zwem twee keer per maand, kano en indoorbase-/softball in de zomer, floorball wekelijks in de winter en schaats dan ook twee keer per maand op de ijsbaan en ga een of twee weken skiën met de familie. Zo mogelijk doe ik dat allemaal met een ‘clubje’ mensen. Omdat ik mezelf en anderen ‘breed’ wil ontwikkelen, is er ook sprake van sociaal en cognitief leren. Dat vereist fysieke én mentale coördinatieontwikkeling. Ook hier een  samenhang van denken, handelen, voelen en waarderen (betekenis toekennen aan…) op een bepaald gebied.

‘Terugkijken op ervaringen’ maakt je bewust van wat je doet, hoe belangrijk dat voor je is waarom je het eigenlijk doet. Evaluatie en reflectie geven zicht op ontwikkelingen, gebeurtenissen en gedrag. Evaluatie heeft betrekking op een relatief korte periode van ‘leren en ontwikkelen’ (een maand, kwartaal, half jaar) en over een bepaald onderdeel of gebied (bijvoorbeeld een sport). Reflectie heeft betrekking op het ‘leren en ontwikkelen’ over een langere periode (een jaar of langer), over een groter geheel of in ruimer verband (waardoor heb ik mij het meest ontwikkeld?). Bij beide gaat het om: hoe verliep het proces en wat vind je van het resultaat?

Leren en ontwikkelen van ‘totaalplaatjes’

We leren en ontwikkelen in verschillende omgevingen (sport, werk, zorg). De kwaliteit van leerervaringen is van zo’n omgeving en van de eigen mogelijkheden afhankelijk. Een ‘totaalplaatje’ van een activerende sportomgeving heeft bijvoorbeeld de volgende (onderstreepte) kenmerken…..

’Ik wil sporten omdat ik een/deze sportvorm uitdagend en plezierig vind en deze sportgericht is. Het motiveert mij. Ik wil vooral beleven, maar ook nog optimaal presteren en natuurlijk op maat. Dat wil ik samen doen met sporters van ongeveer dezelfde leeftijd. Het zelf een activiteit regelen en ontwikkelen, maakt het nog leuker. Een kartrekker begeleidt ons. De groep reguleert in principe alles zelf. Sport is voor ons vereenvoudigde wedstrijdsport (kleiner veld, minder spelers, ander materiaal) die we onderling beoefenen. Regels worden op de mogelijkheden van de groep en – zo nodig - op die van individuele spelers afgestemd. Samen een sport beleven door het uitvoeren van een eind(sport)vorm, is het belangrijkste. Naast voldoende beleving gaat het ons om het leren of verbeteren van sportvaardigheden. Ieder op eigen niveau. Het zelf en samen ontwikkelen van een sportvorm op de langere termijn is wenselijk. Dat doe je door elkaar te ‘al vragend’ te begeleiden of coachen, maar alleen als je dat zelf wilt. ‘Matig intensief’ bewegen is optimaal als dat gebeurt met driekwart inspanning van je persoonlijk maximaal coördinatievermogen op fysiek (doelgericht handelen) en mentaal gebied (strategisch handelen). Een brede of allround ontwikkeling van de coördinatie is aan te bevelen.
Voldoende intensief sporten in clubverband is gezond. Het ontspant omdat zowel de sportvorm als de wijze van deelnemen je plezier geeft. Iedereen kan eraan deelnemen: mannen en vrouwen, beginners en gevorderden, met goede en matige conditie, gezonde sporters en met fysieke beperkingen (chronische ziekten). De groep zorgt voor een veilige, verantwoorde en activerende (sport)omgeving….

 

Het referentiekader is hier het ‘totaalplaatje’ van motorisch, sociaal en cognitief handelen of kennis, vaardigheden en opvattingen bij een bepaalde sportvorm (bijv.volleybal) of een sportgebied met overeenkomstige sportvormen (bijv. trefvlaksporten). Het is het totaalplaatje van ons denken, voelen, handelen, waarderen (waarde of betekenis toekennen aan…) bij het alleen of samen sporten. Hierbij gelden de volgende kernopvattingen .…..


A Gedrag als eenheid van lichaam, geest en omgeving. We nemen waar en begrijpen met ons lichaam een bepaalde omgeving. We integreren kennis en kunde met ons referentiekader en passen dat op enig niveau toe. We zijn zo opgevat een ‘zelf’, met een ‘wil’, die gedrag richting geeft. Onze grenzen zijn gebonden aan fysieke, mentale en sociale mogelijkheden in …. of bedoelingen met omgevingen. Wanneer we willen gaan fietsen en constateren ‘dat het vandaag een mooie, zwoele dag is, met een strakke blauwe hemel en een lichte bries’ dan nemen we dat alles waar als: ‘ideaal om te gaan fietsen’. Onze zintuigen nemen niet alleen die prikkels waar, maar ook betekenissen of zingevingen (bedoelingen) van een omgeving. Bedoelingen komen van ‘buiten’, vanuit omgeving(en). én tegelijk ook van ‘binnen’ uit als lichamelijke waarnemingen. Hoe meer we onszelf en/in een omgeving als holistisch (een geheel of een totaal) waarnemen, hoe adequater, effectiever en efficiënter we kunnen reageren. Hoe beter we ook onze ‘ervaring’ blijven herinneren. Een survivalweek, in winterse omstandigheden, waarbij we veel afzien en samenwerken in een groep als zeer belangrijk wordt ervaren, zal ons - als 50-plusser -optimaal en als - 30-plusser -  maximaal kunnen activeren.

Cultuur of samenleving is het meest ‘brede’ begrip van een ‘totaalomgeving’ waarin je als de mens c.q. ‘bio-culturele eenheid’ functioneert. Met onze persoonlijke genetische en culturele ontwikkeling staan we ‘op de schouders’ van onze ouders en voorouders. Zowel culturele/sociale ervaringen - van ‘buiten af’ en ook wel ‘memen’ genoemd - en fysieke/mentale mogelijkheden - van ‘binnen uit’ en ook wel genen genoemd - zorgen daarvoor (Verhoeven, 2013).  

Ons handelen is omgevings- (of context)gebonden. In een tennisomgeving sla je de bal met een forehand ‘in’ (fysiek) en scoor je een punt (regels=cognitie). Jij, als tennisser, met racket en bal, op een speelveld met een tegenstander, vormen de context of omgeving waarin jouw (tennis)gedrag een bepaalde betekenis of zin heeft. Als je in het bos wandelt en met een tennisracket slagbewegingen loopt te maken, loop je kans te worden opgenomen. Hebben je ouders tot op een redelijk niveau getennist c.q. gesport, dan is de kans groot dat jouw sportief leer- en ontwikkelingsproces sneller verloopt en - bij dezelfde omvang aan tennisuren - een hoog niveau bereikt. Je kunt daarom zeggen dat ….. op basis van een bio-culturele samenhang de ontwikkeling van de mens als soort (de fylogenese) zich herhaalt in de ontwikkeling van de mens als persoon (de ontogenese). Er vindt fysieke én mentale ervaringsoverdracht (in de zin van structuren) plaats van de ene generatie op de volgende. Waar de ene generatie een lange tijd voor nodig had, blijkt een volgende generatie dat vroeg(er), snel(ler) of gemakkelijk(er) te kunnen. Zie maar wat onze jeugd al snel aan digitaal vermogen verwerft.


2 Bedoelingen geven (een bewuste) richting aan
. Je leert geen bewegingen of woorden alleen, maar je leert bedoelingen van bewegingen of betekenissen van zinnen. Ons denken, handelen, voelen en waarderen (uitdrukken hoe belangrijk je iets of iemand vindt) kunnen niet los van elkaar worden geleerd en ontwikkeld. Het denken geeft beelden van de werkelijkheid, herinneringen aan ervaringen (dus zintuiglijk), maar kan ook verbeelden zijn en losstaan van de werkelijkheid. Vooral metaforen, kernachtige typeringen of fundamentele opvattingen beïnvloeden ons denken van ‘buiten’. Bewegingen zijn acties van spieren en onderdeel van een handeling die doelgericht is en op basis van principes of vuistregels plaatsvindt. Om een softbal te slaan, is het raken (het doel van deze actie) van belang. Daarvoor heb je de volgende bewuste intenties nodig: ‘kijk naar de bal’ en ‘sla de knuppel horizontaal’. Daardoor kun je de bal ‘goed’ raken. In de uitvoering van het slaan vinden onbewuste aanpassingen of bewegingen plaats (bij een te lage bal zak je bijvoorbeeld als vanzelf iets door je benen). De uitvoering is echter vooral een onbewust verlopend gebeuren. Bedoeling en handeling(en) kun je bewust aandacht geven, bewegingen veel minder en liever niet. Het beïnvloedt – zeker aanvankelijk - je coördinatie in negatieve zin. Bij soft- of honkbal is sprake van een eenheid van motorisch-fysiek, sociaal-relationeel en mentaal-cognitief handelen. Met bij elk aspect: emotie (onbewust) en gevoel (de bewuste aanduiding) of affectie.

Waarnemen en handelen in samenhang zorgt dat ook het objectieve en subjectieve tegelijk plaatsvindt. Een muziekinstrument vastpakken is objectief. Samen muziek maken geeft een subjectieve ervaring. Het zelf-als-subject is op het zelf-als-object gebaseerd en beide regelen ons gedrag. Persoon en omgeving zijn objectief én subjectief gezien een eenheid van waarnemen én handelen. Al het handelen gebeurt tegelijk in een voor die persoon betekenisvolle omgeving. Je ziet een bal op het gras liggen (objectief). Je loopt erop af en trapt de bal weg omdat je de bal zelf en de omgeving als een voetbalsituatie waarneemt (subjectief).

Als je slimmer wordt krijg je meer inzicht én daarmee handel je motorisch beter. Als je cognitie achteruit gaat, gebeurt dat ook met de motoriek. Er is veel bewijs dat hersenfuncties, maar ook je gedrag, een leven lang optimaal kunnen (blijven) functioneren zowel in structuur als functie. Mits….je dagelijks actief bent: beweegt-sport en je op meerdere gebieden steeds wilt leren-ontwikkelen. Maar …het loopt helaas niet altijd ‘optimaal’. Omgeving en eigen functioneren moeten op elkaar kunnen worden afgestemd.

 

We komen namelijk geleidelijk in de fase waarin technologische ontwikkeling het leren en ontwikkelen van de mens beïnvloedt c.q. het gebruik van informatie of kennis verbeterd. “We kunnen het leven beschouwen als een zelfreplicerend informatieverwerkingssysteem, waarvan de informatie (de software) als het bewustzijn (de hardware) bepaalt” (Tegmark, 2018, p.41-42). We kunnen daardoor vele nieuwe of complexe vaardigheden verwerven en anders tegen mens en samenleving gaan aankijken. Kunstmatige intelligentie is de aanjager, waarbij intelligentie is te definiëren als ‘het vermogen om complexe doelen te realiseren’ (p.77). Het vermogen tot leren en ontwikkelen profiteert hiervan het meest en slaagt het meest door samenwerking met anderen. Die ontwikkeling kan grote invloed op ons bestaan hebben zowel in positieve als negatieve zin. Bewustzijn, opgevat als subjectieve ervaring, zal meer op elkaar moeten worden afgestemd. Ons vermogen tot intelligent denken wordt meer het vermogen tot subjectief ervaren (Tegmark 2018, p.444).

3 Handelingsplan, -besef en -idee geven je samen een eigen bewegings- en ontwikkelingsidentiteit. Met mijn handelingsplan (inclusief ‘bewegingsplan’) structureer ik mijn handelen in omgevingen, mede op basis van eigen mogelijkheden. Het vereist fysiek-motorische en mentaal-strategische coördinatie. Mijn handelingsbesef is gericht op mezelf, een ontwikkeling en een omgeving. Met mijn handelingsidee voer ik functies en rollen uit binnen clubs, netwerken of samenwerkingsverbanden. Dat doe ik alleen en samen met anderen. Plan, besef en idee hangen bij alles wat ik doe met elkaar samen. Je leert alles ook het beste als dat 'breed' zintuiglijk gebeurt. En… je leert door ‘associatie’ van eerdere ervaringen. Op hoofdlijnen vorm je een model of schema als referentiekader. Dat kader wordt ‘sterker’ als daar ook anderen bij betrokken zijn. 
 
‘Anders’ sporten, maar ook ‘anders’ leven
Presteren, het actief en – voor de 55-plusser - optimaal toepassen van kennis en kunde bij het uitvoeren van een activiteit of taak geeft veel voldoening. Het actief leven, het willen presteren is een basishouding waarmee in elke levensfase de eigen mogelijkheden of grenzen zijn te ontdekken en soms te verleggen. De nieuwe generatie (55 tot 75 jaar), maar ook de toekomstige (35 tot 55 jaar) ouderen zou het volgende ‘totaalplaatje’ van een ‘manier van leven’ kunnen nastreven. Een zoektocht naar eigen ‘grenzen’ en ‘optimale mogelijkheden’, ook van een 55-plus club. ….


’Ik wil fysiek en mentaal actief en ondernemend zijn op het gebied van (vrijwilligers)werk, zorg, ontspanning en ontwikkeling, zoals ik dat al mijn hele leven ben. Mijn tijdbesteding en beleving is in balans. Naast mijn gezin, familie en vrienden, stel ik sociale contacten met - onder andere generatiegenoten - in clubs, netwerken of leefgemeenschappen, zeer op prijs. De hiermee samenhangende taken en activiteiten zijn afgestemd op mijn mogelijkheden (op maat). Binnen alle clubs wil ik beleven, leren en – op de langere termijn mezelf en samen met anderen - ontwikkelen. Ik probeer op veel gebieden optimaal te presteren. Het zelf en samen regelen en ontwikkelen van activiteiten, motiveert mij. Ik fungeer zelf als kartrekker of een kartrekker helpt mij daarbij. De groep doet het regelen en ontwikkelen zelf. Door takenverdelingen zorgen we voor gelijkwaardige inbreng van iedereen. We houden rekening met interesses en mogelijkheden van elkaar en proberen een samenwerkend leren en ontwikkelen te realiseren. We helpen en coachen elkaar in de regelmatige ontmoetingen. Optimaal participeren doet een beroep op je (motorisch) doelgericht en (cognitief) strategisch handelen. Het vereist een inspanning op driekwart van het persoonlijk maximaal coördinatievermogen. Dat is ‘matig intensief’. Met deze intenties is ontwikkeling in een sportclub, een studie- of ontwikkelclub en/of een hobby-/culturele club mogelijk. Het geeft ontspanning omdat de activiteit én de wijze van deelnemen plezier geven. Dit alles gebeurt in een 55-plus club, waaraan iedereen kan deelnemen: mannen en vrouwen, met verschillen in kennis of ervaring, met goede en matige basismogelijkheden. De groep realiseert samen een (mentaal) veilige, verantwoorde en activerende leefomgeving’…..

 

Deelnemen aan vele ‘clubs’, groepen, netwerken of leefgemeenschappen’ bevordert, een leven lang, ons functioneren (Van der Zee, 2012). Een actieve, gezonde op zinvolle tijdbesteding gerichte leefstijl bevordert dat zoeken en het je – figuurlijk gesproken – ‘jong blijven voelen’. Dat doe je door….’fysiek en mentaal actief zijn op alle leefgebieden; uitdagingen zoeken en vrienden maken; betrokken blijven bij je omgeving; creatief zijn en activiteiten of omgevingen ontwerpen; ontspannen leven; optimaal presteren en ervaren en tevreden zijn met wat je kunt, in plaats van ontevreden met zijn met wat je niet meer kunt; dagelijks bewegen en sportensport; tijd nemen voor kritische analyse van en reflectie (of meditatie) op (onderdelen) van je bestaan door ‘verhalen’ en/of praktijktheorieën te maken. Eigenlijk ook: kies bij wijze van spreken ‘je ouders met zorg’ vanwege de voor jou van belang zijnde erfelijke factoren (Van der Zee, 2012; p.208-209).

Persoonlijke clubontwikkelingsniveaus
Actief leven is tegelijk ook gezond en zinvol leven. Het is ‘gezond’ omdat het ons een gevoel van vitaliteit, competentie en sociale ervaring of binding geeft. Het is ‘zinvol’ omdat het bijdraagt aan een als voldoende ervaren invulling van je bestaan in een bepaalde levensfase en in vele verbanden of – kortweg – ’55-plus clubs’. Je gezond voelen is meer dan afwezig zijn van ziekte’ en meer een samenspel van fysiek (bewegen-sporten), psychisch (leren-ontwikkelen) en sociaal (samenwerken) welbevinden op verschillende ‘clubdeelnameniveaus of -gradaties’ van het samen beleven, regelen en ontwikkelen (Devisch, 2013).

Clubdeelnameniveau 1. Ik wil lid worden van een 55-plus ‘sportclub’… Deze bestaat uit een tiental sporters (mannen en vrouwen) die wekelijks een zaal huren om te gaan volleyballen. Een deel had vroeger gevolleybald en een deel niet. Een oud-volleyballer fungeert als kartrekker… Je neemt deel aan deze ‘club’ omdat op de eerste plaats de activiteit en de deelnemers je aanstaan. De activiteit of inhoud is aantrekkelijk, uitdagend of gewoon plezierig. Volleybal heeft als sport een bepaalde moeilijkheidsgraad qua coördinatie en het hangt van de deelnemers af hoe gedifferentieerd/ onderscheidend naar niveau het sportspel qua spel(regels) kan worden gespeeld en ontwikkeld. Iedereen moet op zijn of haar niveau kunnen deelnemen: op maat en optimaal, Vandaar dat we onderling vier tegen vier spelen en de eerste tijd verschillen in het (be)spelen van de bal van elkaar accepteren.

Clubdeelnameniveau 2. Nu gaat de ‘wijze van deelnemen’ - van mij en mijn club- of teamgenoten - belangrijker worden. Je probeert zelf, maar mogelijk ook al anderen te ’coachen’. Beleven, leren en ontwikkelen zijn nu min of meer achtereenvolgens van belang. Ervaar eerst hoe iets gaat of (aan)voelt en daarna wil je iets verbeteren, leren of ontwikkelen.  Dan ook los je alleen of samen steeds meer beweeg- en ontwikkelproblemen op / of leer je steeds meer technische en tactische volleybalvaardigheden. 
Clubdeelnameniveau 3. Het elkaar helpen, begeleiden of coachen wordt ingepast en al doende verder ontwikkeld door de ‘wijze van sporten’ als sporter, team en ‘club’/groep in onderbrekingen of na afloop bespreekbaar te maken. Het gaat hier vooral om het leren en ontwikkelen van een activiteit op de langere termijn. Je verbetert of leert een volleybalvaardigheid (een smash) en je verbetert of ontwikkelt het spel (technisch en tactisch) in fasen. De keuze en belasting van een activiteit of taak is van groot belang. Zo heeft een uur optimaal basketballen een gewenst effect op de coördinatie van een gezonde zestigjarige. Het beoefenen van Tai Chi of bowling op die leeftijd, heeft dat effect niet. Ben je ver in de tachtig, dan is de belasting van Tai Chi en bowling, fysiek gezien, wel optimaal.

 

Zelfstandig problemen leren oplossen

Het vermogen tot zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk handelen - ook wel zelfregulering genoemd – is in de loop van een leven te ontwikkelen. Fysieke én mentale coördinatie  levert hiervoor de basis. Mentale coördinatie geeft een bepaalde kwaliteit aan het eigen ‘strategisch handelen’. Je lost er meer en steeds beter (sport- en ontwikkel)problemen mee op. Het handelen gaat steeds slimmer. Voor het zelfstandig leren en ontwikkelen (of: leren hoe te leren) heb je schema’s/modellen, werkpatronen/procedures en vuistregels/principes nodig. Voor toepassing van die middelen, zie vooral SPORT ONTWIKKELEN.
‘Werkpatronen’ zijn bijvoorbeeld leer- of ontwikkelmethoden. We onderscheiden er drie bij ‘manieren van leren’: (a) leren door imiteren/ onbewust nadoen; (b) leren door handelen/bewust doelgericht en (c) leren door conditioneren/stapje voor stapje naar de hele activiteit. Bij de eerste twee gaat het vinden van oplossingen het eenvoudigst, omdat ze meer onbewust plaatsvinden.

             Een ander leermethodevoorbeeld is een activiteit in z’n geheel en/of in delen leren en ontwikkelen. Een niet al te complexe activiteit of taak voer je direct in z’n geheel uit: 'vier tegen vier volleyballen'.
Bij totaal-totaal leren speel je eerst: drie tegen drie en dan vier tegen vier basketbal op een half speelveld en vervolgens vijf tegen vijf op een volledig speelveld. Alle drie zijn eindsportvormen.
Maar het kan ook afwisselend van een ‘totaal’ naar een ‘(onder)deel’ daarvan en weer terug naar een ‘totaal’. Totaal-deel-totaal leren dus. Je speelt bijvoorbeeld vier tegen vier volleybal. Vervolgens speel je ‘een plus een’ om samen zo lang mogelijk de bal bovenhands over het net in het spel te houden. Dat is dat eerder een ‘spelprobleem’ gebleken. Daarna speel je opnieuw vier tegen vier. Als laatste is er ook een volgorde van onderdeel naar onderdeel tot een geheel, het deel-deel-totaal leren. Een opeenvolging van het leren van een beperkt aantal technische en tactische vaardigheden naar steeds meer vaardigheden en in steeds meer complexe situaties. De eerste twee leermethoden verdienen de meeste aanbeveling vanwege de totaalervaring. 

Leer- en ontwikkelingscycli zijn…1 Sensomotorische cyclus. Deze bestaat achtereenvolgens uit: doen, waarnemen via zintuigen en reageren door gewenst gedrag te tonen. Over dat gedrag ben je tevreden of niet. Als je tevreden bent, probeer je dat te continueren. Ben je ontevreden, dan kijk je naar het verloop of volgorde bij het uitvoeren of leren van een activiteit, probeer je de oorzaken van het niet helemaal lukken op te sporen en daarna het gedrag te verbeteren.

2 Aandachtcyclus. Een volgorde van bewust proberen te begrijpen door inzichtelijk te leren. Vervolgens te integreren om het geleerde een plaats in je referentiekader te geven en tenslotte leer je kennis en kunde – ofwel je vaardigheden - op een bepaald gebied praktisch toe te passen. Voor het leren met inzicht heb je vuistregels of principes nodig. Dat zijn de belangrijkste handelingen die je bewust wilt uitvoeren om een doel te bereiken. Bij het slaan van een softbal: ‘kijk naar de bal en sla je de knuppel horizontaal’.

3 Ontwikkelcyclus. Een achtereenvolgens en afwisselend: beleven, leren of ontwikkelen. Beleef zelf een activiteit of taak, leer deze beter uit te voeren en ontwikkel op basis hiervan hoe je jezelf iets kunt aanleren of hoe je anderen iets kunt leren. Voor dat laatste gebruik je schema’s (zoals  overzicht van te leren volleybalvaardigheden), werkpatronen (zoals een methode) en vuistregels of principes.      .                                                                                                
4 Ervaringscyclus. Die fasen zijn: (a) ervaar door actief uit te proberen; (b) reflecteer op wat je hebt gedaan; (c) plaats het resultaat in een groter geheel dus theoretiseer of verbind ervaringen aan theoretische inzichten; (d) maak plannen of pas kennis of vaardigheden op een praktijkgebied toe. Ontwikkelen en veranderen gaan samen. In positieve zin betekent het verbeteren (minder ingrijpend) of vernieuwen (meer ingrijpend). Bij vernieuwen wijzigt zowel de inhoud, aanpak als organisatie en stimuleer je het denken en doen op planniveau (vaak opvattingen) en praktijkniveau (vaak acties of activiteiten). Door afstemming van beide niveaus op elkaar krijg je een meer consistente praktijktheorie of concept.

5 Verandercyclus. Continu veranderen gebeurt in de volgende projectstappen…

Stap 1. Maak een groep met een gemeenschappelijk doel die gedurende enige tijd samen aan een taak of activiteit werkt. Gebruik de kwaliteiten van elke deelnemer. Zorg voor een onderlinge taakverdeling en deel ervaringen met elkaar.

Stap 2. Laat iedereen het meer ideale en gewenste gedrag zelf ervaren. De kartrekker heeft een voorbeeldrol. Al doende worden de kenmerken van het meer gewenste gedrag bewust benoemd.
Stap 3. Deelnemers voeren hun taak zo zelfstandig mogelijk uit. Dat vraagt maatwerk en samen ontwikkelen. Met collegiale consultaties of coaching wordt ondersteuning geboden. Het leren binnen een groep wordt op deze manier ´samenwerkend leren´.
Stap 4. Regelmatig vinden evaluaties of beoordelingen plaats, waarin zowel het verloop als het resultaat van de verandering op het gebied van organisatie, aanpak en inhoud nader worden bekeken

die bij leren en ontwikkelen een belangrijke rol spelen. 

Omgaan met verschillen door differentiatie

Bij veel groepen of ‘clubs’ lopen niveaus en mogelijkheden van de deelnemers onderling al snel uiteen. Denk onder andere aan Lichamelijke Opvoeding (LO) in het onderwijs waar leerlingen niet op basis van hun motorische kwaliteiten maar hun kennisniveau worden gegroepeerd. Of in teams binnen een sportclub waartussen grote prestatieverschillen kunnen bestaan. Dat is ook mogelijk in een ‘club’ van 55-plussers. Er is wellicht alleen overeenstemming in het doel of belangrijkste activiteit van een groep. Maar in de mate waarin men individueel of als groep wil leren, verbeteren of presteren leiden mogelijkheden en interesses tot onderlinge verschillen. Een leraar, trainer of – zoals wij dat hier steeds noemen - kartrekker kan samen met de groep voor fysieke en mentale ontwikkeling zorgen. In een naar niveau homogene groep zijn de mogelijkheden voor ‘maximaal presteren’ van elke deelnemer goed te realiseren. In een naar niveau heterogene groep – zoals bijvoorbeeld bij LO in het onderwijs of bij een 55-plus sportclub – is ‘optimaal presteren’ lastiger te realiseren. Juist daar speelt het optimale functioneren voor de eigen motivatie en inspiratie een cruciale rol.
Wat verstaan we bij een activiteit, sportvorm of ontwikkelingstaak onder ‘optimaal (fysiek en mentaal) presteren’?

1 Het gevoel hebben dat je op ‘zestig tot zeventig procent’ van je persoonlijk maximaal (coördinatie)vermogen functioneert ofwel ‘matig intensief’. Dat betekent voor een 55-plusser: een of twee uur ‘vier tegen vier volleyballen’ of een of twee uur lezen van een boek. De activiteit wordt afgewisseld met korte rust- of juist beweegmomenten. Activiteiten herhalen zich dagelijks, wekelijks en over een langere periode en komen over een langere periode regelmatig voor.


2 Dagelijks en wekelijks doe je aan meerdere gevarieerde en herhaalde activiteiten of taken. Zo mogelijk op een veelvormige wijze. Een zeventigjarige fietst dagelijks dertig kilometer in een voor hem of haar stevig tempo, gaat wekelijks vijftien kilometer nordic walken, tafeltennist wekelijks met anderen, zwemt een keer per maand een uurtje, gaat in de zomer wekelijks met anderen honk-softballen of kajakken. Gaat in de winter een week skiën of schaatst maandelijks een paar uur op de ijsbaan. Allround sporten maakt het doen aan sport optimaler.

 
3 Veel activiteiten of taken probeer je te ontwikkelen, door ze achtereenvolgens en herhaald cyclisch te beleven, leren én leren hoe te leren door er verschillende functies (bv. competitief, samenwerkend of coöperatief handelend) of rollen (bv. kartrekker, begeleider-coach) mee uit te voeren. Daarmee wordt een activiteit meer veelzijdig. Zo’n club kan uit een mix van mannen en vrouwen bestaan, die verschillen in niveau of mogelijkheden. De groep zorgt zelf(standig) voor een (mentaal) veilige, verantwoorde en activerende leefomgeving en regelt, ontwikkelt of verandert dat.

De kwaliteit van optimaal willen presteren en ervaren vertraagt het gevoel van ‘ouder worden’. Zie verder bij ACTIEVE LEEFSTIJL….
Optimaal op maat of niveau ervaren en presteren na je 55e!

Optimaal presteren is een individueel gebeuren én een zaak van de groep. Toegepast op het sporten vereist dat differentiatie  (Timmers, 2005; Timmers & Mulder, 2006)….dat betekent:
A Binnen een activiteit worden onderling verschillende taken of vaardigheden uitgevoerd die afgestemd zijn op individuele mogelijkheden.
Voorbeeld…Bij het spelen van ‘vier tegen vier voetbal’ (op een relatief klein speelveld) wordt in de aanval in een ‘ruit’ gespeeld en ‘man tegen man’ verdedigd. De meest balvaardige spelers staan in het centrum.

B De inspanning/inzet/nodige fysieke-mentale coördinatie voor een taak of vaardigheid, verschilt per deelnemer. Het streven naar de wil tot verbeteren/leren of leren hoe te leren (schema’s, werkpatronen, vuistregels) verschilt per deelnemer. Er moet in stappen worden gedacht.
Voorbeeld…Bij het spelen van ‘vier tegen vier volleybal’ spreken de spelers af op welke manier ze de bal spelen. Mogelijkheden zijn: bal vangen, voor jezelf opgooien en bovenhands doorspelen; alleen een te laag aangespeelde bal vangen, op- en doorspelen; de bal direct doorspelen (onder- en bovenhands).

C Bij een activiteit of onderdeel daarvan worden verschillende rollen (kartrekker, coach of begeleider) toegepast. Het vereist een ‘leren hoe je anderen iets kunt leren’ op het gebied van de hele activiteit of een onderdeel daarvan. Je moet daarbij kunnen denken in methodische/logische opeenvolgende stappen.

Zie verder praktische toepassingen bij SPORT ONTWIKKELEN.

Inspirerende bronnen - zie LITERATUUR
Aleman (2012; 2017). Baars (2007). Baltes et al (2007). Bolhuis (1995). Bos (2014). Brooks (2011). Brunia (2015). Busker (2013). De Caluwé & Vermaak (2002). Chopra & Tanzi (2013). Crevits (2016). Damasio (2010). Dijksterhuis (2009). Fresco (2014). Goldberg (2007). Helden, van der & Bekkering (2015). Heijne (2015). Jarvis (2012). Jolles (2016). Kahneman (2012). Keizer (2012). Kolk (2012). Korteweg (2017). Klarus & De Beer (2013). Korthagen et al (2002). Van de Laar & Voerman (2011). De Lange (2012). De Monchy (2013). Mieras (2009). Mulder (2009). Neuvel (2012). Ramachandran (2011). Scherder (2014). Schermer et al (2013). Sitskoorn (2008). Timmers & Mulder (2006). Timmers (2005; 2007; 2010; 2012). Verhoeven (2014). Verkuylen (2010). Westendorp (2014). Van der Zee (2012). Zwart & Middel (2005).


Naschrift…
Ontwikkeling van het OLDACTION-concept 'Actief leven, sporten en ontwikkelen'
De tekst van de kernartikelen 4A, 4B en 5 inleidende van ‘LEREN & ONTWIKKELEN is vooral gebaseerd op eerdere publicaties, literatuurresearch en ontwikkelingsonderzoeken. Vanaf 1999 tot 2010 is systematisch onderzoek gedaan op het gebied van ‘lichamelijk opvoeding in het voortgezet onderwijs, opleiding voor vakleraren LO (ALO-Groningen) en de (jeugd)sport’. Op deze manier is het concept ‘actief leren onderwijzen en sporten’ samengesteld. Vanaf 2007 tot en met 2016 is de aandacht toegespitst op ‘55-plus Sport & Leefstijl’.
In de loop van de tijd is een reeks van publicaties over ‘Leren en ontwikkelen’ verschenen, die integraal in pdf- bestanden zijn opgenomen. U kunt deze (gratis) downloaden uit …
Experts over Leefstijl, sporten en ontwikkelen . Het betreft….

*(2003), ‘Krachtig’ opleiden van vakdocenten bewegingsonderwijs. Een onderzoek naar de effecten van een ‘krachtige’ leerwerkomgeving op de professionele ontwikkeling van (vak)Leraren In Opleiding LIO). Proefschrift. Haarlem: De Vrieseborch. Kern: activerende leerwerkomgevingen voor aanstaande professionals. Bestanden zijn in te zien of te downloaden: 
pdf-PROMO-dl.1 , pdf-PROMO-dl.2pdf-PROMO-dl.3 , pdf-PROMO-dl.4.
*(2005), Actief leren onderwijzen. Haarlem: De Vrieseborch. Kern: uitwerking van activerende leeromgevingen voor leerlingen op VO-scholen. Te downloaden bestanden:
pdf-ALO1-dl.1, pdf-ALO1-dl.2, pdf-ALO1-dl.3.
*(2006), Didactiek voor Sport en Bewegen. Baarn/Haarlem: Tirion/ De Vrieseborch. Kern: actief leren onderwijzen door vakleraren LO ... en leren sporten door sporttrainers. . Bestanden zijn in te zien of te downloaden: 
pdf-BDO-dl.1pdf-BDO-dl.2, pdf-BDO-dl.3pdf-BDO-dl.4.
*(2007). Voor applaus moet je het niet doen! Ontwikkelen van (beter) leren sporten en bewegen! Baarn: De Vrieseborch/Tirion. Kern: actief ontwikkelen op het gebied van Sport & Leefstijl. Bestanden zijn in te zien of te downloaden:
pdf.-TAR-dl.1, pdf-TAR-dl.2, pdf-TAR-dl.3, pdf-TAR-dl.4
*(2008). Slim leren hoe te leren spelen of sporten. Schema’s, werkpatronen en vuistregels voor het zelfstandig didactisch handelen. Groningen: interne HIS- publicatie. Kern: het spelen of sporten ontwikkelen.  Zie voor dit bestand bij
SPORT ONTWIKKELEN.   
*(2009). Ontwikkelen van het (beter) leren en sporten op school: van 1970-2010. Over lijnen en relaties in de vakdidactiekontwikkeling van de Lichamelijke Opvoeding in Nederland vanuit een bewegingsonderwijskundig perspectief. Nieuwegein: Arko Sports Media. Kern: ontwikkeling van het beroep van 'vakleraar LO' in Nederland. Te downloaden als bestand:
pdf-VADILO-dl.1 en pdf-VADILO-dl.2. .
*(2010). Sport op maat. Handreikingen voor een fysiek en mentaal actieve leefstijl van je 35e tot je 100e. Nieuwegein: ARKO Sports Media. Kern: beleven, leren, ontwikkelen op sportgebied voor 35-plussers. informatie over dit basisboek is te vinden bij ANDERS SPORTEN, 
Basisboek SOM-Sporten op Maat voor 55-plus Sport & Leefstijl .
*(2012). Activo's doen het anders, op maat en zeker na hun 50e . Een praktische filosofie voor een fysiek en mentaal actieve leefstijlontwikkeling. Nieuwegein: Arko Sports Media. Kern: ontwikkeling van een fysiek en mentaal actieve, gezonde en zinvolle leefstijl voor de nieuwe generatie ouderen, geboren in de jaren veertig, vijftig en begin zestig.  Zie bij ACTIEVE LEEFSTIJL: 
Basisboek ALO2- Activo's ....etc. voor 55-plus Sport & Leefstijl