Typering fysieke en mentale zelfontwikkeling
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

Leren en ontwikkelen, een leven lang! - Kernartikel 6 (versie juli 2019)  

 

Samenvatting…..Leren en ontwikkelen doe je een leven lang. Bewust én - vooral - onbewust. Hier richten we ons vooral op het actief leren sporten en het ontwikkelen daarvan. Het zelf en samen regelen en ontwikkelen binnen ‘clubverband’ staat centraal. Een samenhangend geheel van motorisch, sociaal-affectief en cognitief leren en ontwikkelen is nodig om optimale ‘totaalplaatjes’ te verwerven. Bij dat ontwikkelen c.q. 'leren hoe te leren' passen we schema’s, werkpatronen en vuistregels toe. 
Lees- en fundamenteel-/planniveau 2 voor kartrekker, coördinator, leefstijlcoach en/of 55-plusser.

Een leven lang leren is voor ieder van ons gewenst. Het houd je actief en motiveert. Leren sluit aan op ons referentiekader, wat eerder geleerd is. 'Bewustzijn, lichaam en omgeving' geven het vorm en inhoud (Van der Helden & Bekkering, 2015). Bewegen is het middel waarmee relaties met de omgeving kunnen worden gerealiseerd (Withagen, 2010). We zijn hierbij zowel betekenisontdekker als -verlener en handelen in interactie met de omgeving vanuit een geheel naar een deel...volleybal spelen met aandacht voor het geplaatst bovenhands spelen van de bal.

Het leefgebied ‘Ontwikkeling’
Velen van de generatie geboren in de jaren veertig, vijftig en begin jaren zestig – de nu 55 tot 75-jarigen – hebben voorkeur voor een fysiek, sociaal én mentaal actieve leefstijl. Ontwikkeling is één van de leefgebieden die een belangrijke rol spelen. Vaak in combinatie met ontspanning, werk of zorg.

In neurologie (hersenonderzoek), antropologie, filosofie en evolutieleer, maar ook op het gebied van Bewegingsleer, Lichamelijke Opvoeding en Sport is de eenheid van ‘lichaam, bewustzijn (of geest) en omgeving’ het uitgangspunt. Scherder (2014) vat bewegen - of het sporten - op als een ‘verrijkte omgeving’ en fundamenteel voor ons bestaan. Een omgeving zorgt voor een doorlopende stroom van vele verschillende zintuiglijke prikkels. Het fysiek-motorische, mentaal-cognitieve en sociaal-affectieve ‘verrijkt’ in samenhang élke omgeving. Zowel de activiteit als de ‘wijze van deelnemen’ motiveert mensen tot het leveren van prestaties, inspanningen en een bepaalde betrokkenheid.

 

‘Leren op korte termijn en ontwikkelen op de lange termijn’ betekent naar aard het volgende…..

*Verbeteren óf vernieuwen. Bij 'verbeteren' verloopt een activiteit (of taak) beter of heeft deze meer resultaat en bij 'vernieuwen' veranderen opvattingen en/of bedoelingen. Hierbij kan sprake zijn van verbreden’ en/of ‘verdiepen’ op een bepaald gebied, zoals het ‘sporten’ of het ‘coachen van elkaar’.
*Ontwikkelen heeft betrekking op een ‘beperkt’ gebied (volleybal, fotograferen, schilderen, tuinieren) of een ‘ruim’ gebied (ontspanning, zorg, werk, ….)….en hangt vaak samen met de sterke punten/ talenten/ kwaliteiten van mensen.  

*Ontwikkelen is toekomstgericht … een investeren in jezelf, in de relaties met … c.q. het inspireren van anderen en/of het beïnvloeden van omgevingen (leef-, woon-, werkomgeving) (SCP, 2006b).
*Ontwikkelen verloopt zowel lineair, op korte termijn (‘we verbeteren iets’) als cyclisch, op de lange termijn (‘na bloei komt verval’) (van Bavel, 2018; p.45-46; Stuurman, 2009). Ontwikkelen vindt daarnaast op verschillende niveaus plaats: in omvang of geldigheid op macro-, meso- en microniveau óf in mate van abstractie op praktijk-, plan- en fundamenteel niveau.


Het begrip ‘generatie’ is aan levensfase en een bepaalde leeftijdscategorie gekoppeld (Bolhuis, 1995). “Elke levensfase heeft andere vraagstukken en brengt nieuwe ervaringen mee. Wat geleerd werd in vorige fasen wordt in elke volgende gebruikt, bewerkt en aangevuld” (p.96). “Het totaal van wat iemand op een bepaald moment in het leven heeft geleerd, is van groot belang voor wat hij of zij vervolgens kan en zal gaan leren. Door de persoonlijke leer- en levensgeschiedenis ontstaat een persoonlijk referentiekader: een geheel aan betekenissen van kennis-inzichten-vaardigheden-attitudes. Het zijn de ogen waarmee iemand of een generatie de wereld al doende en al ontwikkelend ziet of wenst te zien (p.168)”.

Elke generatie heeft ook een gemeenschappelijke geschiedenis. “Het referentiekader van individuen die tot een generatie behoren heeft gemeenschappelijke kenmerken die zijn ontstaan door het verkeren in dezelfde sociale situatie. In de regel blijven de eenmaal gevestigde opvattingen of waardenoriëntaties en gedragspatronen zich manifesteren (p.97)”. Omdat ontwikkelingen per generatie zowel gemeenschappelijk als persoonlijk worden beoordeeld en gewaardeerd ontstaan gedeelde waarden, waarde-gebieden of opvattingen. Samen ontwikkelen doe je binnen vele ‘clubs’, groepen, netwerken of leefgemeenschappen die, hoe ouder je wordt, geleidelijk meer uit dezelfde leeftijdgenoten gaan bestaan.

Leren en ontwikkelen zijn begrippen die in ‘tijd’ en ‘omvang’ verschillen. Je leert volleybalvaardigheden (bovenhands spelen, serveren, opstelling team bij het opvangen van de serve) om daarmee het sportspel volleybal beter te kunnen spelen. Ontwikkelen is leren én ‘leren hoe te leren’ of ‘hoe kan ik anderen iets kan leren’. Hoe kan ik mezelf, mijn medespeler of het team beter leren volleyballen?

“Leren en ontwikkelen is de combinatie van korte en langlopende processen waarbij een persoon lichaam én sociale situaties ervaart, waarvan de inhoud cognitief, emotioneel of praktisch leidt tot veranderingen bij die persoon en in diens individuele biografie worden geïntegreerd” (Jarvis, 2012; in Klarus & de Beer, 2015).
Met sporten én bewegen beïnvloed ik onder andere mijn motorische (coördinatie)ontwikkeling. Hoe meer activiteiten ikin bepaaalde periode doe, hoe allrounder ik bezig ben. Een zeventigjarige kan het volgende doen….ik ga dagelijks met de mountainbike erop uit, wandel een keer per week, zwem twee keer per maand, kano en indoorbase-/softball in de zomer, floorball wekelijks in de winter en schaats dan ook twee keer per maand op de ijsbaan en ga een of twee weken skiën met de familie. Zo mogelijk doe ik dat allemaal met een ‘clubje’ mensen.

Omdat ik mezelf en anderen ‘breed’ wil ontwikkelen, is er sprake van fysieke én mentale coördinatieontwikkeling. Een  samenhang van denken, handelen, voelen en waarderen (betekenis toekennen aan…) op een bepaald gebied.

 

‘Terugkijken op ervaringen’ maakt je bewust van wat je doet, hoe belangrijk dat voor je is waarom je het eigenlijk doet. Evaluatie en reflectie geven zicht op ontwikkelingen, gebeurtenissen en gedrag. Evaluatie heeft betrekking op een relatief korte periode van ‘leren en ontwikkelen’ (een maand, kwartaal, half jaar) en over een bepaald onderdeel of gebied (bijvoorbeeld een sport). Reflectie heeft betrekking op het ‘leren en ontwikkelen’ over een langere periode (een jaar of langer), over een groter geheel of in ruimer verband (waardoor heb ik mij het meest ontwikkeld?). Bij beide gaat het om: hoe verliep het proces en wat vind je van het resultaat?

‘Totaalplaatjes’ leren en ontwikkelen

Een ‘totaalplaatje’ van een activerende sportomgeving heeft bijvoorbeeld de volgende (onderstreepte) kenmerken…..

’Ik wil sporten omdat ik een/deze sportvorm uitdagend en plezierig vind en deze sportgericht is. Het motiveert mij. Ik wil vooral beleven, maar ook nog optimaal presteren en natuurlijk op maat. Dat wil ik samen doen met sporters van ongeveer dezelfde leeftijd. Het zelf een activiteit regelen en ontwikkelen, maakt het nog leuker. Een kartrekker begeleidt ons. De groep reguleert in principe alles zelf. Sport is voor ons vereenvoudigde wedstrijdsport (kleiner veld, minder spelers, ander materiaal) die we onderling beoefenen. Regels worden op de mogelijkheden van de groep en – zo nodig - op die van individuele spelers afgestemd. Samen een sport beleven door het uitvoeren van een eind(sport)vorm, is het belangrijkste. Naast voldoende beleving gaat het ons om het leren of verbeteren van sportvaardigheden. Ieder op eigen niveau. Het zelf en samen ontwikkelen van een sportvorm op de langere termijn is wenselijk. Dat doe je door elkaar te ‘al vragend’ te begeleiden of coachen, maar alleen als je dat zelf wilt. ‘Matig intensief’ bewegen is optimaal als dat gebeurt met driekwart inspanning van je persoonlijk maximaal coördinatievermogen op fysiek (doelgericht handelen) en mentaal gebied (strategisch handelen). Een brede of allround ontwikkeling van de coördinatie is aan te bevelen.
Voldoende intensief sporten in clubverband is gezond. Het ontspant omdat zowel de sportvorm als de wijze van deelnemen je plezier geeft. Iedereen kan eraan deelnemen: mannen en vrouwen, beginners en gevorderden, met goede en matige conditie, gezonde sporters en met fysieke beperkingen (chronische ziekten). De groep zorgt voor een veilige, verantwoorde en activerende (sport)omgeving….

 

Het is het ‘totaalplaatje’ van ‘sporten in 55-plus sportclubverband’ en ook in saamenhang: motorisch, sociaal-affectief en cognitief handelen. De kennis, vaardigheden en opvattingen die horen bij een bepaalde sportvorm (bijv.volleybal) of een sportgebied met overeenkomstige sportvormen (bijv. trefvlaksporten). Het is tevens het totaalplaatje van denken, voelen, handelen, waarderen (waarde of betekenis toekennen aan…) bij het sporten. Hierbij zijn de volgende opvattingen van belang.…..


Gedrag als eenheid van lichaam, geest en omgeving
. We nemen waar en begrijpen met ons lichaam een bepaalde omgeving. We integreren kennis en kunde met ons referentiekader en passen dat op enig niveau toe. We zijn zo opgevat een ‘zelf’, met een ‘wil’, die gedrag richting geeft. Onze grenzen zijn gebonden aan fysieke, mentale en sociale mogelijkheden in …. of bedoelingen met omgevingen. Wanneer we willen gaan fietsen en constateren ‘dat het vandaag een mooie, zwoele dag is, met een strakke blauwe hemel en een lichte bries’ dan nemen we dat alles waar als: ‘ideaal om te gaan fietsen’. Onze zintuigen nemen niet alleen die prikkels waar, maar ook betekenissen of zingevingen (bedoelingen) van een omgeving. Bedoelingen komen van ‘buiten’, vanuit omgeving(en). én tegelijk ook van ‘binnen’ uit als lichamelijke waarnemingen. Hoe meer we onszelf en/in een omgeving als holistisch (een geheel of een totaal) waarnemen, hoe adequater, effectiever en efficiënter we kunnen reageren. Hoe beter we ook onze ‘ervaring’ blijven herinneren. Een survivalweek, in winterse omstandigheden, waarbij we veel afzien en samenwerken in een groep als zeer belangrijk wordt ervaren, zal ons - als 50-plusser -optimaal en als - 30-plusser -  maximaal kunnen activeren.
Cultuur of samenleving is het meest ‘brede’ begrip van een ‘totaalomgeving’ waarin je als de mens c.q. ‘bio-culturele eenheid’ functioneert. Met onze persoonlijke genetische en culturele ontwikkeling staan we ‘op de schouders’ van onze ouders en voorouders. Zowel culturele/sociale ervaringen - van ‘buiten af’ en ook wel ‘memen’ genoemd - en fysieke/mentale mogelijkheden - van ‘binnen uit’ en ook wel genen genoemd - zorgen daarvoor (Verhoeven, 2013). Ons handelen is omgevings- (of context)gebonden. In een tennisomgeving sla je de bal met een forehand ‘in’ (fysiek) en scoor je een punt (regels=cognitie). Jij, als tennisser, met racket en bal, op een speelveld met een tegenstander, vormen de context of omgeving waarin jouw (tennis)gedrag een bepaalde betekenis of zin heeft. Als je in het bos wandelt en met een tennisracket slagbewegingen loopt te maken, loop je kans te worden opgenomen. Hebben je ouders tot op een redelijk niveau getennist c.q. gesport, dan is de kans groot dat jouw sportief leer- en ontwikkelingsproces sneller verloopt en - bij dezelfde omvang aan tennisuren - een hoog niveau bereikt. Je kunt daarom zeggen dat ….. op basis van een bio-culturele samenhang de ontwikkeling van de mens als soort (de fylogenese) zich herhaalt in de ontwikkeling van de mens als persoon (de ontogenese). Er vindt fysieke én mentale ervaringsoverdracht (in de zin van structuren) plaats van de ene generatie op de volgende. Waar de ene generatie een lange tijd voor nodig had, blijkt een volgende generatie dat vroeg(er), snel(ler) of gemakkelijk(er) te kunnen. Zie maar wat onze jeugd al snel aan digitaal vermogen verwerft.


Bedoelingen geven (bewuste) richting aan. Je leert geen bewegingen of woorden alleen, maar je leert bedoelingen van bewegingen of betekenissen van zinnen. Ons denken, handelen, voelen en waarderen (uitdrukken hoe belangrijk je iets of iemand vindt) kunnen niet los van elkaar worden geleerd en ontwikkeld. Het denken geeft beelden van de werkelijkheid, herinneringen aan ervaringen (dus zintuiglijk), maar kan ook verbeelden zijn en losstaan van de werkelijkheid. Vooral metaforen, kernachtige typeringen of fundamentele opvattingen beïnvloeden ons denken van ‘buiten’. Bewegingen zijn acties van spieren en onderdeel van een handeling die doelgericht is en op basis van principes of vuistregels plaatsvindt. Om een softbal te slaan, is het raken (het doel van deze actie) van belang. Daarvoor heb je de volgende bewuste intenties nodig: ‘kijk naar de bal’ en ‘sla de knuppel horizontaal’. Daardoor kun je de bal ‘goed’ raken. In de uitvoering van het slaan vinden onbewuste aanpassingen of bewegingen plaats (bij een te lage bal zak je bijvoorbeeld als vanzelf iets door je benen). De uitvoering is echter vooral een onbewust verlopend gebeuren. Bedoeling en handeling(en) kun je bewust aandacht geven, bewegingen veel minder en liever niet. Het beïnvloedt – zeker aanvankelijk - je coördinatie in negatieve zin. Bij soft- of honkbal is sprake van een eenheid van motorisch-fysiek, sociaal-relationeel en mentaal-cognitief handelen. Met bij elk aspect: emotie (onbewust) en gevoel (de bewuste aanduiding) of affectie.
Waarnemen en handelen in samenhang zorgt dat ook het objectieve en subjectieve tegelijk plaatsvindt. Een muziekinstrument vastpakken is objectief. Samen muziek maken geeft een subjectieve ervaring. Het zelf-als-subject is op het zelf-als-object gebaseerd en beide regelen ons gedrag. Persoon en omgeving zijn objectief én subjectief gezien een eenheid van waarnemen én handelen. Al het handelen gebeurt tegelijk in een voor die persoon betekenisvolle omgeving. Je ziet een bal op het gras liggen (objectief). Je loopt erop af en trapt de bal weg omdat je de bal zelf en de omgeving als een voetbalsituatie waarneemt (subjectief).

Als je slimmer wordt krijg je meer inzicht én daarmee handel je motorisch beter. Als je cognitie achteruit gaat, gebeurt dat ook met de motoriek. Er is veel bewijs dat hersenfuncties, maar ook je gedrag, een leven lang optimaal kunnen (blijven) functioneren zowel in structuur als functie. Mits….je dagelijks actief bent: beweegt-sport en je op meerdere gebieden steeds wilt leren-ontwikkelen. Maar …het loopt helaas niet altijd ‘optimaal’. Omgeving en eigen functioneren moeten op elkaar kunnen worden afgestemd.

 

We komen namelijk geleidelijk in de fase waarin technologische ontwikkeling het leren en ontwikkelen van de mens beïnvloedt c.q. het gebruik van informatie of kennis verbeterd. “We kunnen het leven beschouwen als een zelfreplicerend informatieverwerkingssysteem, waarvan de informatie (de software) als het bewustzijn (de hardware) bepaalt” (Tegmark, 2018, p.41-42). We kunnen daardoor vele nieuwe of complexe vaardigheden verwerven en anders tegen mens en samenleving gaan aankijken. Kunstmatige intelligentie is de aanjager en ‘intelligentie’ is te definiëren als ‘het vermogen om complexe doelen te realiseren’ (p.77). Het vermogen tot leren en ontwikkelen profiteert hiervan het meest en slaagt het meest door samenwerking met anderen. Ons vermogen tot intelligent denken wordt meer het collectief vermogen tot subjectief ervaren (Tegmark 2018, p.444).

Handelingsplan, -besef en -idee geven je samen een eigen bewegings- en ontwikkelingsidentiteit. Met mijn handelingsplan (inclusief ‘bewegingsplan’) structureer ik mijn handelen in omgevingen, mede op basis van eigen mogelijkheden. Het vereist fysiek-motorische en mentaal-strategische coördinatie. Mijn handelingsbesef is gericht op mezelf, een ontwikkeling en een omgeving. Met mijn handelingsidee voer ik functies en rollen uit binnen clubs, netwerken of samenwerkingsverbanden. Dat doe ik alleen en samen met anderen. Plan, besef en idee hangen bij alles wat ik doe met elkaar samen. Je leert alles ook het beste als dat 'breed' zintuiglijk gebeurt. En… je leert door ‘associatie’ van eerdere ervaringen. Op hoofdlijnen vorm je een model of schema als referentiekader. Dat kader wordt ‘sterker’ als daar ook anderen bij betrokken zijn. 
 
‘Anders’ leven
Presteren – voor de 55-plusser – is het optimaal toepassen van kennis en kunde bij het uitvoeren van een activiteit of taak. Actief leven is een basishouding. De nieuwe generatie (55 tot 75 jaar), maar ook de toekomstige (35 tot 55 jaar) zou het volgende ‘totaalplaatje’ van ‘manier van leven’ kunnen nastreven. Een zoektocht naar ‘grenzen’ en ‘optimale mogelijkheden’ in een 55-plus club. ….

’Ik wil fysiek en mentaal actief en ondernemend zijn op het gebied van (vrijwilligers)werk, zorg, ontspanning en ontwikkeling, zoals ik dat al mijn hele leven ben. Mijn tijdbesteding en beleving is in balans. Naast mijn gezin, familie en vrienden, stel ik sociale contacten met - onder andere generatiegenoten - in clubs, netwerken of leefgemeenschappen, zeer op prijs. De hiermee samenhangende taken en activiteiten zijn afgestemd op mijn mogelijkheden (op maat). Binnen alle clubs wil ik beleven, leren en – op de langere termijn mezelf en samen met anderen - ontwikkelen. Ik probeer op veel gebieden optimaal te presteren. Het zelf en samen regelen en ontwikkelen van activiteiten, motiveert mij. Ik fungeer zelf als kartrekker of een kartrekker helpt mij daarbij. De groep doet het regelen en ontwikkelen zelf. Door takenverdelingen zorgen we voor gelijkwaardige inbreng van iedereen. We houden rekening met interesses en mogelijkheden van elkaar en proberen een samenwerkend leren en ontwikkelen te realiseren. We helpen en coachen elkaar in de regelmatige ontmoetingen. Optimaal participeren doet een beroep op je (motorisch) doelgericht en (cognitief) strategisch handelen. Het vereist een inspanning op driekwart van het persoonlijk maximaal coördinatievermogen. Dat is ‘matig intensief’. Met deze intenties is ontwikkeling in een sportclub, een studie- of ontwikkelclub en/of een hobby-/culturele club mogelijk. Het geeft ontspanning omdat de activiteit én de wijze van deelnemen plezier geven. Dit alles gebeurt in een 55-plus club, waaraan iedereen kan deelnemen: mannen en vrouwen, met verschillen in kennis of ervaring, met goede en matige basismogelijkheden. De groep realiseert samen een (mentaal) veilige, verantwoorde en activerende leefomgeving’…..

 

Deelnemen aan vele ‘clubs’, groepen, netwerken of leefgemeenschappen’ bevordert ons functioneren (Van der Zee, 2012). Een levenslange actieve, gezonde op zinvolle tijdbesteding gerichte leefstijl bevordert het  – figuurlijk gesproken – ‘jong blijven voelen’. Actief zijn is….’fysiek en mentaal actief zijn op alle leefgebieden; uitdagingen zoeken en vrienden maken; betrokken blijven bij je omgeving; creatief zijn en activiteiten of omgevingen ontwerpen; ontspannen leven; optimaal presteren en ervaren en tevreden zijn met wat je kunt, in plaats van ontevreden met zijn met wat je niet meer kunt; dagelijks bewegen en sportensport; tijd nemen voor kritische analyse van en reflectie (of meditatie) op (onderdelen) van je bestaan door ‘verhalen’ en/of praktijktheorieën te maken. Eigenlijk ook: kies bij wijze van spreken ‘je ouders met zorg’ vanwege de voor jou van belang zijnde erfelijke factoren (Van der Zee, 2012; p.208-209).

Persoonlijke clubontwikkelingsniveaus

Je gezond voelen is een samenspel van fysiek/motorisch  (bewegen-sporten), psychisch (leren-ontwikkelen) en sociaal (samenwerken) welbevinden op verschillende ‘clubdeelnameniveaus of -gradaties’ van samen beleven, regelen en ontwikkelen (Devisch, 2013).

Clubdeelnameniveau 1. Ik wil lid worden van een 55-plus ‘sportclub’… Deze bestaat uit een tiental sporters (mannen en vrouwen) die wekelijks een zaal huren om te gaan volleyballen. Een deel had vroeger gevolleybald en een deel niet. Een oud-volleyballer fungeert als kartrekker… Je neemt deel aan deze ‘club’ omdat op de eerste plaats de activiteit en de deelnemers je aanstaan. De activiteit of inhoud is aantrekkelijk, uitdagend of gewoon plezierig. Volleybal heeft als sport een bepaalde moeilijkheidsgraad qua coördinatie en het hangt van de deelnemers af hoe gedifferentieerd/ onderscheidend naar niveau het sportspel qua spel(regels) kan worden gespeeld en ontwikkeld. Iedereen moet op zijn of haar niveau kunnen deelnemen: op maat en optimaal, Vandaar dat we onderling vier tegen vier spelen en de eerste tijd verschillen in het (be)spelen van de bal van elkaar accepteren.

Clubdeelnameniveau 2. Nu gaat de ‘wijze van deelnemen’ - van mij en mijn club- of teamgenoten - belangrijker worden. Je probeert zelf, maar mogelijk ook al anderen te ’coachen’. Beleven, leren en ontwikkelen zijn nu min of meer achtereenvolgens van belang. Ervaar eerst hoe iets gaat of (aan)voelt en daarna wil je iets verbeteren, leren of ontwikkelen.  Dan ook los je alleen of samen steeds meer beweeg- en ontwikkelproblemen op / of leer je steeds meer technische en tactische volleybalvaardigheden. 
Clubdeelnameniveau 3. Het elkaar helpen, begeleiden of coachen wordt ingepast en al doende verder ontwikkeld door de ‘wijze van sporten’ als sporter, team en ‘club’/groep in onderbrekingen of na afloop bespreekbaar te maken. Het gaat hier vooral om het leren en ontwikkelen van een activiteit op de langere termijn. Je verbetert of leert een volleybalvaardigheid (een smash) en je verbetert of ontwikkelt het spel (technisch en tactisch) in fasen. De keuze en belasting van een activiteit of taak is van groot belang. Zo heeft een uur optimaal basketballen een gewenst effect op de coördinatie van een gezonde zestigjarige. Het beoefenen van Tai Chi of bowling op die leeftijd, heeft dat effect niet. Ben je ver in de tachtig, dan is de belasting van Tai Chi en bowling, fysiek gezien, wel optimaal.

 

Zelfstandig problemen oplossen

Het vermogen tot zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk handelen - ook wel zelfregulering genoemd – ontwikkel je in de loop van je leven. Voor het zelfstandig leren en ontwikkelen (of: leren hoe te leren) heb je schema’s/modellen, werkpatronen/procedures en vuistregels/principes nodig. Voor toepassing van die middelen, zie vooral de link SPORT ONTWIKKELEN.

‘Werkpatronen’
zijn bijvoorbeeld leer- of ontwikkelmethoden. We onderscheiden er drie bij ‘manieren van leren’: (a) leren door imiteren/ onbewust nadoen; (b) leren door handelen/bewust doelgericht en (c) leren door conditioneren/stapje voor stapje naar de hele activiteit. Bij de eerste twee gaat het vinden van oplossingen het eenvoudigst, omdat ze meer onbewust plaatsvinden.

             Een ander leermethodevoorbeeld is een activiteit in z’n geheel en/of in delen leren en ontwikkelen. Een niet al te complexe activiteit of taak voer je direct in z’n geheel uit: 'vier tegen vier volleyballen'.
Bij totaal-totaal leren speel je eerst: drie tegen drie en dan vier tegen vier basketbal op een half speelveld en vervolgens vijf tegen vijf op een volledig speelveld. Alle drie zijn eindsportvormen.
Maar het kan ook afwisselend van een ‘totaal’ naar een ‘(onder)deel’ daarvan en weer terug naar een ‘totaal’. Totaal-deel-totaal leren dus. Je speelt bijvoorbeeld vier tegen vier volleybal. Vervolgens speel je ‘een plus een’ om samen zo lang mogelijk de bal bovenhands over het net in het spel te houden. Dat is dat eerder een ‘spelprobleem’ gebleken. Daarna speel je opnieuw vier tegen vier. Als laatste is er ook een volgorde van onderdeel naar onderdeel tot een geheel, het deel-deel-totaal leren. Een opeenvolging van het leren van een beperkt aantal technische en tactische vaardigheden naar steeds meer vaardigheden en in steeds meer complexe situaties. De eerste twee leermethoden verdienen de meeste aanbeveling vanwege de totaalervaring. 

Leer- en ontwikkelingscycli zijn…1 Sensomotorische cyclus. Deze bestaat achtereenvolgens uit: doen, waarnemen via zintuigen en reageren door gewenst gedrag te tonen. Over dat gedrag ben je tevreden of niet. Als je tevreden bent, probeer je dat te continueren. Ben je ontevreden, dan kijk je naar het verloop of volgorde bij het uitvoeren of leren van een activiteit, probeer je de oorzaken van het niet helemaal lukken op te sporen en daarna het gedrag te verbeteren.

2 Aandachtcyclus. Een volgorde van bewust proberen te begrijpen door inzichtelijk te leren. Vervolgens te integreren om het geleerde een plaats in je referentiekader te geven en tenslotte leer je kennis en kunde – ofwel je vaardigheden - op een bepaald gebied praktisch toe te passen. Voor het leren met inzicht heb je vuistregels of principes nodig. Dat zijn de belangrijkste handelingen die je bewust wilt uitvoeren om een doel te bereiken. Bij het slaan van een softbal: ‘kijk naar de bal en sla je de knuppel horizontaal’.

3 Ontwikkelcyclus. Een achtereenvolgens en afwisselend: beleven, leren of ontwikkelen. Beleef zelf een activiteit of taak, leer deze beter uit te voeren en ontwikkel op basis hiervan hoe je jezelf iets kunt aanleren of hoe je anderen iets kunt leren. Voor dat laatste gebruik je schema’s (zoals  overzicht van te leren volleybalvaardigheden), werkpatronen (zoals een methode) en vuistregels of principes.      .                                                                                                 
4 Ervaringscyclus. Die fasen zijn: (a) ervaar door actief uit te proberen; (b) reflecteer op wat je hebt gedaan; (c) plaats het resultaat in een groter geheel dus theoretiseer of verbind ervaringen aan theoretische inzichten; (d) maak plannen of pas kennis of vaardigheden op een praktijkgebied toe. Ontwikkelen en veranderen gaan samen. In positieve zin betekent het verbeteren (minder ingrijpend) of vernieuwen (meer ingrijpend). Bij vernieuwen wijzigt zowel de inhoud, aanpak als organisatie en stimuleer je het denken en doen op planniveau (vaak opvattingen) en praktijkniveau (vaak acties of activiteiten). Door afstemming van beide niveaus op elkaar krijg je een meer consistente praktijktheorie of concept.

5 Verandercyclus. Continu veranderen gebeurt in de volgende projectstappen…

Stap 1. Maak een groep met een gemeenschappelijk doel die gedurende enige tijd samen aan een taak of activiteit werkt. Gebruik de kwaliteiten van elke deelnemer. Zorg voor een onderlinge taakverdeling en deel ervaringen met elkaar.

Stap 2. Laat iedereen het meer ideale en gewenste gedrag zelf ervaren. De kartrekker heeft een voorbeeldrol. Al doende worden de kenmerken van het meer gewenste gedrag bewust benoemd.
Stap 3. Deelnemers voeren hun taak zo zelfstandig mogelijk uit. Dat vraagt maatwerk en samen ontwikkelen. Met collegiale consultaties of coaching wordt ondersteuning geboden. Het leren binnen een groep wordt op deze manier ´samenwerkend leren´.
Stap 4. Regelmatig vinden evaluaties of beoordelingen plaats, waarin zowel het verloop als het resultaat van de verandering op het gebied van organisatie, aanpak en inhoud nader worden bekeken

die bij leren en ontwikkelen een belangrijke rol spelen. 

Omgaan met verschillen door differentiatie

Wat verstaan we bij een activiteit, sportvorm of ontwikkelingstaak onder ‘optimaal (fysiek en mentaal) presteren’? Dat houdt het volgende in….

1 Het gevoel hebben dat je op ‘zestig tot zeventig procent’ van je persoonlijk maximaal (coördinatie)vermogen functioneert ofwel ‘matig intensief’. Dat betekent voor een 55-plusser: een of twee uur ‘vier tegen vier volleyballen’ of een of twee uur lezen van een boek. De activiteit wordt afgewisseld met korte rust- of juist beweegmomenten. Activiteiten herhalen zich dagelijks, wekelijks en over een langere periode en komen over een langere periode regelmatig voor.

2 Dagelijks en wekelijks doe je aan meerdere gevarieerde en herhaalde activiteiten of taken. Zo mogelijk op een veelvormige wijze. Een zeventigjarige fietst dagelijks dertig kilometer in een voor hem of haar stevig tempo, gaat wekelijks vijftien kilometer nordic walken, tafeltennist wekelijks met anderen, zwemt een keer per maand een uurtje, gaat in de zomer wekelijks met anderen honk-softballen of kajakken. Gaat in de winter een week skiën of schaatst maandelijks een paar uur op de ijsbaan. Allround sporten maakt het doen aan sport optimaler.

 3 Veel activiteiten of taken probeer je te ontwikkelen, door ze achtereenvolgens en herhaald cyclisch te beleven, leren én leren hoe te leren door er verschillende functies (bv. competitief, samenwerkend of coöperatief handelend) of rollen (bv. kartrekker, begeleider-coach) mee uit te voeren. Daarmee wordt een activiteit meer veelzijdig. Zo’n club kan uit een mix van mannen en vrouwen bestaan, die verschillen in niveau of mogelijkheden. De groep zorgt zelf(standig) voor een (mentaal) veilige, verantwoorde en activerende leefomgeving en regelt, ontwikkelt of verandert dat.
De kwaliteit van optimaal willen presteren en ervaren vertraagt het gevoel van ‘ouder worden’. Zie verder bij ACTIEVE LEEFSTIJL….
Optimaal op maat of niveau ervaren en presteren na je 55e!


Optimaal presteren vereist in een groep de nodige differentiatie, een omgaan met verschillen  (Timmers, 2005; Timmers & Mulder, 2006)….dat betekent:
1 Binnen een activiteit worden onderling verschillende taken of vaardigheden uitgevoerd die afgestemd zijn op individuele mogelijkheden.
Voorbeeld…Bij het spelen van ‘vier tegen vier voetbal’ (op een relatief klein speelveld) wordt in de aanval in een ‘ruit’ gespeeld en ‘man tegen man’ verdedigd. De meest balvaardige spelers staan in het centrum.
2 De inspanning/inzet/nodige fysieke-mentale coördinatie voor een taak of vaardigheid, verschilt per deelnemer. Het streven naar de wil tot verbeteren/leren of leren hoe te leren (schema’s, werkpatronen, vuistregels) verschilt per deelnemer. Er moet in stappen worden gedacht.
Voorbeeld…Bij het spelen van ‘vier tegen vier volleybal’ spreken de spelers af op welke manier ze de bal spelen. Mogelijkheden zijn: bal vangen, voor jezelf opgooien en bovenhands doorspelen; alleen een te laag aangespeelde bal vangen, op- en doorspelen; de bal direct doorspelen (onder- en bovenhands).
3 Bij een activiteit of onderdeel daarvan worden verschillende rollen (kartrekker, coach of begeleider) toegepast. Het vereist een ‘leren hoe je anderen iets kunt leren’ op het gebied van de hele activiteit of een onderdeel daarvan. Je moet daarbij kunnen denken in methodische/logische opeenvolgende stappen.
Zie verder praktische toepassingen bi de linkj SPORT ONTWIKKELEN.

Inspirerende bronnen - zie LITERATUUR
Aleman (2012; 2017). Baars (2007). Baltes et al (2007). Bolhuis (1995). Bos (2014). Brooks (2011). Brunia (2015). Busker (2013). De Caluwé & Vermaak (2002). Chopra & Tanzi (2013). Crevits (2016). Damasio (2010). Dijksterhuis (2009). Fresco (2014). Goldberg (2007). Helden, van der & Bekkering (2015). Heijne (2015). Jarvis (2012). Jolles (2016). Kahneman (2012). Keizer (2012). Kolk (2012). Korteweg (2017). Klarus & De Beer (2013). Korthagen et al (2002). Van de Laar & Voerman (2011). De Lange (2012). De Monchy (2013). Mieras (2009). Mulder (2009). Neuvel (2012). Ramachandran (2011). Scherder (2014). Schermer et al (2013). Sitskoorn (2008). Timmers & Mulder (2006). Timmers (2005; 2007; 2010; 2012). Verhoeven (2014). Verkuylen (2010). Westendorp (2014). Van der Zee (2012). Zwart & Middel (2005).