Het optimaal en op maat sporten van de 55-plusser
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

'Anders' sporten (en leven) door 55-plussers - Kernartikel 3
Versie juni 2019.  

Samenvattend. De nieuwe generatie 55-plussers en en met name de nu 55 tot 75 jarigen, wil fysiek, sociaal én mentaal actief, gezond en zinvol leven. Dat betekent dus: zo mogelijk dagelijks gevarieerd en op meerdere gebieden ‘bewegen én sporten’ én samen veel ‘leren én ontwikkelen’. En dan ook een leven lang zelfstandig- zelfsturend-zelfverantwoordelijk bewegen in 55-plus ‘clubs. Alleen én samen optimaal willen presteren. Zowel de inhoud van activiteiten als de ‘wijze van deelnemen’ zijn hierbij beide van groot belang.   

Deze tekst is op lees- en planniveau 1 en bestemd voor kartrekker, coördinator, leefstijlcoach en/of de 55-plusser.

 


De groep sportende 55-plussers wordt in de komende jaren steeds groter, heeft veel sportervaring en vind dat ze dat zelf – door een of twee kartrekkers - prima kan regelen en ontwikkelen. Ze heeft de ontwikkeling in breedte en naar niveau – vooral vanaf de jaren zestig - beleefd. Het is de ‘nieuwe’ generatie, geboren in de jaren veertig, vijftig en begin zestig, die dat als eerste heeft ervaren en beter is opgeleid dan de vooroorlogse generatie. Ze is in staat tot meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk gedrag bij het samenwerkend c.q. begeleidend leren en ontwikkelen in ‘clubs’. Die kunnen binnen en buiten sportverenigingen ontstaan.

Ze is overtuigt van het grote belang van ‘samenwerkend regelen en ontwikkelen in lokale en relatief kleine clubs’, voor juist de 55-plusser. Maar dan wel ongeacht niveau of mogelijkheden, geslacht, gezond of met fysieke/mentale beperkingen. Plus met de bereidheid elkaar ‘op maat’ te laten deelnemen door het afstemmen en aanpassen van regels. De sportvorm zelf en de ‘wijze van deelname’ vereisen zo’n afstemming. Elke acitviteit, dus ook een sportvorm, wordt plezieriger als je deze tecnisch of tactisch beter leert uitvoeren. Beleven, leren en ontwikkelen zijn daarom steeds de rode draad in die ‘deelname’.
Aan een sport kun je ook ‘optimaal en al ontwikkelend’ deelnemen en onderling of recreatief. Daar past geen competitie bij, wel wedijver. Een sportvereniging biedt voor dit ‘anders sporten’ geen uitdaging. Ze geeft geen ruimte voor het veranderen van regels, het elkaar begeleiden of coachen en het in onderling overleg samen alles regelen of ontwikkelen.

 

De nieuwe generatie senioren wil – meer algemeen gezegd - ‘anders leven en bewegen’ (SCP, 2006a). Ze bezit al grotendeels een ACTIEVE LEEFSTIJL, waarin sporten, leren én ontwikkelen dominant zijn. En dat vraagt een ‘fysiek, sociaal (veilig, sportief) en mentaal (of cognitief)’uitdagend klimaat die ze vooral zelf vorm en inhoud kan geven’.


Ontwikkelend sportend!
Een 55-plusser kiest een sport die hem of haar qua activiteit aanspreekt. Voor de een is dat handbal of voetbal en de ander volleybal of wandelen. Sportvormen zijn activiteiten die leuk of uitdagend zijn om te doen. Voor ouderen is samen sporten vaak het plezierigst. Zeker als een sportvorm wat de regels betreft meer op de mogelijkheden van de groep moet worden afgestemd en beleven, leren en ontwikkelen de rode draad in de deelname is. Ook voor het fysiek en mentaal ‘veilig’ kunnen sporten is een groep belangrijk. Elke sport geeft een bepaalde mate van vitaal en competent gevoel als je tenminste de sportinhoud en de ‘wijze van deelname’ kiest waarmee iedere sporter in de groep op ‘eigen niveau’ kan deelnemen. In bijvoorbeeld vier tegen vier volleybal met de keuze de bal te vangen en daarna door te spelen of dat direct te doen. Een sportvorm ontwikkelen doe je op de lange termijn door deze een periode (een kwartaal of langer) lang te beoefenen. Daarvoor moet je wel besschikken over de kennis van ‘leren hoe te leren’ én over kennis hoe je elkaar daarbij kunt begeleiden. Trainen, in de zin van het oefenen van kracht, lenigheid, snelheid, uithoudingsvermogen of coördinatie – samen ook wel conditie of fitness genoemd - is onnodig. Dat komt vanzelf in enige mate bij de uitvoering van een sportvorm aan bod. Ontwikkelen van (combinaties van) vaardigheden, liefst in spelvorm, krijgt de voorkeur. Een kartrekker bij een 55-plus-club gaat badmintonnen (= werk), deelnemers coachen (= zorg), zelf en anderen optimaal (laten) ervaren en presteren (= ontspanning) plus ‘leren hoe je jezelf en anderen beter kunt leren badmintonnen (= ontwikkeling). Vier gebieden die in elke levensfase taken en acties vereist.

Sportvormen bestaan uit een combinatie van ‘grondvormen van bewegen’, zoals: gaan, lopen, springen, gooien en vangen, werpen, klimmen, voortbewegen op, in of onder water, …… én  krijgen door ‘(sport)regels’ specifieke bedoelingen van een vaardigheid (‘slaan bij honkbal’) of een sportvorm (‘twee slagmensen, vier velders en drie honken’). Een honkbalsportvorm. De essentie ‘een bal slaan, lopen van honken om te scoren respectievelijk het voorkomen daarvan’ is immers dezelfde als bij het sportspel negen tegen negen.

Sterke sportontwikkeling vanaf de jaren zestig!

Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw was sport alleen bedoeld voor jonge, gezonde mannen. Inmiddels krijgen meer doelgroepen een plaats in de sport: vrouwen-meisjes, ouderen en minder validen. De sport is in de loop van de tijd meer veelvormig (meerdere sportvormen), veelzijdig (competitief én recreatief) en gedifferentieerd (per doelgroep verschillend in regels) geworden. Je kunt sport competitief op meerdere niveaus beoefenen. Dan is selectie nodig. Bij recreatief of onderling sporten stem je regels op de groep, het team of individu af. Dat maakt ‘gelijke strijd’ mogelijk.


De nieuwe generatie heeft de sport en het sporten vanaf de jaren zestig sterk zien veranderen. Het aantal sporten en de mogelijkheden zijn sterk toegenomen. Naast de competitieve sport is nu ook recreatief of onderling sporten mogelijk. Dat allemaal is ‘sport’.

Sport, gericht op ‘competitie, maximaal presteren en (internationaal) vaste regels’, is na je 35e – maar zeker na je 55e – ongewenst. Een leven lang ‘sportgericht’ blijven bewegen betekent: meer onderling sporten, zelf regelen en ontwikkelen en dat afstemmen op de groep en het als ‘team of club’ samen presteren’. Een ‘club’ staat hier voor 55-plussers van zo’n tien tot zestien deelnemers, mannen én vrouwen samen,  met verschillende sport- en conditieniveaus. Door de betekenis van ‘sport’ meer veelzijdig en veelvormig te maken, is sport voor meer doelgroepen haalbaar (Timmers, 2010; 2012). .

 

.

 

Veelzijdig of allround-sporten in de zin van: regelmatig, gevarieerd, optimaal qua niveau en inzet, bevordert de eigen coördinatie. Wekelijks meerdere keren, gevarieerd sporten (spel-, duur-, vecht-…) is daarvoor aan te bevelen. ‘Waar veel topsporters’ een allround sportfase laten volgen door een langjarig beperking tot één sportvorm, kunnen breedte- of recreatieve sporters vanaf de jeugd beter kiezen voor een wekelijks en periodiek brede sportontwikkeling kiezen.
Sport beleven, leren en ontwikkelen is ook in de loop van de tijd veranderd. De jeugd op school of beginnende vijfenvijftig plussers leren en ontwikkeln sportvormen ‘al spelend’. Dat geldt voor elke activiteit. Zoals van twee tegen twee, via vier tegen vier …..naar zeven/elf tegen zeven/elf voetballen. Leren van rollen (spelobservator, trainer/coach, scheidsrechter,…) en van sportmethoden raakte vanaf jaren tachtig in de les Lichamelijke Opvoeding in zwang. Zie verdere de toepassingen bij de links SPORT ONTWIKKELEN en SPORTVORMEN.


Sportvormen op maat kiezen en verder ontwikkelen!

Als 55-plusser kies je vaak voor sportvormen die je bekend zijn of waaraan je eerder hebt deelgenomen. Maar ook voor jou ‘nieuwe vormen’ zijn mogelijk. Je kunt kiezen uit naar aard verschillende activiteiten (bijvoorbeeld duur- of spelsporten) of naar moeilijkheidsgraad. Zo vereisen spelsporten vaak meer coördinatie dan duursporten en is een miksport als bowlen minder moeilijk dan een doelsport als floorball of indoorhockey. Advies: kies een activiteit op maat die aansluit bij je (coördinatie)niveau.
Een ouder wordende sporter zal in de loop van de tijd rekening moeten houden met vermindering van fysieke mogelijkheden en toenemende blessuregevoeligheid. ‘Op maat’ sporten is dan steeds meer noodzakelijk. Sportverenigingen bieden hiervoor weinig speel-en ontwikkelingsruimte. Onderling sporten biedt daarvoor wel ruimte.


Sportvormen zijn naar moeilijkheid en aard van de activiteit op zo’n drie niveaus te ordenen. Het hangt van de eigen mogelijkheden en die van de groep af ze er ‘goed’ op aansluiten en of de groep ze in regels en vorm(en) relatief eenvoudig kan aanpassen. Die niveaus zijn ……

Een basaal complexiteitsniveau is: het ‘al verplaatsend je evenwicht houden’, zoals bij wandelen of fietsen. Een fysieke voorwaarde. Kennis hebben van het te gebruiken materiaal of te benutten omgevingsvoorwaarden (‘harder trappen als je een heuvel opgaat’) is een mentaal-cognitieve voorwaarde. Het is een ‘actie’ van jouw lichaam met het beschikbare materiaal (fietskwaliteit) in een bepaalde omgeving.
Een gemiddeld complexiteitsniveau is: het naast lichaamsacties reageren op het gedrag van medespeler(s) en/of tegenstander(s), het zelf meer tactisch handelen, maakt tennis, badminton of tafeltennis wat coördinatie betreft complexer. Van dezelfde orde is dans of bewegen op muziek. Het instellen op de actie van een partner (en andere dansers in je omgeving) is nodig en het bewegen op maat en ritme van de muziek.
Een hoog complexiteitsniveau
is: doelsporten als floorball (uni- of zaalhockey) en streetbasketball zijn weer complexer. Gedrag van mede- en tegenspelers beïnvloedt het individuele tactisch spelgedrag en van het team. Op dit niveau is ook van belang: het inzicht krijgen in hoe je beweeg- en sportvormen al doende leert en ontwikkelt (de leer- of ontwikkelmethode; het leren hoe te leren).

Een activiteit is ‘op maat’ als deze op de eigen coördinatiemogelijkheden of het gemiddelde van die van deelnemers aansluit. Voor de een is dat bowling (‘basaal niveau’) en voor een ander het spelen van ‘klein terrein voetball’ (‘hoog niveau’). Door van keuzes te veranderen kun je een leven lang sportgericht bezig zijn.

Regels voor het optimaal sporten!

Om optimaal te sporten moet je een sportvorm meer op de individuele sporter kunnen afstemmen. Zie verder Optimaal op maat ervaren en presteren .
In competitieve wedstrijdsport zijn sportvormen ook eindvormen, zoals: volleybal-zes tegen zes of hockey-elf tegen elf. Verwante eindvormen zijn de hiervan afgeleide zoals: volleybal - vier tegen vier of beach-volleyball en hockey - vier tegen vier (in de zaal) of floorball (zaalhockeyvorm). Een verwante basketbal-sport- en eindvorm is streetbasketball. Deze staat op de nominatie Olympische nominatie te worden en wordt een ‘echte’ sporteindvorm. ‘Verwant-zijn’ is hier: ‘drie tegen drie of vier tegen vier basketballen op een half basketbalspeelveld, met dus een basket en met recht van aanval halen bij de middenlijn’. Indoorsoft- of baseball kan in grotere spelzalen of een deel van een sporthal in zestallen worden gespeeld. Dat gebeurt in een verwante baseballeindvorm met twee slagmensen, vier veldspelers, drie honken en aangepast spelmateriaal. Waterpolo kan in de breedte van een zwembad worden gespeeld. Dan kun je het spel lopend of zwemmend ‘nat’ spelen. Waterbasketbal - met twee drijvende baskets - is eveneens mogelijk. Een combinatie van boksen en judo is een ‘vechtsport’ die op maat van 55-plussers is te maken en ‘al spelend’ is te ontwikkelen. Zie ‘spelend boksen’ bij de link SPORT ONTWIKKELEN. Mannen en vrouwen kunnen ook samen ‘vechten of sparren’. Bij al deze verwante eindvormen blijft de essentie van een sportvorm gehandhaafd én dus…. is sprake van sportgerichte beleving. Een overzicht van vele aan de ‘sport’ ontleende sportvormen en sportgebieden is te vinden in hoofdstuk 3 van ‘Sport op Maat (Timmers, 2010). U kunt dat hoofdstuk en eventueel het boek op deze OA--site gratis downloaden.

Bij het recreatieve of onderling sporten zijn regels in overleg vast te stellen. Zo kun je bij volleybal afspreken dat de ene speler de bal mag vangen en daarna bovenhands doorspelen en een ander de bal direct ‘boven- of onderhands’ speelt. De essentie van (verwante) sport-eindvormen en de onderling geregelde sportvormen is identiek. De essentie van een sporteindvorm ‘volleybal’ is: ‘twee partijen spelen tegen elkaar, waarbij de bal via de handen, al of niet via een medespeler, over een net op de grond bij de tegenpartij terecht komt’. De vorm kan zijn: twee tegen twee, vier tegen vier of zes tegen zes volleyallen. Deze laat op verschillende manieren het spelen van de bal toe.

 

Er zijn spel- én speelregels. Spelregels zijn ‘verplicht’: ‘in een dubbelspel tafeltennis mogen beide spelers een volgende bal terugspelen, dat hoeft dus niet om en om te gebeuren’. Speelregels zijn ‘vrijwillig toepasbaar’. ‘We spelen de bal bij tafeltennis zoveel mogelijk om en om terug’. Afstemming op de kwaliteiten van elkaar is aan regels te koppelen: ‘in een fietsclub fietst iedereen dezelfde afstand en met dezelfde snelheid, maar de een doet dat op een mountainbike en de ander op een elektrische fiets’. 

                                                                                                 

Al samenwerkend beleven, leren én ontwikkelen!
Een actieve, ondernemende leefstijl maakt mensen gelukkig(er) (Dijksterhuis, 2015; Timmers, 2010; 2012). De pijlers voor zo’n leefstijl zijn: ‘bewegen-sporten-actie ondernemen’ én ‘leren-ontwikkelen inclusief leren hoe te leren of hoe je anderen iets kunt leren’. Samen – in ‘clubs’-  presteren en ervaren motiveert mits iedereen daarin naar  eigen mogelijkheden kan participeren. Elkaar begeleiden of coachen verhoogt die motivatie. Dijksterhuis geeft als advies: “laat ideële doelen de materialistische overheersen; investeer in jezelf; in de relaties met anderen; ontwikkel jezelf; wees actief en ondernemend in vele omgevingen en in het inspireren van anderen; wees betrokken en zorg voor verbondenheid; zorg voor balans in je tijdbesteding en – beleving: besteed aan alles wat je belangrijk vindt voldoende tijd; zorg voor optimale ervaringen door ‘flow’, doe iets waar je volledig in opgaat en kies voor ‘actieve en serieuze tijdbesteding’(p.132). “Mensen die gelukkig zijn hebben meestal een gezond en stimulerend sociaal netwerk, ze ondernemen dingen die veel voldoening geven en ze ervaren gemoedsrust. Ze doen wat ze het liefst willen doen, ze ontplooien hun talenten, ze volgen hun hart”(p.134). De behoefte om jezelf te ontwikkelen ontstaat uit het willen inspireren van anderen door begeleiden, coachen, lesgeven of trainen én willen presteren (uitdagingen aangaan, competent zijn) en/of willen verbinden (sociaal gericht zijn). Een 55-plus sportclub (maar elk andere is ook goed)  is dan ook een ideale plek voor het zoeken naar en het vinden van ‘geluk’. Een actieve leefstijl  geeft je gevoel van vitaliteit, competentie én sociale ervaring. Samen sportief presteren is een ‘totaal’ ervaring en dat speelt op drie niveaus van clubdeelname…..

Basaal clubdeelnameniveau
. Ik wil lid worden van een 55-plus ‘sportclub’… Deze bestaat uit zo’n tien sporters (mannen en vrouwen) die wekelijks een zaal huren om te gaan volleyballen. Een deel heeft vroeger gevolleybald en een deel niet. Een oud-volleyballer fungeert als kartrekker… Je neemt deel aan deze ‘club’ omdat op de eerste plaats de activiteit en de deelnemers je aanstaan. De activiteit of inhoud is aantrekkelijk, uitdagend of gewoon plezierig. Volleybal heeft als sport een bepaalde moeilijkheidsgraad qua coördinatie en het hangt van de deelnemers af hoe gedifferentieerd/ onderscheidend naar niveau het sportspel qua spel(regels) kan worden gespeeld en ontwikkeld. Iedereen moet op zijn of haar niveau aan een activiteit kunnen deelnemen. Dat betekent op maat en optimaal. Vandaar dat we onderling vier tegen vier spelen en de eerste tijd verschillen in het (be)spelen van de bal van elkaar accepteren.

Gemiddeld clubdeelnameniveau. Nu gaat de ‘wijze van deelnemen’ - van mij en mijn club- of teamgenoten - belangrijker worden. Ontwikkelen speelt een meer centrale rol Je probeert zelf, maar mogelijk ook al anderen te ’coachen’. Beleven, leren en ontwikkelen zijn nu min of meer achtereenvolgens van belang. Ervaar eerst hoe iets gaat of (aan)voelt en daarna wil je iets verbeteren, leren of ontwikkelen.  Dan ook los je alleen of samen steeds meer beweeg- en ontwikkelproblemen op / of leer je steeds meer technische en tactische volleybalvaardigheden. 
Hoog clubdeelnameniveau. Het elkaar helpen, begeleiden of coachen wordt ingepast en al doende verder ontwikkeld door de ‘wijze van sporten’ als sporter, team en ‘club’/groep in onderbrekingen of na afloop bespreekbaar te maken. Het gaat hier vooral om het leren en ontwikkelen van een activiteit op de langere termijn. Je verbetert of leert een volleybalvaardigheid (een smash) en je verbetert of ontwikkelt het spel (technisch en tactisch) in fasen.

 

Optimaal presteren én ervaren, maakt het sporten leuker!

Presteren doe je op verschillende niveaus afhankelijk van je fysieke, cognitieve/mentale of sociale mogelijkheden. Die niveaus zijn: 1 hoog of maximaal met negentig tot honderd procent inzet; 2 meer dan gemiddeld of optimaal met zestig tot zeventig procent inzet; 3 gemiddeld met  veertig tot vijftig procent inzet en 4 laag, minder dan veertig procent inzet.
Bij elke activiteit, inhoud of taak speelt het fysieke, mentale en sociale een rol. De keuze van opeenvolgende activiteiten – de methode van het leren en ontwikkelen – zoals om een ‘allround sporter te worden’ zorgt dat je de eigen (fysieke, mentale en sociale) mogelijkheden ontwikkelt. Er zijn zeventigjarigen die nog bergen beklimmen of motorrijden. Gelukkig verschillen ook sportvormen in moeilijkheidsgraad qua fysieke (de wijze van bewegen) en/of mentale coördinatie (strategisch en de mate van effectief en efficiënt handelen). Sport biedt nu voldoende mogelijkheden tot maatwerk aan. Het lokaal vormen van voldoende grootte groepen is nog wel een probleem. Er is onvoldoende besef dat mannen en vrouwen én verschillen in deelnameniveaus door regelverandering elke sport onderling kunnen beoefenen.

Ook sportvormen zijn naar complexiteit (basaal, gemiddeld of hoog) op drie niveaus te ordenen en te kiezen……


Basaal complexiteitsniveau: het ‘al verplaatsend je evenwicht houden’, zoals bij wandelen of fietsen. Een fysieke voorwaarde. Kennis hebben van het te gebruiken materiaal of te benutten omgevingsvoorwaarden (‘harder trappen als je een heuvel opgaat’) is een mentaal-cognitieve voorwaarde. Het is een ‘actie’ van jouw lichaam met het beschikbare materiaal (fietskwaliteit) in een bepaalde omgeving.
Gemiddeld complexiteitsniveau: het naast lichaamsacties reageren op het gedrag van medespeler(s) en/of tegenstander(s). Dit tactisch handelen maakt tennis, badminton of tafeltennis qua coördinatie complexer. Van dezelfde orde is dans of bewegen op muziek. Het instellen op de actie van een partner (en andere dansers in je omgeving) is nodig en het bewegen op maat en ritme van de muziek.
Hoog complexiteitsniveau: doelsporten als floorball (uni- of zaalhockey) en streetbasketball zijn weer complexer dan sportvormen op het vorige niveau. Gedrag van mede- en tegenspelers beïnvloedt het individuele tactisch spelgedrag en dat van het team. Op dit niveau is ook van belang: het inzicht krijgen in hoe je beweeg- en sportvormen al doende leert en ontwikkelt (de leer- of ontwikkelmethode; het leren hoe te leren).
Het is de kunst om een activiteit te kiezen en die eventueel meer op de mogelijkheden af te stemmen. De een kiest dan voor bowling (‘basaal niveau’) en een ander voor ‘klein terrein hockey of floorball’ (‘hoog niveau’). Als een ‘club’ gevormd moet worden zijn wellicht meer keuzes voor wekelijkse activiteiten nodig.


Presteren en ervaren heeft zeker na je 55e de voorkeur. Een meer dan gemiddelde inspanning op z’n tijd (drie tot vijf keer peer week) is aan te bevelen. Richt je op het optimale en niet op het minimale. Dat optimale speelt zich af op drie dimensies….

Dimensie 1. Een activiteit of sportvorm is optimaal effectief als deze op ‘zestig tot zeventig procent van het persoonlijk maximaal coördinatievermogen’ wordt uitgevoerd. Hiervoor is een ‘matig intensieve inzet of inspanning’ nodig op, zo mogelijk, op alle dagen van de week met per activiteit een inzet van een tot drie uur per dag in een variërende inspanning en eventueel voldoende relatieve rustmomenten. Dat zijn: korte pauzes waarin ‘licht’ wordt bewogen. ‘Matig intensief’ betekent voor de 55-plusser 4 tot 5 km per uur wandelen, 15 tot 20 km per uur fietsen, een of twee uur ‘vier tegen vier volleyballen’, afgewisseld met die korte rustmomenten of ‘time outs’. De activiteiten herhalen zich dagelijks, wekelijks en over een langere periode of komen in een bepaalde periode veel voor. Een week gaan skiën bijvoorbeeld.

 Dimensie 2. Dagelijks en wekelijks doe je aan meerdere gevarieerde activiteiten of taken zoals sportvormen. Voor een zeventigjarige bijvoorbeeld: dagelijks dertig kilometer fietsen in een stevig tempo, wekelijks vijftien kilometer nordic walken, een uurtje tafeltennissen, een keer per maand een uurtje zwemmen, in de zomer wekelijks onderling honk-softballen en twee uurtjes kajakken, in de winter een week skiën en – zo mogelijk - dagelijks schaatsen of maandelijks een paar uur op de ijsbaan bezig zijn. Meer veelvormig of allround sporten maakt het sporten nog optimaler.

 Dimensie 3. Bij veel activiteiten of taken is sprake van achtereenvolgens beleven, leren (én leren hoe te leren), ontwikkelen en het elkaar daarbij begeleiden of coachen. Daarmee wordt het sporten veelzijdiger. Een 55-plus club bestaat zo mogelijk uit een mix van mannen en vrouwen, die verschillen in mogelijkheden, interesse en sociale vaardigheden. De groep zorgt zelf voor een (mentaal) veilige, verantwoorde en activerende leefomgeving. Ze regelt, ontwikkelt of verandert alles samen in overleg. Een kartrekker kan dat proces op weg helpen en een beetje (bij)sturen.

 

Binnen een ‘55-plus club’ die autonoom is, dus zelf alles wil regelen en ontwikkelen, is bij voorkeur kennis nodig op het gebied van: ‘eerste hulp bij sportongevallen’ en reanimatie; het verantwoord inspannen; ook bij bepaalde fysieke beperkingen; een activiteit op de mogelijkheden van deelnemers afstemmen door het veranderen of toevoegen van spel- en speelregels (respectievelijk ‘verplicht’ of ‘aanbevolen’); de methode van leren, trainen en ontwikkelen van een sportvorm en maatwerk daarbij én de wijze van het elkaar daarbij begeleiden of coachen. Samen kunnen we daarin ver komen. 

 

‘Anders’ deelnemen!

Activerende (sport)clubomgevingen hebben - samenvattend - het volgende totaalplaatje én  (onderstreepte) kenmerken nodig om het ‘anders deelnemen’ te kunnen realiseren…

’Een 55-plusser wil sporten omdat hij of zij een sportvorm uitdagend en plezierig vindt én sportgericht. Het motiveert mij. Ik wil vooral beleven, maar ook nog optimaal presteren en natuurlijk op maat. Dat wil ik samen doen met sporters van ongeveer dezelfde leeftijd. Het zelf een activiteit regelen en ontwikkelen, maakt het nog leuker. Een kartrekker begeleidt ons. De groep reguleert in principe alles zelf. Sport is voor ons vereenvoudigde wedstrijdsport (kleiner veld, minder spelers, ander materiaal) die we onderling beoefenen. Regels worden op de mogelijkheden van de groep en – zo nodig - op die van individuele spelers afgestemd. Samen een sport beleven door het uitvoeren van een eind(sport)vorm, is het belangrijkste. Naast voldoende beleving gaat het ons om het leren of verbeteren van sportvaardigheden. Ieder op eigen niveau. Het zelf en samen ontwikkelen van een sportvorm op de langere termijn is wenselijk. Dat doe je door elkaar te ‘al vragend’ te begeleiden of coachen, maar alleen als je dat zelf wilt. ‘Matig intensief’ bewegen is optimaal als dat gebeurt met driekwart inspanning van je persoonlijk maximaal coördinatievermogen op fysiek (doelgericht handelen) en mentaal gebied (strategisch handelen). Een brede of allround ontwikkeling van de coördinatie is aan te bevelen.  Voldoende intensief sporten in clubverband is gezond. Het ontspant omdat zowel de sportvorm als de wijze van deelnemen je plezier geeft. Iedereen kan hieraan optimaal deelnemen: mannen en vrouwen, beginners en gevorderden, met goede en matige conditie, gezonde sporters en met fysieke beperkingen (chronische ziekten). De groep zorgt voor een veilige, verantwoorde en activerende (sport)omgeving. Een gemengde groep van 55-plussers vereist een ‘goed omgaan’ met de verschillen van elkaar. Ook hier hangt de kwaliteit van het ‘omgaan met elkaar’ af van de in de club aanwezige beroeps- en sportervaring’.

 

De nieuwe generatie wil ‘anders’, met deze sociale innovatievorm bezig zijn. Verschil tussen het ‘oude’ en het ‘nieuwe of anders’ sporten’ van de nu 55 tot 75 jarigen is dus ……

 

 Het ‘oude’ sporten

 Het 'nieuwe' of het ‘anders’ sporten

Competitief wedstrijdgericht

Officiële wedstrijdsportvorm (‘voetbal is elf tegen elf’)

 

‘Vaste’ en onveranderbare sportregels
Doel: maximaal presteren/inspannen (op elk niveau)

Niveau-homogene groepen

Mannen en vrouwen, beginners en gevorderden sporten apart
Geleide sportontwikkeling door trainer-coach

Recreatief of onderling wedstrijdgericht
Essentie=wedstrijdsportvorm; vorm=afgeleid of verwant (‘voetbal is ook vier tegen vier’)
Regels (flexibel) afstemmen op groep, team individu
Doel: optimaal presteren/inspannen
Niveau-heterogene groepen
Mannen en vrouwen, beginners en gevorderden sporten (ook) samen
Zelf geleide of elkaar begeleidende sportontwikkeling met ondersteuning van kartrekker

 

Het sporten van de hier beschreven 55-plus groep is van een andere orde dan het bewegen-spelen-gebeuren binnen bijvoorbeeld het MBvO (Meer Bewegen voor Ouderen) of het aan één vaste (aan de competitie ontleende) sportvorm deelnemen binnen een sportvereniging. Ook veteranensport in een sportvereniging is voor deze groep kwalitatief onvoldoende en zelfs onveilig. Bij sport- of fitness-scholen ligt de nadruk op training van fysieke aspecten (kracht, uithoudingsvermogen, snelheid, lenigheid, specifieke coördinatie). Dat train je. Maar leer- en ontwikkel liever. 

Inspirerende en ondersteunende literatuur
Aamodt & Wang (2008). Aleman (2012). Baars (2007). Bos (2014). Buskes (2013). Van Bottenburg, (2004). Van Bottenburg & Schuyt (1996). Breedveld, van der Poel, de Jong, Collard (2011). Buytendijk (1964; 1965). Crum (1991). Csikszentmihalyi (2007). Damasio (2003; 2010). Denk, Pasche & Schaller, (2003). Dijksterhuis (2015). Draaisma, (2001; 2008; 2010; 2013). De Greef, Stevens, Bult, Lemmink & Rispens (1997). Goldberg (2007; 2009). De Heer (2000). Van den Heuvel & Van der Poel (1999). De Jong (2009). Kirchner (1998). Kirchner & Schaller (1996). De Lange (2012). Van Lindert (Red.; 2009). Meusel (1999). Mieras (2009). Mulder (2009). Mulierinstituut & TNO (2010). NOC*NSF (1999). Noë (2009). Rijsdorp (1971). Rotmans (2012; 2015). Sitskoorn (2008). Sociaal Cultureel Planbureau (2010a; 2014a/b, 2018). Steenbergen (2004). Tamboer & Steenbergen (2000). Timmers, E. (2010; 2012). Timmers, E. & Mulder, M.J. (2006). Verhaeghe (2015). Withagen (2013). Van der Zee (2012). 

 

Zie voor de volledige titels LITERATUUR