Het optimaal en op maat sporten van de 55-plusser
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

'Anders' sporten (en leven) door 55-plussers - Kernartikel 3
(versie december 2018)  
 

 

Samenvattend. De nieuwe generatie 55-plussersen en met name de nu 55 tot 75 jarigen, wil fysiek én mentaal actief, gezond en zinvol leven. Dat betekent dagelijks gevarieerd en op meerdere gebieden ‘bewegen én sporten’ én veel ‘leren én ontwikkelen’. Zo mogelijk een leven lang, zelfstandig- zelfsturend-zelfverantwoordelijk én elkaar begeleidend in vele naar aard verschillende 55-plus ‘clubs. Het streven is: alleen of samen optimaal, op persoonlijke maat te presteren. De inhoud van activiteiten én de ‘wijze van deelnemen’ zijn hierbij beide van groot belang.   

Deze tekst is op lees- en planniveau 1 en bestemd voor kartrekker, coördinator, leefstijlcoach en/of de 55-plusser.

 


55-plussers willen ‘anders’ sporten!
De groep 55-/65-plussers wordt in de komende jaren steeds groter. Ze leeft namelijk gemiddeld steeds langer en voelt zich ook steeds langer gezond. Dat hoeft geen consequenties voor de sportdeelname te hebben mits het sportaanbod inhoudelijk op deze groep wordt afgestemd en de ‘wijze van deelname’ verandert. Het is nu steeds meer vanzelfsprekend geworden om een leven lang te blijven sporten en bewegen (SCP/Mulier Instituut: Rapportage Sport 2018).
De nieuwe generatie senioren - geboren in de jaren veertig, vijftig en begin zestig- wil ‘anders leven en bewegen’ (SCP, 2006a). Ze ambieert een ACTIEVE LEEFSTIJL, waarin bewegen/sporten en leren/ontwikkelen de dominante factoren zijn. Dit vraagt van deze groep een gelijktijdig en gericht ‘fysiek, sociaal (veilig, sportief) en mentaal (of cognitief) leren en ontwikkelen’.

De 55 tot 75-jarigen beschikken vaak al over de nodige sportervaring en hebben de sportontwikkeling -met name vanaf de jaren zestig- in meer of mindere mate beleefd. Het is de generatie die beter is opgeleid dan de vorige generatie en ook nadrukkelijk meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk wil functioneren. Al ouder wordend ziet ze het grote belang van ‘samenwerkend regelen en ontwikkelen in lokale en relatief kleine ‘clubs’, waaraan iedere 55-plusser moet kunnen deelnemen. Dit ongeacht niveau of mogelijkheden, geslacht, gezond of met fysieke/mentale beperkingen en met de bereidheid elkaar ‘op maat’ te laten deelnemen door sport- en spelregels aan te passen. Sportvorm(en) en de ‘wijze van deelname’ vereisen afstemming. Beleven, leren en ontwikkelen zijn de rode draad.
Een sportvereniging biedt voor dit ‘anders sporten’ geen uitdaging. Ze geeft onvoldoende ruimte aan het optimaal kunnen deelnemen bij: onderling sporten, elkaar begeleiden of coachen, samen alles regelen en ontwikkelen. ‘Sport als doel’ staat voor deze groep centraal. Het plezier van deelname aan een sportvorm heeft prioriteit. Daar hoort een wedstrijdje op maat bij, maar geen competitie.


Ontwikkelend sportend
Kijk op sport en sporten is mede afhankelijk van je levensfase, de ervaring ermee tot nu toe en wat in de lokale sportomgeving zich aan mogelijkheden aandient. Als je jong bent wil je het ‘Nederlands elftal’ halen, als je ouder bent wil je de meeste ballen bij tennis nog kunnen ‘halen’. Sporten omvat activiteiten die leuk of uitdagend zijn om te doen. Samen sporten is plezierig en het doen aan sport kan je gezondheid op peil houden of verbeteren. Het is een activiteit die door de gewenste inspanning tegelijk ook ontspanning geeft. De mate waarin dat gebeurt verschilt per persoon. De een geniet van darten en de ander van een partijtje volleybal. Elke sport geeft een vitaal en competent gevoel als je tenminste bereid bent om een sportinhoud en een ‘wijze van deelnemen’ te kiezen waarmee presteren op ‘eigen niveau’ mogelijk is. Dat is dan optimaal presteren.
De 55-plusser kan er meer uithalen door een sportvorm op ‘eigen niveau’ te kiezen, vaardigheden leren (verbeteren) en een sport op de wat langere termijn te ontwikkelen. Daarvoor is wel een ‘leren hoe te leren’ nodig én kennis over hoe je elkaar daarbij begeleid. Trainen moet je niet meer doen. Fysieke voorwaarden, zoals kracht of lenigheid, komen bij elke sport wel in enige mate en vanzelf aan bod.
Ontspannen, werken, zorgen en ontwikkelen zijn de vier gebieden waarop levenslange inzet wenselijk is. Als kartrekker bij een 55-plus-club kun je gaan badmintonnen (= werk), deelnemers coachen (= zorg) en optimaal ervaren en presteren promoten (= ontspanning) plus ‘leren hoe je jezelf en anderen beter kunt leren badmintonnen (= ontwikkeling).


Sportvormen bestaan uit een combinatie van ‘grondvormen van bewegen’, zoals: gaan, lopen, springen, gooien en vangen, werpen, klimmen, voortbewegen op, in of onder water, ……, en krijgen door ‘(sport)regels’ kenmerkende bedoelingen als vaardigheid (‘slaan bij honkbal’) en/of sportvorm. Dat laatste kan ‘drie tegen drie voetballen, op een klein veldje, met twee kleine doelen zonder keeper zijn’. Maar ook dat is ‘voetbal’. Voetbal kan namelijk -afhankelijk van de doelgroep - verschillende vormen krijgen, maar is in essentie ‘een wedstrijdje tussen twee teams, die een doel verdedigen en op een ander doel aan de andere kant aanvallen. De bal wordt alleen met de voet gespeeld.’ Afwijkend van competitiesport is zowel bij de jeugd als de 55-plusser mogelijk om spelregels op de groep, team of individuele speler af te stemmen. Dit om iedereen voldoende te laten deelnemen.

Sterke sportontwikkeling vanaf de jaren zestig

De nieuwe generatie - geboren in de jaren veertig, vijftig en begin zestig - heeft de sport en het sporten, vanaf de jaren zestig, sterk zien veranderen (SCP, 2006a; 2010b). De mogelijkheden tot sporten zijn sterk toegenomen. Deze generatie is zelf steeds meer gaan sporten en wil dat ook een leven lang volhouden. Maar dan zal de activiteit of inhoud én de ‘wijze van deelnemen’ veranderd moeten worden. Onderling en meer afgestemd op elkaar.
Sport gericht op ‘competitie, maximaal presteren en (internationaal) vaste regels, is na je 35e – en zeker na je 55e – niet meer gewenst. Velen willen echter een leven lang ‘sportgericht’ blijven bewegen, maar dan ‘anders’. Dat betekent: onderling sporten, zelf regelen en leren, regels afstemmen op de groep en het als ‘team of club’ samen willen presteren’. Een ‘club’ staat hier voor 55-plussers van zo’n tien tot twintig deelnemers, zo mogelijk mannen én vrouwen, met vaak een verschillend sport- en conditieniveau.  Doordat de betekenis van de sport veelzijdiger en meer veelvormig is geworden, is sport voor meer doelgroepen haalbaar (Timmers, 2010; 2012). Een 55-plus club, kan binnen of buiten een vereniging, laten sporten en kan verschillende sporten in een week of over een jaar gaan doen. 

 

Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw was sport alleen bedoeld voor jonge, gezonde mannen. Inmiddels krijgen meer doelgroepen een plaats in de sport: vrouwen-meisjes, ouderen en minder validen. De sport is in de loop van de tijd meer veelvormig (meerdere sportvormen), veelzijdig (competitief én recreatief) en gedifferentieerd (per doelgroep verschillend in regels) geworden. Je kunt sport competitief op meerdere niveaus beoefenen. Dan is selectie nodig, Bij het recreatieve of onderling sporten, is er onderling niveauverschil, waardoor regels ook individueel aangepast moeten worden om ‘gelijke strijd’ mogelijk te maken. Sport is in essentie: beleven, leren en ontwikkelen. Trainen om de condities voor het sporten te verbeteren zijn in de recreatiesport onnodig.

 

Veelzijdig of allround-sporten (regelmatig, gevarieerd, optimaal qua niveau en inzet) bevordert de eigen coördinatie. Meerdere keren, zo mogelijk gevarieerd sporten (spel-, duur-, vecht-…) in een week is daarvoor aan te bevelen. ‘Waar veel topsporters’ een allround sportfase laten volgen door een langjarig beperking tot één sportvorm, kunnen breedte- of recreatieve sporters vanaf de jeugd beter kiezen voor een wekelijks en periodiek brede sportontwikkeling kiezen.
Sport beleven, leren en ontwikkelen is ook in de loop van de tijd veranderd. De jeugd op school of beginnende vijfenvijftig plussers leren en ontwikkelen meerdere sportvormen ‘al spelend’. Dat geldt voor elke activiteit. Bijvoorbeeld eerst twee tegen twee voetballen, dan vier tegen vier …..en tenslotte zeven tegen zeven. Leren van rollen (coach, scheidsrechter,…) en leren hoe te leren raakt in de jaren tachtig en negentig met name bij de LO in het VO aanvulling hierop in zwang. Dat draagt bij aan het elkaar coachen en samen leren hoe te leren en dus ontwikkelen. Zie verdere toepassingen bij SPORT ONTWIKKELEN en SPORTVORMEN.


Sportvormen op maat, blijft sporten!

De nieuwe generatie – de  u 55 tot 75-jarigen – geboren in de jaren veertig, vijftig en begin zestig, is met sport opgegroeid en velen hebben er actief aan meegedaan. Ervaringen hiermee zijn vaak positief en de behoefte is er een leven lang mee door te gaan. Als 55-plusser kies je dan ook sportvormen waaraan je eerder hebt deelgenomen, die je nu (nog) aanspreken of uitdagen. Vele keuzes zijn mogelijk. Ze verschillen naar aard van een activiteit (bijvoorbeeld duur- of spelsport) en naar moeilijkheidsgraad en dus ook in de mate van fysieke en mentale coördinatie die je op jouw niveau hiervoor nodig hebt. Spelsporten vragen in het algemeen meer coördinatie dan duursporten en een miksport als bowlen vraagt minder coördinatie dan een doelsport als floorball (een vorm van indoorhockey). Kies een activiteit op maat die aansluit bij je coördinatieniveau. Vraag je ook af in hoeverre deze sportvorm voor jou en de groep te ontwikkelen is. Zowel wat de inhoud als de ‘wijze van deelnemen’ betreft en samen met mijn medesporters. Kortom biedt deelname de mogelijkheid tot optimaal ervaren en presteren? .
Competitiesport heeft vaste organisatievormen en regels en biedt in dus beperkt individueel maatwerk. ‘Sporten op ongeveer gelijk niveau’ van een team is wel mogelijk. Een ouder wordende sporter zal in de loop van de tijd rekening moeten houden met vermindering van fysieke mogelijkheden en toenemende blessuregevoeligheid. ‘Op maat’ sporten is dan steeds meer noodzakelijk. Bestaande sportverenigingen geven daarvoor weinig speel-en ontwikkelingsruimte. Onderling sporten geeft ruimte aan (regel)afspraken – ook bij wedstrijdjes – en ruimte aan het zelf samenwerkend leren en ontwikkelen en is dus gemakkelijker te realiseren.


Sportvormen zijn naar moeilijkheid en aard van de activiteit op zo’n drie niveaus te ordenen. Het hangt van de eigen mogelijkheden en die van de groep af ze er ‘goed’ op aansluiten en of de groep ze in regels en vorm(en) relatief eenvoudig kan aanpassen. Die niveaus zijn ……

Een basaal complexiteitsniveau is: het ‘al verplaatsend je evenwicht houden’, zoals bij wandelen of fietsen. Een fysieke voorwaarde. Kennis hebben van het te gebruiken materiaal of te benutten omgevingsvoorwaarden (‘harder trappen als je een heuvel opgaat’) is een mentaal-cognitieve voorwaarde. Het is een ‘actie’ van jouw lichaam met het beschikbare materiaal (fietskwaliteit) in een bepaalde omgeving.
Een gemiddeld complexiteitsniveau is: het naast lichaamsacties reageren op het gedrag van medespeler(s) en/of tegenstander(s), het zelf meer tactisch handelen, maakt tennis, badminton of tafeltennis wat coördinatie betreft complexer. Van dezelfde orde is dans of bewegen op muziek. Het instellen op de actie van een partner (en andere dansers in je omgeving) is nodig en het bewegen op maat en ritme van de muziek.
Een hoog complexiteitsniveau
is: doelsporten als floorball (uni- of zaalhockey) en streetbasketball zijn weer complexer. Gedrag van mede- en tegenspelers beïnvloedt het individuele tactisch spelgedrag en van het team. Op dit niveau is ook van belang: het inzicht krijgen in hoe je beweeg- en sportvormen al doende leert en ontwikkelt (de leer- of ontwikkelmethode; het leren hoe te leren).

Een activiteit is op maat als deze op de eigen coördinatiemogelijkheden of het gemiddelde van die van deelnemers aansluit. Voor de een is dat bowling (‘basaal niveau’) en voor een ander het spelen van ‘klein terrein voetball’ (‘hoog niveau’). Door van keuzes te veranderen kun je een leven lang sportgericht bezig zijn.

Regels afstemmen om optimaal te sporten!

Binnen de competitieve wedstrijdsport zijn sportvormen ook de eindvormen, zoals: volleybal-zes tegen zes of hockey-elf tegen elf. Verwante sportvormen zijn: volleybal - vier tegen vier of beach-volleyball en hockey - vier tegen vier (in de zaal) of floorball. Een verwante basketbal-sportvorm is streetbasketball, maar deze is nu op weg naar een Olympische nominatie en wordt dus straks een echte (ook competitieve) sportvorm. ‘Verwant-zijn’ houdt hier in: ‘drie tegen drie of vier tegen vier basketballen op een half basketbalspeelveld, met dus een basket en met recht van aanval halen bij de middenlijn’. Indoorsoft- of baseball kan in grotere spelzalen of een deel van een sporthal in zestallen worden gespeeld. Dat gebeurt in een verwante baseballsportvorm met twee slagmensen, vier veldspelers, drie honken en aangepast spelmateriaal. Waterpolo kan ook in de breedte van een zwembad worden gespeeld. Dan kun je het spel lopend of zwemmend ‘nat’ spelen. Ook waterbasketbal - met twee drijvende baskets - is mogelijk. Een combinatie van boksen en judo is een ‘vechtsport’ die op maat van 55-plussers is te maken en ‘al spelend’ is te ontwikkelen. Zie het ‘spelend boksen’ bij SPORT ONTWIKKELEN. Mannen en vrouwen kunnen dat ook samen doen. Bij al deze verwante vormen blijft de essentie van een sportvorm gehandhaafd én dus…. is sprake van sportgerichte beleving. Een overzicht van vele aan de ‘sport’ ontleende sportvormen en sportgebieden is te vinden in hoofdstuk 3 van ‘Sport op Maat (Timmers, 2010). U kunt dat hoofdstuk en eventueel het boek op deze site gratis downloaden.


Bij het recreatieve of onderling sporten zijn regels in overleg vast te stellen. Zo kun je bij volleybal afspreken dat de ene speler de bal mag vangen en daarna bovenhands mag doorspelen en een ander de bal direct ‘boven- of onderhands’ gaat spelen. De essentie van (verwante) sport-eindvormen en de onderling geregelde sportvormen blijft wel hetzelfde. De essentie van ‘volleybal’ is: ‘twee partijen spelen tegen elkaar, waarbij de bal via de handen, al of niet via een medespeler, over een net op de grond bij de tegenpartij terecht komt’. De vorm kan zijn: twee tegen twee, vier tegen vier of zes tegen zes volleyallen. Deze laat het op verschillende manieren spelen van de bal, toe.

Er zijn spel- en speelregels. Spelregels zijn ‘verplicht’: ‘in een dubbelspel tafeltennis mogen beide spelers een volgende bal terugspelen, dat hoeft dus niet om en om te gebeuren’. Speelregels zijn ‘vrijwillig toepasbaar’. ‘We spelen de bal bij tafeltennis zoveel mogelijk om en om terug’. Afstemming op de kwaliteiten van elkaar is aan regels te koppelen: ‘in een fietsclub fietst iedereen dezelfde afstand en met dezelfde snelheid, maar de een doet dat op een mountainbike en de ander op een elektrische fiets’. 

                                                                                                 

Al samenwerkend beleven, leren én ontwikkelen!
Een actieve, ondernemende leefstijl maakt mensen gelukkig(er) (Dijksterhuis, 2015; Timmers, 2010; 2012). De pijlers voor zo’n leefstijl zijn: ‘bewegen-sporten-actie ondernemen’ én ‘leren-ontwikkelen inclusief leren hoe te leren of hoe je anderen iets kunt leren’. Samen – in ‘clubs’-  presteren en ervaren motiveert mits iedereen daarin naar  eigen mogelijkheden kan participeren. Elkaar begeleiden of coachen verhoogt die motivatie. Dijksterhuis geeft als advies: “laat ideële doelen de materialistische overheersen; investeer in jezelf; in de relaties met anderen; ontwikkel jezelf; wees actief en ondernemend in vele omgevingen en in het inspireren van anderen; wees betrokken en zorg voor verbondenheid; zorg voor balans in je tijdbesteding en – beleving: besteed aan alles wat je belangrijk vindt voldoende tijd; zorg voor optimale ervaringen door ‘flow’, doe iets waar je volledig in opgaat en kies voor ‘actieve en serieuze tijdbesteding’(p.132). “Mensen die gelukkig zijn hebben meestal een gezond en stimulerend sociaal netwerk, ze ondernemen dingen die veel voldoening geven en ze ervaren gemoedsrust. Ze doen wat ze het liefst willen doen, ze ontplooien hun talenten, ze volgen hun hart”(p.134). De behoefte om jezelf te ontwikkelen ontstaat uit het willen inspireren van anderen door begeleiden, coachen, lesgeven of trainen én willen presteren (uitdagingen aangaan, competent zijn) en/of willen verbinden (sociaal gericht zijn). Een 55-plus sportclub (maar elk andere is ook goed)  is dan ook een ideale plek voor het zoeken naar en het vinden van ‘geluk’. Een actieve leefstijl  geeft je gevoel van vitaliteit, competentie én sociale ervaring. Samen sportief presteren is een ‘totaal’ ervaring en dat speelt op drie niveaus van clubdeelname…..

Basaal clubdeelnameniveau
. Ik wil lid worden van een 55-plus ‘sportclub’… Deze bestaat uit zo’n tien sporters (mannen en vrouwen) die wekelijks een zaal huren om te gaan volleyballen. Een deel heeft vroeger gevolleybald en een deel niet. Een oud-volleyballer fungeert als kartrekker… Je neemt deel aan deze ‘club’ omdat op de eerste plaats de activiteit en de deelnemers je aanstaan. De activiteit of inhoud is aantrekkelijk, uitdagend of gewoon plezierig. Volleybal heeft als sport een bepaalde moeilijkheidsgraad qua coördinatie en het hangt van de deelnemers af hoe gedifferentieerd/ onderscheidend naar niveau het sportspel qua spel(regels) kan worden gespeeld en ontwikkeld. Iedereen moet op zijn of haar niveau aan een activiteit kunnen deelnemen. Dat betekent op maat en optimaal. Vandaar dat we onderling vier tegen vier spelen en de eerste tijd verschillen in het (be)spelen van de bal van elkaar accepteren.


Gemiddeld clubdeelnameniveau
. Nu gaat de ‘wijze van deelnemen’ - van mij en mijn club- of teamgenoten - belangrijker worden. Ontwikkelen speelt een meer centrale rol Je probeert zelf, maar mogelijk ook al anderen te ’coachen’. Beleven, leren en ontwikkelen zijn nu min of meer achtereenvolgens van belang. Ervaar eerst hoe iets gaat of (aan)voelt en daarna wil je iets verbeteren, leren of ontwikkelen.  Dan ook los je alleen of samen steeds meer beweeg- en ontwikkelproblemen op / of leer je steeds meer technische en tactische volleybalvaardigheden. 

Hoog clubdeelnameniveau.
Het elkaar helpen, begeleiden of coachen wordt ingepast en al doende verder ontwikkeld door de ‘wijze van sporten’ als sporter, team en ‘club’/groep in onderbrekingen of na afloop bespreekbaar te maken. Het gaat hier vooral om het leren en ontwikkelen van een activiteit op de langere termijn. Je verbetert of leert een volleybalvaardigheid (een smash) en je verbetert of ontwikkelt het spel (technisch en tactisch) in fasen.

 

Optimaal presteren én ervaren, maakt het sporten leuker!

Presteren doe je op verschillende niveaus afhankelijk van je fysieke, cognitieve/mentale of sociale mogelijkheden. Die niveaus zijn: (1) hoog of maximaal met negentig tot honderd procent inzet; (2) meer dan gemiddeld of optimaal met zestig tot zeventig procent inzet; (3) gemiddeld met  veertig tot vijftig procent inzet en 4 laag, minder dan veertig procent inzet.
Bij elke activiteit, inhoud of taak speelt het fysieke, mentale en sociale een rol. De keuze van opeenvolgende activiteiten – de methode van het leren en ontwikkelen – zoals om een ‘allround sporter te worden’ zorgt dat je de eigen (fysieke, mentale en sociale) mogelijkheden ontwikkelt. Er zijn zeventigjarigen die nog bergen beklimmen of motorrijden. Gelukkig verschillen ook sportvormen in moeilijkheidsgraad qua fysieke (de wijze van bewegen) en/of mentale coördinatie (strategisch en de mate van effectief en efficiënt handelen). En biedt de sport tegenwoordig voldoende mogelijkheden tot maatwerk. Het lokaal vormen van voldoende grootte groepen is nog wel een probleem. Er is nog onvoldoende besef dat mannen en vrouwen én verschillen in deelnameniveaus door regelverandering elke sport onderling kunnen beoefenen.

Ook sportvormen zijn naar complexiteit (basaal, gemiddeld of hoog) op drie niveaus te ordenen en te kiezen……


Basaal complexiteitsniveau: het ‘al verplaatsend je evenwicht houden’, zoals bij wandelen of fietsen. Een fysieke voorwaarde. Kennis hebben van het te gebruiken materiaal of te benutten omgevingsvoorwaarden (‘harder trappen als je een heuvel opgaat’) is een mentaal-cognitieve voorwaarde. Het is een ‘actie’ van jouw lichaam met het beschikbare materiaal (fietskwaliteit) in een bepaalde omgeving.
Gemiddeld complexiteitsniveau: het naast lichaamsacties reageren op het gedrag van medespeler(s) en/of tegenstander(s). Dit tactisch handelen maakt tennis, badminton of tafeltennis qua coördinatie complexer. Van dezelfde orde is dans of bewegen op muziek. Het instellen op de actie van een partner (en andere dansers in je omgeving) is nodig en het bewegen op maat en ritme van de muziek.
Hoog complexiteitsniveau: doelsporten als floorball (uni- of zaalhockey) en streetbasketball zijn weer complexer dan sportvormen op het vorige niveau. Gedrag van mede- en tegenspelers beïnvloedt het individuele tactisch spelgedrag en dat van het team. Op dit niveau is ook van belang: het inzicht krijgen in hoe je beweeg- en sportvormen al doende leert en ontwikkelt (de leer- of ontwikkelmethode; het leren hoe te leren).
Het is de kunst om een activiteit te kiezen en die eventueel meer op de mogelijkheden af te stemmen. De een kiest dan voor bowling (‘basaal niveau’) en een ander voor ‘klein terrein hockey of floorball’ (‘hoog niveau’). Als een ‘club’ gevormd moet worden zijn wellicht meer keuzes voor wekelijkse activiteiten nodig.


Presteren en ervaren heeft zeker na je 55e de voorkeur. Een meer dan gemiddelde inspanning op z’n tijd (drie tot vijf keer peer week) is aan te bevelen. Richt op het optimale en niet op het minimale. Dat optimale heeft drie dimensies….

Dimensie 1. Een activiteit of sportvorm is optimaal effectief als deze op ‘zestig tot zeventig procent van het persoonlijk maximaal coördinatievermogen’ wordt uitgevoerd. Hiervoor is een ‘matig intensieve inzet of inspanning’ nodig op, zo mogelijk, op alle dagen van de week met per activiteit een inzet van een tot drie uur per dag in een variërende inspanning en eventueel voldoende relatieve rustmomenten. Dat zijn: korte pauzes waarin ‘licht’ wordt bewogen. ‘Matig intensief’ betekent voor de 55-plusser 4 tot 5 km per uur wandelen, 15 tot 20 km per uur fietsen, een of twee uur ‘vier tegen vier volleyballen’, afgewisseld met die korte rustmomenten of ‘time outs’. De activiteiten herhalen zich dagelijks, wekelijks en over een langere periode of komen in een bepaalde periode veel voor. Een week gaan skiën bijvoorbeeld.

 

Dimensie 2. Dagelijks en wekelijks doe je aan meerdere gevarieerde activiteiten of taken zoals sportvormen. Voor een zeventigjarige bijvoorbeeld: dagelijks dertig kilometer fietsen in een stevig tempo, wekelijks vijftien kilometer nordic walken, een uurtje tafeltennissen, een keer per maand een uurtje zwemmen, in de zomer wekelijks onderling honk-softballen en twee uurtjes kajakken, in de winter een week skiën en – zo mogelijk - dagelijks schaatsen of maandelijks een paar uur op de ijsbaan bezig zijn. Meer veelvormig of allround sporten maakt het sporten nog optimaler.

 

Dimensie 3. Bij veel activiteiten of taken is sprake van achtereenvolgens beleven, leren (én leren hoe te leren), ontwikkelen en het elkaar daarbij begeleiden of coachen. Daarmee wordt het sporten veelzijdiger. Een 55-plus club bestaat zo mogelijk uit een mix van mannen en vrouwen, die verschillen in mogelijkheden, interesse en sociale vaardigheden. De groep zorgt zelf voor een (mentaal) veilige, verantwoorde en activerende leefomgeving. Ze regelt, ontwikkelt of verandert alles samen in overleg. Een kartrekker kan dat proces op weg helpen en een beetje (bij)sturen.

 

Bij leren en ontwikkelen kan ook het ‘leren hoe te trainen’ een rol spelen. Maar trainen, opgevat als het conditioneel op niveau komen of blijven is voor de competitieve wedstrijdsport noodzakelijk, maar zeker niet voor de 55-plusser. Kracht, uithoudingsvermogen, snelheid, lenigheid en coördinatie spelen bij elke sportvorm in enige mate een rol. Dus….is het beoefenen van een sportvorm tegelijk ook ‘trainen’. Coördinatie is voor de 55-plusser wel een kernvoorwaarde die door de juiste keuze van een sportvorm op maat en al doende kan worden ontwikkeld.
Binnen een 55-plus club is bij voorkeur ontwikkelkennis nodig op het gebied van: ‘eerste hulp bij sportongevallen’ en reanimatie; het verantwoord inspannen; ook bij bepaalde fysieke beperkingen; een activiteit op de mogelijkheden van deelnemers afstemmen door het veranderen of toevoegen van spel- en speelregels (respectievelijk ‘verplicht’ of ‘aanbevolen’); de methode van leren, trainen en ontwikkelen van een sportvorm en maatwerk daarbij én de wijze van het elkaar daarbij begeleiden of coachen. Samen kunnen we daarin ver komen. 

 

‘Anders’ deelnemen!

Activerende (sport)clubomgevingen hebben - samenvattend - het volgende totaalplaatje én  (onderstreepte) kenmerken …


’Een 55-plusser wil sporten omdat hij of zij een sportvorm uitdagend en plezierig vindt én sportgericht. Het motiveert mij. Ik wil vooral beleven, maar ook nog optimaal presteren en natuurlijk op maat. Dat wil ik samen doen met sporters van ongeveer dezelfde leeftijd. Het zelf een activiteit regelen en ontwikkelen, maakt het nog leuker. Een kartrekker begeleidt ons. De groep reguleert in principe alles zelf. Sport is voor ons vereenvoudigde wedstrijdsport (kleiner veld, minder spelers, ander materiaal) die we onderling beoefenen. Regels worden op de mogelijkheden van de groep en – zo nodig - op die van individuele spelers afgestemd. Samen een sport beleven door het uitvoeren van een eind(sport)vorm, is het belangrijkste. Naast voldoende beleving gaat het ons om het leren of verbeteren van sportvaardigheden. Ieder op eigen niveau. Het zelf en samen ontwikkelen van een sportvorm op de langere termijn is wenselijk. Dat doe je door elkaar te ‘al vragend’ te begeleiden of coachen, maar alleen als je dat zelf wilt. ‘Matig intensief’ bewegen is optimaal als dat gebeurt met driekwart inspanning van je persoonlijk maximaal coördinatievermogen op fysiek (doelgericht handelen) en mentaal gebied (strategisch handelen). Een brede of allround ontwikkeling van de coördinatie is aan te bevelen.  Voldoende intensief sporten in clubverband is gezond. Het ontspant omdat zowel de sportvorm als de wijze van deelnemen je plezier geeft. Iedereen kan hieraan optimaal deelnemen: mannen en vrouwen, beginners en gevorderden, met goede en matige conditie, gezonde sporters en met fysieke beperkingen (chronische ziekten). De groep zorgt voor een veilige, verantwoorde en activerende (sport)omgeving. Een gemengde groep van 55-plussers vereist een ‘goed omgaan’ met de verschillen van elkaar. Ook hier hangt de kwaliteit van het ‘omgaan met elkaar’ af van de in de club aanwezige beroeps- en sportervaring’.

 

Dat maakt dat de nieuwe generatie hier ‘anders’, met een sociale innovatie bezig is. Verschil tussen het ‘oude’ en het ‘nieuwe’ sporten’ van de nu 55 tot 75 jarigen is samenvattend ……

 

 Het ‘oude’ sporten

 Het 'nieuwe' of het ‘anders’ sporten

Competitief wedstrijdgericht

Officiële wedstrijdsportvorm (‘voetbal is elf tegen elf’)

 

‘Vaste’ en onveranderbare sportregels
Doel: maximaal presteren/inspannen (op elk niveau)

Niveau-homogene groepen

Mannen en vrouwen, beginners en gevorderden sporten apart
Geleide sportontwikkeling door trainer-coach

Recreatief of onderling wedstrijdgericht
Essentie=wedstrijdsportvorm; vorm=afgeleid of verwant (‘voetbal is ook vier tegen vier’)
Regels (flexibel) afstemmen op groep, team individu
Doel: optimaal presteren/inspannen
Niveau-heterogene groepen
Mannen en vrouwen, beginners en gevorderden sporten (ook) samen
Zelf geleide of elkaar begeleidende sportontwikkeling met ondersteuning van kartrekker

 

De sportstructuur voor de 55-plusser moet veranderen. Het sporten van deze groep is van een andere orde dan het bewegen-spelen-gebeuren binnen bijvoorbeeld het MBvO (Meer Bewegen voor Ouderen) of het aan één vaste (aan de competitie ontleende) sportvorm doen binnen een sportvereniging. Ook de veteranensport in een sportvereniging is kwalitatief onvoldoende en zelfs onveilig. Sporten op meerdere niveaus binnen een groep of team is niet gebruikelijk en toch gaan fysieke mogelijkheden steeds verder uiteen lopen. Bij sportscholen en fitness ligt de nadruk op training van fysieke aspecten (kracht, uithoudingsvermogen, snelheid, lenigheid, specifieke coördinatie). Sport is hier ‘middel’.  

Inspirerende en ondersteunende literatuur
Aamodt & Wang (2008). Aleman (2012). Baars (2007). Bos (2014). Buskes (2013). Van Bottenburg, (2004). Van Bottenburg & Schuyt (1996). Breedveld, van der Poel, de Jong, Collard (2011). Buytendijk (1964; 1965). Crum (1991). Csikszentmihalyi (2007). Damasio (2003; 2010). Denk, Pasche & Schaller, (2003). Dijksterhuis (2015). Draaisma, (2001; 2008; 2010; 2013). De Greef, Stevens, Bult, Lemmink & Rispens (1997). Goldberg (2007; 2009). De Heer (2000). Van den Heuvel & Van der Poel (1999). De Jong (2009). Kirchner (1998). Kirchner & Schaller (1996). De Lange (2012). Van Lindert (Red.; 2009). Meusel (1999). Mieras (2009). Mulder (2009). Mulierinstituut & TNO (2010). NOC*NSF (1999). Noë (2009). Rijsdorp (1971). Rotmans (2012; 2015). Sitskoorn (2008). Sociaal Cultureel Planbureau (2010a; 2014a/b, 2018). Steenbergen (2004). Tamboer & Steenbergen (2000). Timmers, E. (2010; 2012). Timmers, E. & Mulder, M.J. (2006). Verhaeghe (2015). Withagen (2013). Van der Zee (2012). 

 

Zie voor de volledige titels LITERATUUR