Het optimaal en op maat sporten van de 55-plusser
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

'Anders' sporten (en leven) door de 55-plusser - Kernartikel 3! (versie augustus 2018) 

 

Samenvattend. De nieuwe generatie 55-plussersen en met name de nu 55 tot 75 jarigen, wil fysiek én mentaal actief, gezond en zinvol leven. Dat betekent dagelijks gevarieerd en op meerdere gebieden ‘bewegen én sporten’ én veel ‘leren én ontwikkelen’. Zo mogelijk een leven lang, zelfstandig- zelfsturend-zelfverantwoordelijk én elkaar begeleidend in vele naar aard verschillende 55-plus ‘clubs. Het streven is vooral optimaal te presteren op persoonlijke maat. De aard of inhoud van activiteiten én de ‘wijze van deelnemen’ daaraan zijn beide van groot belang.   

Deze tekst is op lees- en planniveau 1 en bestemd voor kartrekker, coördinator, leefstijlcoach en/of de 55-plusser.


Bewegen & sporten én Leren & ontwikkelen
Je kijk op sport en sporten is mede afhankelijk van je levensfase. Sport omvat activiteiten die plezier geven of noodzakelijk zijn voor je gezondheid of verbeteren van je coördinatie. Ondanks de te leveren inspanningen geeft sport ontspanning. Voor de 55-plusser zijn sportvormen zinvol ervaren keuzes die sociale ervaringen geven en als gezond worden beleefd. Ze geven je een vitaal gevoel. Maar ….hoe goed en verantwoord ga je ermee om en in hoeverre dragen ze bij aan het op niveau houden of ontwikkelen van je fysieke, mentale en sociale mogelijkheden. Sport is een deel van de activiteiten, waarvan je kunt genieten of die je doen ontspannen. Naast werk, zorg, ontwikkelen is genieten in elke levensfase van belang. De aard en omvang van elk aspect en samen verschillen per levensfase. Ze komen ook in combinatie voor. Als kartrekker kun je bij een 55-plus-club gaan badmintonnen (werk), begeleiden of coachen (zorg) en sport ervaren als een vorm van ontspanning door optimaal te ervaren en presteren (genieten) en ‘leren hoe je jezelf en anderen kunt leren beter te badmintonnen (ontwikkeling).

Sportvormen bestaan meestal uit een combinatie van ‘grondvormen van bewegen’, zoals: gaan, lopen, springen, gooien en vangen, werpen, klimmen, voortbewegen op, in of onder water, ……, en krijgen door ‘regels’ een bepaalde specifieke samenhang c.q. kenmerkende bedoeling. Dat laatste is de essentie van een sportvorm. Dat maakt dat ook drie tegen drie voetballen, op een klein veldje, met twee kleine doelen zonder keeper, net zo ‘voetbal’ is als in de competitiesport. Voetbal, als voorbeeld van een sportvorm, kan dus, afhankelijk van de doelgroep een andere vorm en inhoud (qua spelregels en vaardigheden) krijgen, maar blijft in essentie ‘voetbal’. Het vetgedrukte is een kernopvatting van wat sport voor de jeugd (in de ‘lichamelijke opvoeding op school’ en voor de ‘55-plusser’ zou moeten betekenen.


Sportontwikkeling vanaf de jaren zestig

De nieuwe generatie - geboren in de jaren veertig, vijftig en begin zestig - heeft de sport en het sporten, vanaf de jaren zestig, sterk zien veranderen (SCP, 2006a; 2010b). De mogelijkheden tot sporten zijn sterk toegenomen. Deze generatie is zelf steeds meer gaan sporten en wil dat ook een leven lang volhouden. Maar dan zal de activiteit én de ‘wijze van deelnemen’ veranderd moeten worden. Onderling meer afgestemd op elkaar moeten plaatsvinden. Sportgericht opvatten als op ‘competitie, maximaal presteren en internationaal vaste regels’ is na je 35e – en zeker na je 55e – niet meer gewenst. Velen willen en leven lang ‘sportgericht’ blijven bewegen, maar dan wel ‘anders’: meer onderling, zelf regelen, sportregels afstemmen op de groep en meer nadruk op het ook als ‘team of club’ optimaal willen presteren’. ‘Club’ staat hier voor de groep 55-plussers. In doorsnee zijn dat: tien tot twintig deelnemers, eventueel mannen én vrouwen, met een verschillend sport- en conditieniveau en meer en minder gezond. Competitiesport is voor hen op een bepaald moment geen uitdaging meer, maar regelmatig een wedstrijdje spelen om optimaal te blijven sporten, wél.
Tot in de jaren zestig van de vorige eeuw was sport alleen bedoeld voor jonge, gezonde mannen. Inmiddels hebben meer doelgroepen een plaats in de sport gekregen: vrouwen-meisjes, ouderen en minder validen. De sport is in de loop van de tijd meer veelvormig, veelzijdig (competitief en recreatief) en gedifferentieerd (per doelgroep verschillend) geworden. Sport kun je alleen of in een team beoefenen, competitief volgens vaste regels of recreatief met onderling afgesproken regels. Je kunt sport maximaal of optimaal en op meerdere niveaus beoefenen. Met maar ook zonder selectie. Sport is in essentie: beleven, leren én ontwikkelen (of trainen). Doordat de betekenis van de sport veelzijdiger en meer veelvormig is geworden, is het sporten ook voor meer doelgroepen haalbaar (Timmers, 2010; 2012). Een 55-plus club biedt mogelijkheden om samen verschillende sporten tegelijk te gaan doen of achtereenvolgens. Allround-sporten bevordert nog meer de optimale coördinatieontwikkeling. ‘Waar veel topsporters’ zich baseren op een allround sportfase gevolgd door een zich langjarig beperken tot één sportvorm, kunnen breedte- of recreatieve sporters direct voor een allround of ‘totale en brede ontwikkeling’ kiezen.
Sport beleven, leren en ontwikkelen is ook in de loop van de tijd veranderd. De jeugd op school of beginnende vijfenvijftig plussers in een sport leren en ontwikkelen nu al spelend door bijvoorbeeld eerst twee tegen twee te gaan voetballen, dan vier tegen vier …..en tenslotte zeven tegen zeven. In elke ontwikkelingsfase wordt al spelend en in afwisseling ‘vier tegen vier’ (als sport-eindvorm) gespeeld gevolgd door basisspelvormen bestaande uit technische of tactische vaardigheden en met thema’s als: ‘individueel scoren’ of ‘samenspelend passeren en scoren’. Zie de verdere toepassingen bij SPORT ONTWIKKELEN en SPORTVORMEN.


Sportvormen kiezen op maat!

Als 55-plusser kies je sportvormen omdat deze eerder zijn ervaren, je aanspreken, uitdagen of relatief ‘nieuw’ zijn. Deze verschillen naar aard van een activiteit (bijvoorbeeld duur- of spelsport) en naar moeilijkheidsgraad of niveau en dus ook in de mate van fysieke en mentale coördinatie. Zo is voor spelsporten is in het algemeen meer coördinatie nodig dan voor duursporten en vereist een miksport als bowlen minder coördinatie dan een doelsport als floorball of zaalhockey. Bij de keuze van een activiteit is een keuze op maat aan te bevelen. Hoe geschikt is deze sportvorm voor mij? In welke mate kan ik deze zelf ontwikkelen? Kan ik de inhoud of de wijze van deelnemen – in overleg met medesporters – veranderen om zelf meer optimaal te kunnen ervaren en presteren? .
Competitiesport kent vaste organisatievormen en regels en biedt in dat opzicht beperkt individueel maatwerk, maar maakt wel op teamniveau ‘sporten op niveau’ mogelijk. De ouder wordende sporter zal in de loop van de tijd rekening moeten houden met vermindering van fysieke mogelijkheden en toenemende blessuregevoeligheid. Het ‘op maat’ sporten wordt dan steeds meer noodzakelijk. De  meeste bestaande sportverenigingen geven daarvoor onvoldoende ruimte. Bij recreatieve sport is maatwerk door onderlinge (regel)afspraken – ook bij wedstrijdjes - gemakkelijker te realiseren.


Sportvormen zijn naar
moeilijkheidsgraad - en naar de aard van de activiteit - globaal op drie niveaus te ordenen. Het hangt van je kunnen af of deze daar wel of minder ‘goed’ op aansluiten en naar de ruimte tot aanpassen binnen een groep……

Een basaal complexiteitsniveau is: het ‘al verplaatsend je evenwicht houden’, zoals bij wandelen of fietsen. Een fysieke voorwaarde. Kennis hebben van het te gebruiken materiaal of te benutten omgevingsvoorwaarden (‘harder trappen als je een heuvel opgaat’) is een mentaal-cognitieve voorwaarde. Het is een ‘actie’ van jouw lichaam met het beschikbare materiaal (fietskwaliteit) in een bepaalde omgeving.
Een gemiddeld complexiteitsniveau is: het naast lichaamsacties reageren op het gedrag van medespeler(s) en/of tegenstander(s), het zelf meer tactisch handelen, maakt tennis, badminton of tafeltennis wat coördinatie betreft complexer. Van dezelfde orde is dans of bewegen op muziek. Het instellen op de actie van een partner (en andere dansers in je omgeving) is nodig en het bewegen op maat en ritme van de muziek.
Een hoog complexiteitsniveau is: doelsporten als floorball (uni- of zaalhockey) en streetbasketball zijn weer complexer. Gedrag van mede- en tegenspelers beïnvloedt het individuele tactisch spelgedrag en van het team. Op dit niveau is ook van belang: het inzicht krijgen in hoe je beweeg- en sportvormen al doende leert en ontwikkelt (de leer- of ontwikkelmethode; het leren hoe te leren).

Een activiteit is plezierig als deze op je coördinatiemogelijkheden aansluit. Voor de een is dat bowling (‘basaal niveau’) en voor een ander het spelen van ‘klein terrein hockey of floorball’ (‘hoog niveau’). Maar hoe dan ook kun je een leven lang sportgericht bewegen of spelen.

Sporten op maat is afstemmen van regels!

Binnen de competitieve wedstrijdsport zijn sportvormen ook eindvormen zoals: volleybal-zes tegen zes of hockey-elf tegen elf. Verwante (sport)eindvormen zijn: volleybal - vier tegen vier of beach-volleyball en hockey - vier tegen vier (in de zaal) of floorball. Een verwante basketbal-sportvorm is streetbasketball. Die houdt het volgende in: ‘drie tegen drie of vier tegen vier’ op een half speelveld, met basket en met ‘recht van aanval halen’. Indoorsoft- of baseball kan in grotere spelzalen of een deel van een sporthal in zestallen worden gespeeld. Met twee slagmensen, vier veldspelers, drie honken en met aangepast spelmateriaal heb je een baseball sportvorm. Waterpolo kan  in de breedte van het zwembad worden gespeeld. Dan kun je het spel lopend door of zwemmend in het water spelen. Ook waterbasketbal - met twee drijvende baskets - is mogelijk. Een combinatie van boksen en judo is een ‘vechtsport’ die op maat van 55-plussers is te maken en zo als ‘spel’ is te ontwikkelen.
Zie daarvoor het ‘spelend boksen’ bij SPORT ONTWIKKELEN. Mannen en vrouwen kunnen dat ook samen beoefenen.
Bij verwante vormen blijft de essentie van één of meerdere sportvormen gehandhaafd én is dus sprake van een sportgerichte beleving. Een overzicht van vele aan de ‘sport’ ontleende sportvormen en sportgebieden is te vinden in hoofdstuk 3 van ‘Sport op Maat (Timmers, 2010).


Binnen het recreatieve, onderling sporten kunnen regels in overleg op de mogelijkheden van de groep, het team of de individuele sporter worden afgestemd. Je kun bij volleybal afspreken dat de ene speler de bal mag vangen en daarna bovenhands doorspelen en een ander de bal direct ‘boven- of onderhands’ speelt. De essentie van (verwante) sport-eindvormen en onderling geregelde sportvormen blijft wel hetzelfde. Zo is de essentie van ‘volleybal’: ‘twee partijen spelen tegen elkaar, waarbij de bal via de handen, al of niet via een medespeler, over een net op de grond bij de tegenpartij terecht komt’. De vorm of inhoud kan dus: een spel twee van tegen twee, vier tegen vier of zes tegen zes, zijn. En hiervoor zagen we dat de ‘wijze van spelen’ onderling kan verschillen. Naast sport-eindvormen hebben basisvormen een bepaald thematisch, technisch en/of tactisch accent. Zo speel je …‘vier tegen vier voetbal met twee keer twee kleine doelen op de achterlijn  en twintig passen uit elkaar geplaatst om ‘tactisch’ het zoeken van ‘de ruimte om te kunnen scoren’ te accentueren’. 
Regels liggen vast of zijn zelf (deels) te kiezen en zijn van toepassing op spel- en speelregels. Spelregels zijn ‘verplicht’ zoals: ‘in een dubbelspel tafeltennis mogen beide spelers een volgende bal terugspelen, dat hoeft dus niet om en om te gebeuren’. Speelregels zijn ‘vrijwillig’: ‘we spelen de bal bij tafeltennis zoveel mogelijk om en om terug’. Afstemming op de kwaliteiten van sporters is bij elke sportvorm te creëren: ‘in een fietsclub fietst iedereen dezelfde afstand en met dezelfde snelheid, maar de een doet dat op een mountainbike en de ander op een elektrische fiets’.

                                                                                                 

Al samenwerkend het sporten beleven, leren én ontwikkelen!
Een actieve, ondernemende leefstijl maakt mensen gelukkig(er) (Dijksterhuis, 2015; Timmers, 2010; 2012). De pijlers voor zo’n leefstijl zijn: ‘ondernemen, bewegen en sporten’ én ‘leren en ontwikkelen (leren hoe te leren of hoe je anderen iets kunt leren)‘. Samen presteren en ervaren geeft plezier en motiveert mits iedereen daarin naar  eigen mogelijkheden kan participeren. Elkaar begeleiden of coachen stimuleert dat leren. Dijksterhuis adviseert mensen het volgende: “laat ideële doelen de materialistische overheersen; investeer in jezelf; in de relaties met anderen; ontwikkel jezelf; wees actief en ondernemend in vele omgevingen en in het inspireren van anderen; wees betrokken en zorg voor verbondenheid; zorg voor balans in je tijdbesteding en – beleving: besteed aan alles wat je belangrijk vindt voldoende tijd; zorg voor optimale ervaringen door ‘flow’, doe iets waar je volledig in opgaat en kies voor ‘actieve en serieuze tijdbesteding’(p.132). “Mensen die gelukkig zijn hebben meestal een gezond en stimulerend sociaal netwerk, ze ondernemen dingen die veel voldoening geven en ze ervaren gemoedsrust. Ze doen wat ze het liefst willen doen, ze ontplooien hun talenten, ze volgen hun hart”(p.134). De behoefte om jezelf te ontwikkelen (voor zelfontplooiing) ontstaat uit het invloed willen uitoefenen op anderen (macht hebben: lesgeven, trainen en/of coachen), willen presteren (uitdagingen aangaan, competent zijn) en/of willen verbinden (sociaal gericht zijn). Een 55-plus sportclub is dan ook een ideale plek voor het zoeken naar en het vinden van ‘geluk’. Een actieve leefstijl  geeft ons een gevoel van vitaliteit, competentie én sociale ervaring. Het samen sportief presteren is een ‘totaal’ van fysiek (bewegen-sporten), psychisch (leren-ontwikkelen) en sociaal (samenwerken) welbevinden op drie mogelijke clubdeelnameniveaus…

Clubdeelnameniveau 1
. Ik wil lid worden van een 55-plus ‘sportclub’… Deze bestaat uit een tiental sporters (mannen en vrouwen) die wekelijks een zaal huren om te gaan volleyballen. Een deel had vroeger gevolleybald en een deel niet. Een oud-volleyballer fungeert als kartrekker… Je neemt deel aan deze ‘club’ omdat op de eerste plaats de activiteit en de deelnemers je aanstaan. De activiteit of inhoud is aantrekkelijk, uitdagend of gewoon plezierig. Volleybal heeft als sport een bepaalde moeilijkheidsgraad qua coördinatie en het hangt van de deelnemers af hoe gedifferentieerd/ onderscheidend naar niveau het sportspel qua spel(regels) kan worden gespeeld en ontwikkeld. Iedereen moet op zijn of haar niveau aan een activiteit kunnen deelnemen. Dat betekent op maat en optimaal. Vandaar dat we onderling vier tegen vier spelen en de eerste tijd verschillen in het (be)spelen van de bal van elkaar accepteren.

Clubdeelnameniveau 2. Nu gaat de ‘wijze van deelnemen’ - van mij en mijn club- of teamgenoten - belangrijker worden. Je probeert zelf, maar mogelijk ook al anderen te ’coachen’. Beleven, leren en ontwikkelen zijn nu min of meer achtereenvolgens van belang. Ervaar eerst hoe iets gaat of (aan)voelt en daarna wil je iets verbeteren, leren of ontwikkelen.  Dan ook los je alleen of samen steeds meer beweeg- en ontwikkelproblemen op / of leer je steeds meer technische en tactische volleybalvaardigheden. 
Clubdeelnameniveau 3. Het elkaar helpen, begeleiden of coachen wordt ingepast en al doende verder ontwikkeld door de ‘wijze van sporten’ als sporter, team en ‘club’/groep in onderbrekingen of na afloop bespreekbaar te maken. Het gaat hier vooral om het leren en ontwikkelen van een activiteit op de langere termijn. Je verbetert of leert een volleybalvaardigheid (een smash) en je verbetert of ontwikkelt het spel (technisch en tactisch) in fasen.

 

Streven maar optimaal presteren én ervaren!

Presteren doe je op verschillende niveaus afhankelijk van je fysieke, cognitieve/mentale of sociale mogelijkheden. Die niveaus zijn: (1) hoog of maximaal met negentig tot honderd procent inzet; (2) meer dan gemiddeld of optimaal met zestig tot zeventig procent inzet; (3) gemiddeld met  veertig tot vijftig procent inzet en 4 laag, minder dan veertig procent inzet.
Bij elke activiteit, inhoud of taak speelt het fysieke, mentale en sociale samen een rol. De keuze van opeenvolgende activiteiten - de methode van het leren en ontwikkelen en activiteiten – zoals bij het ‘allround sporter willen zijn’ of een sportvorm, zorgt dat je de eigen (fysieke, mentale en sociale) mogelijkheden ontwikkelt. Er zijn zeventigjarigen die nog bergen beklimmen of motorrijden. Gelukkig verschillen ook sporten in moeilijkheidsgraad qua fysieke (de wijze van bewegen) en/of mentale coördinatie (strategisch en de mate van effectief en efficiënt handelen). En bieden altijd mogelijkheden tot maatwerk. Sportvormen zijn dan ook naar complexiteit (basaal, gemiddeld of hoog) op drie niveaus te ordenen……


Basaal complexiteitsniveau: het ‘al verplaatsend je evenwicht houden’, zoals bij wandelen of fietsen. Een fysieke voorwaarde. Kennis hebben van het te gebruiken materiaal of te benutten omgevingsvoorwaarden (‘harder trappen als je een heuvel opgaat’) is een mentaal-cognitieve voorwaarde. Het is een ‘actie’ van jouw lichaam met het beschikbare materiaal (fietskwaliteit) in een bepaalde omgeving.
Gemiddeld complexiteitsniveau: het naast lichaamsacties reageren op het gedrag van medespeler(s) en/of tegenstander(s). Dit tactisch handelen maakt tennis, badminton of tafeltennis qua coördinatie complexer. Van dezelfde orde is dans of bewegen op muziek. Het instellen op de actie van een partner (en andere dansers in je omgeving) is nodig en het bewegen op maat en ritme van de muziek.
Hoog complexiteitsniveau: doelsporten als floorball (uni- of zaalhockey) en streetbasketball zijn weer complexer dan sportvormen op het vorige niveau. Gedrag van mede- en tegenspelers beïnvloedt het individuele tactisch spelgedrag en dat van het team. Op dit niveau is ook van belang: het inzicht krijgen in hoe je beweeg- en sportvormen al doende leert en ontwikkelt (de leer- of ontwikkelmethode; het leren hoe te leren).

Het is de kunst om die activiteit te kiezen die op je mogelijkheden is af te stemmen. Dat kan voor de een bowling zijn (‘basaal niveau’) en voor een ander ‘klein terrein hockey of floorball’ (‘hoog niveau’).


Ons persoonlijk optimale presteren en ervaren heeft drie dimensies….

Dimensie 1. Een activiteit of sportvorm uitvoeren op ‘zestig tot zeventig procent’ van het persoonlijk maximaal (coördinatie)vermogen’. Hiervoor is een ‘matig intensieve inzet of inspanning’ nodig op, zo mogelijk, op alle dagen van de week met per activiteit een inzet van een tot drie uur per dag in een variërende inspanning en eventueel voldoende relatieve rustmomenten. Dat zijn: korte pauzes waarin ‘licht’ wordt bewogen. ‘Matig intensief’ betekent voor de 55-plusser 4 tot 5 km per uur wandelen, 15 tot 20 km per uur fietsen, een of twee uur ‘vier tegen vier volleyballen’, afgewisseld met die korte rustmomenten of ‘time outs’. De activiteiten herhalen zich dagelijks, wekelijks en over een langere periode of komen in een bepaalde periode veel voor. Een week gaan skiën bijvoorbeeld.

Dimensie 2. Dagelijks en wekelijks doe je aan meerdere gevarieerde activiteiten of taken zoals sportvormen. Voor een zeventigjarige bijvoorbeeld: dagelijks dertig kilometer fietsen in een stevig tempo, wekelijks vijftien kilometer nordic walken, een uurtje tafeltennissen, een keer per maand een uurtje zwemmen, in de zomer wekelijks onderling honk-softballen en twee uurtjes kajakken, in de winter een week skiën en – zo mogelijk - dagelijks schaatsen of maandelijks een paar uur op de ijsbaan bezig zijn. Veelvormig of allround sporten maakt het sporten nog optimaler. Activiteiten in clubverband zijn voor de 55-plusser het meest aan te bevelen.

 3 Veel activiteiten of taken ontwikkelen, door deze achtereenvolgens en cyclisch te beleven, leren én leren hoe te leren c.q. ontwikkelen, door er verschillende functies (bv. competitief, samenwerkend of coöperatief handelen) of rollen (bv. kartrekker, begeleider-coach) mee uit te voeren. Daarmee wordt de sport of het sporten veelzijdiger. Een 55-plus club bestaat bijvoorbeeld uit een mix van mannen en vrouwen, die verschillen in niveau of mogelijkheden, interesse en sociale mogelijkheden. De groep zorgt voor een (mentaal) veilige, verantwoorde en activerende leefomgeving en regelt, ontwikkelt of verandert dat alles samen en in overleg.

 

Het samen leren, trainen en ontwikkelen én het elkaar daarbij begeleiden of coachen is zowel de schooljeugd als de 55-plusser aan te bevelen. Trainen, het conditioneel op niveau komen of blijven is meegenomen – en voor de wedstrijdsport in het algemeen noodzakelijk - maar staat voor de 55-plusser veel minder centraal. Een 55-plus club kan binnen of buiten een sportvereniging worden gevormd. Een gemengde samenstelling van mannen en vrouwen en/of niveaus is geen probleem en zelfs toe te juichen omdat je dan veel van elkaar moet en kan leren. Niveaus verschillen op deze leeftijd vaak sterk en selectie is in deze fase niet meer aan de orde. Je moet het dus wel samen regelen.
Binnen zo’n club is wel leer- en ontwikkelkennis nodig op het gebied van: ‘eerste hulp bij sportongevallen’ en reanimatie; het verantwoord inspannen; ook bij bepaalde fysieke beperkingen; een activiteit op de mogelijkheden van deelnemers afstemmen door het veranderen of toevoegen van spel- en speelregels (respectievelijk ‘verplicht’ of ‘aanbevolen’); de methode van leren, trainen en ontwikkelen van een sportvorm en maatwerk daarbij én de wijze van het elkaar daarbij begeleiden of coachen. Samen kunnen we daarin ver komen. 

 

Activerende omgevingen en inhouden voor het ‘anders’ deelnemen!

Activerende clubomgevingen hebben - samenvattend - het volgende totaalplaatje van kenmerken …

’Een 55-plusser wil sporten omdat hij of zij een sportvorm uitdagend en plezierig vindt én sportgericht. Het motiveert mij. Ik wil vooral beleven, maar ook nog optimaal presteren en natuurlijk op maat. Dat wil ik samen doen met sporters van ongeveer dezelfde leeftijd. Het zelf een activiteit regelen en ontwikkelen, maakt het nog leuker. Een kartrekker begeleidt ons. De groep reguleert in principe alles zelf. Sport is voor ons vereenvoudigde wedstrijdsport (kleiner veld, minder spelers, ander materiaal) die we onderling beoefenen. Regels worden op de mogelijkheden van de groep en – zo nodig - op die van individuele spelers afgestemd. Samen een sport beleven door het uitvoeren van een eind(sport)vorm, is het belangrijkste. Naast voldoende beleving gaat het ons om het leren of verbeteren van sportvaardigheden. Ieder op eigen niveau. Het zelf en samen ontwikkelen van een sportvorm op de langere termijn is wenselijk. Dat doe je door elkaar te ‘al vragend’ te begeleiden of coachen, maar alleen als je dat zelf wilt. ‘Matig intensief’ bewegen is optimaal als dat gebeurt met driekwart inspanning van je persoonlijk maximaal coördinatievermogen op fysiek (doelgericht handelen) en mentaal gebied (strategisch handelen). Een brede of allround ontwikkeling van de coördinatie is aan te bevelen.  Voldoende intensief sporten in clubverband is gezond. Het ontspant omdat zowel de sportvorm als de wijze van deelnemen je plezier geeft. Iedereen kan hieraan optimaal deelnemen: mannen en vrouwen, beginners en gevorderden, met goede en matige conditie, gezonde sporters en met fysieke beperkingen (chronische ziekten). De groep zorgt voor een veilige, verantwoorde en activerende (sport)omgeving. Een gemengde groep van 55-plussers vereist een ‘goed omgaan’ met de verschillen van elkaar. Ook hier hangt de kwaliteit van het ‘omgaan met elkaar’ af van de in de club aanwezige beroeps- en sportervaring’.

 

Dat maakt dat de nieuwe generatie hier ‘anders’ ofwel met een sociale innovatie bezig is. Het ‘nieuwe’ vereist een actieve, ondernemende, vitale leefstijl. Het verschil tussen het ‘oude’ en het ‘nieuwe’ sporten’ van de nu 55 tot 75 jarigen, is ……

 

 Het ‘oude’ sporten

 Het 'nieuwe' of het ‘anders’ sporten

Competitief wedstrijdgericht

Officiële wedstrijdsportvorm (‘voetbal is elf tegen elf’)

 

‘Vaste’ en onveranderbare sportregels
Doel: maximaal presteren/inspannen (op elk niveau)

Niveau-homogene groepen

Mannen en vrouwen, beginners en gevorderden sporten apart
Geleide sportontwikkeling door trainer-coach

Recreatief of onderling wedstrijdgericht
Essentie=wedstrijdsportvorm; vorm=afgeleid of verwant (‘voetbal is ook vier tegen vier’)
Regels (flexibel) afstemmen op groep, team individu
Doel: optimaal presteren/inspannen
Niveau-heterogene groepen
Mannen en vrouwen, beginners en gevorderden sporten (ook) samen
Zelf geleide of elkaar begeleidende sportontwikkeling met ondersteuning van kartrekker

 

De sportstructuur voor de 55-plusser is aan verandering toe. Het sporten van deze groep is van een andere orde dan het bewegen-spelen-gebeuren binnen het MBvO of het aan meerdere sporten doen binnen één sportvereniging. De veteranensport in een sportvereniging is kwalitatief onvoldoende voor maatwerk. Deelname aan meerdere niveaus is moeilijk onderling te regelen en ontwikkelen. Bij sportscholen en fitness ligt de nadruk te veel op training van fysieke aspecten (kracht, uithoudingsvermogen, snelheid, lenigheid, specifieke coördinatie). Een te basale ontwikkeling.

Het sporten van de 55-plusser heeft evenals het grootste deel van de lichamelijke opvoeding van de jeugd op school (zeker in het voortgezet onderwijs) bij voorkeur inhoudelijk de volgende kenmerken….
Zowel jong als oud ambieert een leven lang actief (ondernemend, vitaal) leven. Daarvoor is een optimaal fysiek, sociaal én mentaal-cognitief beleven, leren en ontwikkelen nodig. Het niveau dat je kunt bereiken hangt af van de eigen competenties en de mogelijkheden van (leer- en ontwikkel)omgevingen of de mate van het veranderen daarvan. Actief ontwikkelen vraagt om een veelzijdige en veelvormige inhoud. Zo mogelijk een allround functioneren op vele manieren en gebieden. Sport, als aspect van ontspanning, is zo’n gebied dat behalve een allround (fysiek, sociaal en mentaal) ontwikkelen ook optimaal en/of maximaal ervaren mogelijk maakt. Dat heeft een grote invloed op het eigen welbevinden en van een groep. Sport moet dan niet alleen competitief, maar (bij het ouder worden vooral) ook recreatief/onderling uitgevoerd kunnen worden.  
Een actieve leefstijl draagt bij aan het meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk handelen én biedt mogelijkheden tot een voortdurend investeren in jezelf, in de relaties met … en het inspireren van anderen (coachen/begeleiden) plus in het veranderen van omgevingen. Plezier en resultaat zorgen voor een vitaal leven. Samenwerkend leren in een ‘club(je)’, bevordert de ontwikkeling van ‘inhoud’, ‘wijze van deelnemen’ en het blijven participeren in de samenleving.
Veelzijdig, veelvormig en/of allround handelen is relatief complex en vereist het leren van totaalplaatjes (‘vier tegen vier volleyballen’ met regels, technieken, tactieken en hoe je dit spel samen beter leert spelen). Ook de mens is een ‘totaalplaatje’ (van lichaam, geest, omgeving) die zichzelf en de omgeving als ‘totaal’ waarneemt. Voor ons handelen vraagt dat om het begrijpen, integreren en toepassen van kennis en het ontwikkelen van kunde of een geheel van (sociale) vaardigheden.

 

Bij een visie op sport(en) is de potentiële doelgroep van belang en gaat het behalve om de inhoud of aard van de activiteiten vooral ook om de ‘wijze van deelnemen’ of aanpak….

-       Elke sportvorm kan, afhankelijk van de doelgroep, een verschillende vorm en inhoud (qua spelregels en vaardigheden) krijgen.

-       Een leven lang sporten vereist ervaring met veelvormige, veelzijdige en gedifferentieerde activiteiten en cycli van beleven, leren en ontwikkelen op verschillende niveaus binnen een groep of team. Sportvormen kies of krijg je op maat en dus op een verschillend te realiseren niveau (basaal, gemiddeld, hoog).

-       Sport-eindvormen komen voor in de competitiesport. Onderling geregelde sportvormen zijn hiervan afgeleid, hebben hun essentie van de eindvorm behouden en komen voor bij het onderling of recreatieve sporten.

-       Het samen sportief participeren is een ‘totaal’ van fysiek (bewegen-sporten), psychisch (leren-ontwikkelen) en sociaal (samenwerken) welbevinden op drie verschillende clubdeelnameniveaus.

-       Optimaal presteren en ervaren heeft drie dimensies: (1) Een activiteit uitvoeren op ‘zestig tot zeventig procent’ van het persoonlijk maximaal (coördinatie)vermogen’; (2) Veelvormig of allround sporten maakt het sporten nog optimaler; (3) Activiteiten of taken ontwikkelen, door deze achtereenvolgens en cyclisch te beleven, leren én leren hoe te leren c.q. ontwikkelen, door er verschillende functies (bv. competitief, samenwerkend of coöperatief handelen) of rollen (bv. kartrekker, begeleider-coach) mee uit te voeren.


Inspirerende en ondersteunende literatuur

Aamodt & Wang (2008). Aleman (2012). Baars (2007). Bos (2014). Buskes (2013). Van Bottenburg, (2004). Van Bottenburg & Schuyt (1996). Breedveld, van der Poel, de Jong, Collard (2011). Buytendijk (1964; 1965). Crum (1991). Csikszentmihalyi (2007). Damasio (2003; 2010). Denk, Pasche & Schaller, (2003). Dijksterhuis (2015). Draaisma, (2001; 2008; 2010; 2013). De Greef, Stevens, Bult, Lemmink & Rispens (1997). Goldberg (2007; 2009). De Heer (2000). Van den Heuvel & Van der Poel (1999). De Jong (2009). Kirchner (1998). Kirchner & Schaller (1996). De Lange (2012). Van Lindert (Red.; 2009). Meusel (1999). Mieras (2009). Mulder (2009). Mulierinstituut & TNO (2010). NOC*NSF (1999). Noë (2009). Rijsdorp (1971). Rotmans (2012; 2015). Sitskoorn (2008). Sociaal Cultureel Planbureau (2010a; 2014a/b). Steenbergen (2004). Tamboer & Steenbergen (2000). Timmers, E. (2010; 2012). Timmers, E. & Mulder, M.J. (2006). Verhaeghe (2015). Withagen (2013). Van der Zee (2012). 

 

Zie voor de volledige titels LITERATUUR