Cultuur en identiteit in verandering
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

Cultuur én collectieve identiteit in verandering (versie juni 2019)


Samenvatting
. Collectieve identiteit geeft vorm en inhoud aan cultuur of samenleving en bepaalt ons individuele en collectieve gedrag c.q. opvattingen. De plek op deze wereld, de geschiedenis van een land en het continent waarop het zich bevindt, alsmede actuele gebeurtenissen en ontwikkelingen veranderen een cultuur of samenleving én het gedrag van individuen en groepen op plan- en praktijkniveau. Welke meer collectieve kenmerken zien we in de loop van de tijd?
Evolutie van kosmos, aarde, leven en van de ‘soort’ mens toont over lange perioden geo-, bio- en techno-veranderingen en ontwikkelingen.
Hoe ziet de toekomst van onze natuurlijk en culturele onze samenleving eruit?

Lees- en fundamenteel/planniveau 2 voor kartrekker, coördinator, leefstijlcoach en/of 55-plusser.

 


De omstandigheden van de nieuwe en toekomstige generatie veranderen onder invloed van ontwikkelingen in onze cultuur en samenleving. Deze worden hierna door veel auteurs beschreven en beïnvloeden onze leefstijl….zie
Leefstijlen van drie generaties (de nieuwe, oude en toekomstige) in praktijk  

 

 

Ons bestaan heeft twee ontwikkelingsniveaus: fundamenteel én plan. Het meest fundamentele, Big History genaamd, is de evolutie of ‘totale’ ontwikkeling van het universum, de wereld en de mens. De mens heeft geleerd daar zelf/individueel en samen/collectief vorm en inhoud aan te geven. We ontwikkelen door de jaren heen een leefstijl die op het gedrag van anderen en de mogelijkheden van de omgeving is afgestemd. Wat we, hoe en waarom doen, hangt dan ook af van wat we willen, de omstandigheden, onze mogelijkheden en bereidheid tot samenwerking binnen groepen, netwerken of leefgemeenschappen. Kortweg ‘clubs’ genoemd (Geraerts, 2016; Lemaire, 2010).

In deze bijdrage zoeken we naar belangrijke kenmerken van onze collectieve identiteitsontwikkeling en de mogelijke trends in de ‘cultuur-van-de-toekomst’.


‘Beelden’ van onze cultuur en collectieve identiteit
Cultuur is het mens- en wereldbeeld dat bewoners van – meestal - een land, regio en/of plaats overwegend en door de jaren heen, in gedrag en opvattingen als gemeenschappelijk ervaren. Het omvat een gedeeld geheel van… gedrag, voorstellingen, rituelen, opvattingen, waarden, waarde-gebieden en normen. Het is het beeld dat je terugvindt in het dagelijks leven van vele individuen: het geleefde (mens- en omgeving)beeld. Of hoe en waarover mensen met elkaar communiceren: het gesproken beeld. Of hoe ze het eigen gedrag in een breder verband verantwoorden, hun ‘visie op mens- en samenleving’: het besproken beeld (Kwant, 1975; Timmers, 2012).
Dat laatste beeld bestaat uit relatief breed gedragen opvattingen (ofwel: overtuigingen, handelingsaanbevelingen, waarden en normen) die een groep, op een bepaald gebied (zoals: ‘sporten na je 55e‘), van belang vindt. Onderling verschillen ze in mate van abstractie of algemeenheid en zijn te formuleren op plan- óf op meer fundamenteel wetenschappelijk niveau. Ze komen hierna ter sprake. Sociale omgang met elkaar bepaalt de kwaliteit van een samenleving (Hofstede, Hofstede & Minkov, 2011). Cultuur én identiteit samen geven betekenis aan omgevingen. Identiteit wordt gevormd door zelfbesef, omgevingsbesef én ontwikkelingsbesef van individuen (Verkuylen, 2010). De mate waarin we individuele identiteiten met elkaar delen, bepaalt de collectieve identiteit (van Dijk, 2018). 

Mens- en wereldbeelden op regionaal  en landelijk plan- en praktijkniveau

Moet nog steeds kunnen. Herman Pleij (2017) plaatst de culturele ontwikkeling van Nederland in een breed historisch perspectief door zich de vraag te stellen: hoe komt het dat we zijn, wie we zijn? Diversificatie of verscheidenheid is dan een dominant kenmerk. “Het overkoepelende motto is: ‘niet omdat het moet, maar omdat het kan”. We vertonen steeds eenheid in verdeeldheid en tegelijk speelt ook saamhorigheid in ‘clubs’ op vele gebieden, een belangrijke rol. De ‘participerende samenleving’ – in de zin van het elkaar op z’n tijd helpen – hoort bij ons.
Iedereen wil meedoen en heeft overal een mening over. Ons poldermodel zorgt vooral in de twintigste eeuw voor consensus. We zijn zelfbewust, ondernemend (initiatiefvol, actief) en op zelfstandigheid gericht. We willen handelen en handel drijven. Het van oudsher in kleine verbanden functioneren, ons ‘nederzettingenbeleid’, sterkt de saamhorigheid. Lokale en kleine groepen geven autoriteit. Met ‘personen als autoriteiten’ hebben we weinig.
Het overal en steeds opkomen voor het eigen gelijk benadrukt de individualisering (onder andere in sociale media) en zorgt bij tijd en wijle voor toenemende verhuftering”. Hoewel ‘niets deugt’ (zeggen we) voelen we ons zelf toch erg gelukkig. ”Gelijkheids-denken, wantrouwen tegen autoriteiten en hiërarchieën, de sociale media en het wegvallen van ideologieën hebben vooral in Nederland de gedemocratiseerde verbeelding in de hand gewerkt”.
We hebben een lange traditie van tolerantie en gedogen. Experimenteren met drugsbeleid, abortus, euthanasie en homohuwelijk leidt wel intern regelmatig tot discussie maar nauwelijks tot confrontatie. Wat een ander wil, hoef jij nog niet te doen. Solidariteit (zie pensioenstelsel), gelijkwaardigheid (goed onderwijs voor iedereen) en democratie (iedereen kan en wil meepraten) juichen we in veel gevallen toe. We kunnen echter ook drammerig zijn en ons eigen belang voorop stellen. Het bevalt ons uitstekend dat “Nederland bevangen blijft door decentralisme, gelijkwaardigheid, persoonlijk initiatief, individuele betrokkenheid, zelfredzaamheid en pragmatische saamhorigheidsgevoelens”.

Paniek in de polder. De Mul (2011) constateert dat…. “Sociaaleconomisch gezien de door het neoliberalisme aangestuurde globalisering als bedreigend wordt ervaren….Het tast onder andere de verzorgingsstaat aan en het gevoel van onderlinge solidariteit…. Cultureel gezien verlangen de mensen terug naar ‘toen geluk nog heel gewoon was’”. We zijn van huis uit een egalitaire en op consensus gerichte samenleving die tot polderen bereid is en in overleg, ondanks verschillen, tot consensus komen. Binnen onze samenleving spelen meerdere culturen een rol. Het is van belang dat het typische van een culturenmix zo moet woren beschreven dat een Fries, een Limburger, een Turk of Roemeen, zich erin blijft herkennen. Een liberale democratie zoals de onze geeft vrijheid, gelijkheid en garanties tegen de dictatuur van een meerderheid en bestaat uit een mix van culturen met elk een eigen identiteit (Stuurman, 2009, p.499). Er vindt vermenging én acceptatie van gedrag en opvattingen plaats en lost veel problemen op (De Mul, 2010; 2011).

Veenbrand, smeulende kwesties in de welvarende samenleving. In 2019 gaat het ‘goed’ gaat met Nederland en de meeste Nederlanders. Maar volgens Kim Putters, directeur SCP, is er al jarenlang sprake van een veenbrand. “.... ofwel smeulende kwesties op sociaal en cultureel gebied die ons dwingen onze manier van consumeren, reizen, wonen en samenleven te veranderen” (Putters, 2019, p.8). Vooral de middengroep - zo’n dertig tot veertig procent van de bevolking, zit met vele vragen en onzekerheden. Het ontbreekt aan een nieuw economisch samenlevingsmodel en een politiek die een vergezicht of visie schetst. Polarisatie kan zo extremer worden en de veenbrand een uitslaande brand. Smeulende kwesties zullen benoemd moeten worden en aangepakt….1 Brede welvaart: over focus op economische groei miskent maatschappelijk onbehagen; 2 Een leven lang leren en ontwikkelen: is niet louter een kwestie van werk, maar ook van identiteit en verbondenheid bij toenemende diversiteit; “Leren en ontplooien is steeds meer verweven met alles wat we in het leven doen” (p.81); 3 Nieuwe sociale ongelijkheid: Nederland wordt steeds minder inclusief; 4 Democratische rechtsstaat: het sociaal contract lijkt uitgewerkt.

Beknopte geschiedenis van Nederland. Kennedy (2017) sluit zich bij de voorgaande auteurs aan. Door samen te werken kunnen gedeelde problemen goed worden aangepakt. Zo is door de jaren heen een samenleving ontstaan met veel ruimte voor overleg door consensus, met actieve, ondernemende burgers en een rijk verenigingsleven. Het bijstand verlenen aan hen die het minder hebben en streven naar het verbeteren van de samenleving is in onze cultuur ingebakken.

Steden waren en zijn bastions van vrijheid en zelfbestuur en hun ril in de samenleving wordt steeds belangrijker. Het vrije klimaat stimuleerde de reflectie op de morele en politieke orde en leidde tot weinig ontzag voor kerkelijke of wereldlijke autoriteiten. Uitgaansleven, recreatie en sport (tot dan voor de rijken) kregen vanaf eind 19e eeuw naast werk en zorg steeds meer aandacht.
Confessionele dominantie belemmert lange tijd de technologische vooruitgang en moderne maatschappelijke ontwikkelingen (zoals vrouwenemancipatie, de pil en abortus en het recht op euthanasie). Na WOII vermindert die dominantie en neemt de bereidheid tot veranderen toe.

We voelen ons na de tweede wereldoorlog meer een ‘progressief gidsland’. De introductie van de anticonceptiepil veranderde de seksuele praktijk,  zowel binnen als buiten het huwelijk en bevorderde de emancipatie van de vrouw. Onderwijs werd voor iedereen toegankelijk, maar desondanks zijn in 2017 nog naar schatting twee miljoen laaggeletterden en wordt de kloof in denken en doen, tussen hoog en laag opgeleiden, groter.

De staat promoot solidariteit onder de mensen, maar het gezag werd - met name in de jaren tachtig - uitgedaagd. Dit gaat door tot de dag van vandaag. Politiek en politici zijn steeds bezig hun geloofwaardighied te verdedigen. Er treedt onder poltieke partijen versplintering op. Vandaar de behoefte aan herziening van democratie en rechtsstaat. Zie voor de ideeën daarover het bij de rijksoverheid te downloaden rapport: ‘Lage drempels, hoge dijken’. Het eindrapport van de staatscommissie prlementair stelsel (december 2018).

‘Klimaat wordt vanaf de jaren vijftig een heet hangijzer. Grenzen aan economische groei wordt aanbevolen. “Morele en religieuze dwangbuizen uit het verleden verdwijnen en zelfontplooiing krijgt meer aandacht”.
We zijn steeds meer een natie van immigranten. “De samenleving wordt tegelijk gekenmerkt door relatieve rust, weinig criminaliteit en met de uitgebreidste burgerparticipatienetwerken in de wereld”. Zowel samenleving als politiek worden sterk beïnvloed door het naast elkaar bestaan van vele verschillende bevolkingsgroepen, belangen en religies. Desondanks hebben we een hoge graad van samenwerking.

Winnaars en verliezers. Onze cultuur wordt dus sterk door immigratie beïnvloed. Leo en Jan Lucassen  maakten ‘de balans op van vijfhonderd jaar immigratie in Nederland’ (2011). Nederland neemt, net als alle andere Europese landen, altijd al, gastarbeiders en vluchtelingen op. Zeker In tijden waarin het ons economisch voor de wind gaat. Als er echter recessie of crises is, neemt acceptatie en tolerantie snel zeer sterk af. Het land is dan plotseling ‘(te) vol’. Het onbehagen neemt vooral toe als instromers de lokale bevolking in aantal gaan overheersen.

Immigratie blijft gemiddeld onder de veertigduizend per jaar. Ongeveer tienduizend hiervan zijn asielzoeker. Er vond in de laatste decennia geen extreme instroom plaats van Moslims. Noch in Nederland, noch in Europa (Lucassen & Lucassen, 2011). Syrische vluchtelingen en vooral economische vluchtelingen die met hen meekwamen, hebben dat beeld doen kantelen.
In het algemeen versterken immigranten de economische positie van een land en vindt er op gebieden als mode, media, universiteiten, banken, hoogwaardige technische bedrijven interculturele ‘kruisbestuiving’ plaats. Het is jammer dat velen lang in opvangkampen moeten verblijven, waardoor onvoldoende van hun werkkracht kan worden geprofiteerd.

Veel instromers houden hun geloof en trouwen in eigen kring. Daarmee houden ze ook hun eigen culturele waarden. Zo wordt ons culturele landschap divers, maar ondanks dat herkenbaar. We spreken Nederlands, dragen bij aan de ontwikkeling van de samenleving en betalen belasting die ons ook allemaal ten goede komt. We verschillen wel in de mate van ‘strengheid’ over hoe we ons ten opzichte van elkaar moeten gedragen en geloven. Soms is dat zo ‘streng’ dat tolerantie naar anderen volledig ontbreekt.  Integratie is tot nu toe en op elk moment in onze geschiedenis redelijk geslaagd. Maar kost veel tijd. Soms duurt dat twee of drie generaties. Elke minderheidsgroep heeft een eigen cultuur en sociale identiteit. In de loop van de tijd vindt enige aanpassing plaats aan de dominante cultuur van de meerderheid (Verbrugge, 2007). Die aanpassing verloopt per groep (ben je meerderheid of minderheid) verschillend en heeft persoonlijke consequenties. Hoe tolerant wil je immers zelf zijn?

Een collectief gedeelde cultuur ontstaat het gemakkelijkst als we tolerant zijn en respectvol met elkaar willen omgaan. Het hoofddoekje van de moslima of de kerkkleding van gereformeerde mannen en vrouwen op de Veluwe, is dan voor iedereen volstrekt acceptabel.


Cultuurdimensies. Van culturele verschillen op andere plekken op de wereld kunnen we leren of meer leren waarderen. Zie bijvoorbeeld het boek van Geert Mak (2012) die de Verenigde Staten met Europa vergelijkt. Of Henk Schulte Nordholt (2015) die de culturele en filosofische geschiedenis van China de analyseert. Dit maakt duidelijk dat alle nationale culturen op gelijke dimensies te typeren zijn (Hofstede, Hofstede en Minkov, 2011)….zoals:
* Machtafstand (groot of klein): de mate waarin de macht van instituties of organisaties in een land verdeeld is. In Nederland is de machtafstand klein.

* Individualisme versus collectivisme: onderlinge banden tussen individuen zijn los versus hechte en loyale groep. Nederlanders zijn individualistisch ingesteld.

* Masculiniteit (leven om te werken) versus feminiteit (werken om te leven): een samenleving is masculien als emotionele sekserollen duidelijk gescheiden zijn (hard en gericht op materieel succes versus bescheiden en gericht op kwaliteit van het bestaan) en feminien als emotionele rollen elkaar overlappen (mannen en vrouwen zijn beide bescheiden, teder en gericht op de kwaliteit van het bestaan). Nederland is feminien en heeft een voorkeur voor het oplossen van conflicten door onderhandelen en compromissen.
* Onzekerheidsvermijding is zwak of sterk. Nederland is daarin gemiddeld. Landen met een zwakke onzekerheidsvermijding brengen eerder fundamenteel nieuwe ideeën voort, omdat hun cultuur toleranter staat tegenover wat afwijkt.

* Gerichtheid op korte of lange termijn. ‘Korte termijn’ betekent gericht zijn op het nastreven van deugden in verleden en heden met name het respect voor traditie, voorkomen van gezichtsverlies en het voldoen aan sociale verplichtingen. ‘Lange termijn’ betekent gericht zijn op streven naar toekomstige beloning door middel van volharding en spaarzaamheid. Religieuze, politieke en economische fundamentalisten zijn agressieve tegenstanders van het lange termijn denken. In Nederland overheerst dat laatste.
Cultuur is een evolutiemechanisme dat zich divers ontwikkelt. We bevinden ons in deze fase in een proces van samensmelting en expansie van morele kringen. Het enige wat je voor evolutie nodig hebt zijn – volgens Hofstede eta al - generaties, die een overschot aan afstammelingen voortbrengen, variatie erven van hun voorouders en door selectie de minder succesvolle varianten in een generatie geen kans geven.

 

De kunst van het vreedzaam vechten. ‘’Een wereld zonder (belangen- of waarde)conflicten is ondenkbaar, maar ook onwenselijk. Botsingen van tegengestelde meningen en belangen zijn in een open samenleving een goede zaak. Maar hoe goed en afdoende gaan we met conflicten om?
Er zijn vele gebieden in onze samenleving  - zoals sport, wetenschap, rechtspraak, politiek - waar gemakkelijk conflicten ontstaan. Achterhuis & de Koning (2014) spreken hier van ‘vreedzaam vechten’. Het is de kunst die bij conflicten ‘vrede en welvaart’ brengt. Beschavingen ontwikkelen vreedzame vechtstrategieën. “Het gaat om vrijheidsbegrenzing van culturen die dominant verticaal of horizontaal geordend zijn. Verticaal is het ondergeschikt zijn aan personen en instellingen die weinig ruimte bieden. Horizontaal is het ondergeschikt zijn aan formele procedures die een grotere vrijheidsmarge mogelijk maakt. Ze reguleren gedrag van mensen zonder hen aan anderen ondergeschikt te maken”.
Omgaan met conflicten op plan of praktisch niveau kent vier manieren van ‘strijd aangaan’ c.q. tonen van ‘sportiviteit’: worstelen (om bestaan te beveiligen), wedijveren (met gelijke verlangens), ijveren (om de waarden, belangen, opvattingen, overtuigingen – hun identiteit -  tegen anderen te verdedigen) en ontworstelen (aan door traditie gegeven waarden en voorschriften).
Op macro- of fundamenteel niveau zijn “moderniseringstheorieën pogingen om samenhang te ontdekken in uiteenlopende veranderingsprocessen zoals de opkomst van markteconomieën, massaproductie, technische vooruitgang, scholing, individualisering, verstedelijking, secularisatie, vermaatschappelijking en emancipatie”. Ervaren van gelijkwaardigheid en het accepteren van vrijheid binnen afgesproken grenzen zijn nodig om ambities te beteugelen.
Verzet tegen modernisering of conservatisme komt van ‘eerbied voor het heilige’(orthodox-religieus verzet), ‘gehoorzaamheid aan een onaantastbaar gezag (conservatief verzet) en ‘saamhorigheid op basis van verwantschap met een gemeenschappelijk front tegen buitenstaanders’(populistisch verzet). Maar ook mengvormen zijn mogelijk. Modernisme of op veranderen gericht staat voor: seculier, individualistisch en kosmopolitisch. Deze begrippen worden door hoger geschoolden en inkomensgroepen het meest onderschreven. Lager geschoolden en lagere inkomensgroepen zijn meer vatbaar voor conservatisme, terwijl ze daar juist veel minder baat bij hebben. Daarmee ntwijken ze ‘strijd’.

 

Mens- en wereldbeelden op meer fundamenteel niveau

In Next mature (2019) geeft van Mensvoort een inspirerend verhaal over ‘waarom technologie onze natuurlijke toekomst is’. Evolutie gaat door en het is van belang dat wij ons, als mensheid, blijven ontwikkelen. De basis van die evolutie zijn genen en memen (zichzelf reproducerende informatiepatronen). Zie later.
Natuur wordt steeds meer cultuur, is dynamisch, nooit af en verandert continu. De mens is een factor geworden die de oorspronkelijke natuurlijke omgeving transformeert. We veranderen onze omgeving en onszelf. Het natuurbeeld kantelt. “In de eenentwintigste eeuw worden geboren dingen steeds verde gecontroleerd en gecultiveerd (natuur wordt cultuur). Tegelijk wordt onze gemaakte omgeving zo complex dat we er controle over verliezen en het een eigen natuurlijke dynamiek krijgt (cultuur wordt natuur). Traditioneel definiëren we natuur als alles wat geboren is. Als dit beeld kantelt naar een idee van natuur als alles wat autonoom groeit, ontstaat er een door mensen veroorzaakte nieuwe natuur. Biologie wordt technologie. “De evolutie leert ons dat technologie, nadat het is bedacht nog onwennig en kunstmatig aandoet. Zodra we de technologie gaan toepassen en accepteren, wordt ze meer vertrouwd. Daarna wordt ze onmisbaar en kunnen we niet meer zonder (zie het mobieltje). Werkelijk succesvolle technologie wordt uitdeindelijk natuurlijk en onderdeel van onze menselijke cultuur”.

Evolutie gaat door. Dankzij de mens maakt ze de sprong van genetische organismen naar op data-uitwisseling gebaseerde memetische organismen. Memen bestaan uit “feiten, ideeën, talen, melodieën, morele en esthetische waarden, ontwerpen, vaardigheden en verder alles dat kan worden aangeleerd en doorgegeven aan anderen”. Corporaties, netwerken of clubs zijn in dit verband  memetische organismen. De mens is de eerste soort waarbij memen een bepalende rol gaan spelen. Vaak harmonieus dankzij memetische organisatiestructuren (wetten, regels, waarden en normen). “De mens wordt ingekapseld in een volgend evolutionar complexiteitsniveau. Denk maar aa de zelfrijdende auto, een slimme woning waarin de verlichting en thermostaat op je aanwezigheid reageert of een smart ctyy die haar bewoners via het internet der dingen continu monitort, comfort biedt, maar ook in het gareel houdt”.

 

Geschiedenis over de evolutie van kosmos/universum, wereld/aarde, leven van in het bijzonder de mens, wordt tegenwoordig ‘Big History’ genoemd. Christian (2018) beschrijft de hoofdlijnen van die ontwikkeling. De mens is één soort die evolutie ondergaat. Kantelmomenten in de evolutie vonden steeds plaats op cruciale en complexe overgangsmomenten die de richting sturen. Zoals bijvoorbeeld: de oerknal (zo’n tien miljard jaar geleden), het eerste leven op aarde, eerste sporen van onze soort, twee honderd duizend jaar geleden (homo sapiens), ontwikkeling naar een duurzame wereldorde.

Het streven is om op basis van een gemeenschappelijk verhaal en vele wetenschapsgebieden (o.a. sterrenkunde, geologie, biologie, psychologie) onze ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis te (re)construeren.
Als de mens op het toneel verschijnt – in het antropoceen -  en er groepen of staten gaan ontstaan wordt collectief leren en ontwikkelen belangrijk. Daarmee krijgen we gezamenlijk greep op informatie in onze omgeving. Dat leidt tot het ontstaan van nieuwe of volgende technologieën, informatie of kennis, sociale betrekkingen en culturele tradities. “De noösfeer, de sfeer van de geest, is de dominante drijvende kracht achter de veranderingen in de bio- en geosfeer”. Het geeft een mentaal en cultureel geheel aan onze gemeenschappelijke gedachten en ideeën. De geschiedenis van de mens begint met collectief leren op het terrein van jagen en later op dat van landbouw. Het leidt tot het ontstaan van nieuwe technologieën, nieuwe sociale betrekkingen en nieuwe culturele tradities. Een ontwikkeling van lokaal-regionaal naar een wereldwijd gebeuren.

Evolutie. Natuur (aanleg) én cultuur (omgeving) spelen beide een fundamentele rol bij de menselijke evolutie. Biologie-natuur levert de ‘ruwe vorm’ en cultuur specificeert dat (Buskes, 2013; Verhoeven, 2013; Giphart & Van Vugt, 2016). De menselijke mogelijkheden kunnen voor 'twintig tot veertig procent' genetisch worden verklaard. Genetische ontwikkeling is in essentie: onvermijdelijk, kijkt niet vooruit, kent op zich geen doel, is afhankelijk van haar eigen geschiedenis en maakt gebruik van vele replicatoren. Het vermogen om cultuur te ontwikkelen ligt eveneens in onze genen verankerd (Buskes, 2013). Genen (via DNA van ouder op kind) en memen (opvattingen/overtuigingen, van brein tot brein via sociale interactie door taal en imitatie) zorgen voor waarneming en ontwikkeling (Broers, 2015; Giphart & Van Vugt, 2016; Verhoeven, 2013).
Evolutie van een soort (zoals de mens) is zowel biologisch als cultureel van aard en kàn plaatsvinden zonder een beroep te doen op het bovennatuurlijke (Buskes, 2013). Cultuur omvat ‘vaardigheden’ die door imitatie, in gesproken en geschreven woord en in (digitale) beelden) aan onze kinderen (verticaal) en anderen (horizontaal) worden doorgegeven. Mens én samenleving, cultuur c.q. omgeving’ vormen een bio-culturele eenheid (Baltes et al., 2006). “Bij de moderne mens heeft de evolutie nu het stadium van zelfbewustzijn, psyche of geest bereikt. Wij zijn de eerste wezens die besef hebben van hun eigen oorsprong en eindigheid” (Buskes, 2013). Bewustzijn betekent het hebben is van zelfbesef, van eigen en collectieve identiteit. Zo ervaren we de eenheid van lichaam en geest die in de evolutie fundamenteel gebonden is aan ‘ontwikkelen én bewegen’. Het zijn twee pijlers van ons bestaan en van een actieve, gezonde en zinvolle leefstijl. (Baltes et al., 2007; Heijne, 2015; Timmers, 2012; Voorsluis, 2009).

 

Neem je evolutie als uitgangspunt dan zijn ‘matches en mismatches’ en het antwoord op: ‘hoe voorkomen dat we door ons oeroude brein misleid worden’, voor de hand liggend (Giphart & Van Vugt, 2016). Stress, burnout en depressie zijn voorbeelden van ons tekort schietend omgaan met samenlevingsproblemen. Het leven is een opgave om, gegeven je fysieke en mentale mogelijkheden, de omgeving zo optimaal mogelijk te benutten of zo te veranderen dat afstemming beter of meer mogelijk is (Timmers, 2012). Dat vereist ‘levenskunst’.
Van een mismatch is sprake wanneer je lichaam niet goed aan de omgeving is aangepast en van een match als een persoon in een bepaalde omgeving gedrag vertoont, dat zijn of haar evolutionaire belangen dient en zorg draagt voor eigen overleving, voortplanting en ontwikkeling. “Ons primitieve brein is echter (nog) niet goed aangepast aan de ‘nieuwe’ omgeving”. Anderen (zoals Mulder, 2009) vinden de mens juist een ‘geboren aanpasser’ en zien geen problemen met mismatches. Minder aangepast zijn komt door ‘het voorop stellen van het eigen belang, de sterke gerichtheid op het hier en nu in plaats van op de toekomst, onze statusgevoeligheid en de neiging tot volgen van wat de mensen om ons heen doen (kopieergedrag)’ (Giphart & Van Vugt, 2016, p 147-149). Actief-zelfstandig handelen, relativeren, kritisch reflecteren én optimaal ‘beleven, leren en ontwikkelen’ voorkomen mismatches. “…. hoe meer iemands leven een match is, hoe groter de kans op een gelukkig en gezond leven”. Het samen delen, stimuleren van empathie en respect voor elkaar, temperen van het persoonlijk statusbelang en het meer in ‘clubs’ samenwerken is in deze tijd belangrijk. Matches zijn gebaat bij actief beleven, leren en ontwikkelen binnen meerdere sociale omgevingen (Prinz, 2012).

 

Communicatieve zelfsturing. Cornelis (1998) gaat van evolutie uit bij het streven naar communicatieve zelfsturing. Leren en ontwikkelen zijn fundamentele voorwaarden voor het individueel en collectief bestaan. Evolutie is hierin de culturele aanjager. Deze kent drie systeemniveaus: (1) het natuurlijke systeem; (2) het sociale regelsysteem en (3) het communicatieve zelfsturingssysteem. Elke cultuur toont de ontwikkeling van elkaar (deels) overlappende niveaus. Op elk niveau wordt een andere logica ontwikkeld om betekenis te verlenen aan ons gevoel en elk systeem zorgt ook voor een ander dominant menstype. Zo levert het communicatieve systeem van nu de creatieve mens op. Gemeenschap en individu ontwikkelen een gevarieerde ondernemende ‘identiteit’.
Als eerste is de logica van geborgenheid in het natuurlijk systeem ontwikkelt. Dat werd gedomineerd door mythisch denken. Een ‘vorming’ die aan leren voorafgaat. Vervolgens ontplooien we ons handelen tot maatschappelijke bekwaamheid binnen de logica van een sociaal regelsysteem. De identiteit wordt hier gedomineerd door sociale functie, de maatschappij en onze plaats daarin. Beroep en sociale rol kenmerken het bestaan. Leren geeft regels en besef van normen.
In de communicatieve zelfsturing ontstaat zingeving en inzicht in kwaliteit en belang van waarden. Communicatie zorgt voor alternatieven en creativiteit voor ‘nieuw leren en ontwikkelen’. Door leren veranderen we omgevingen en ‘ontmoet’ mens en maatschappij elkaar. “De opvoeding en de graad van ontwikkeling van de cultuur speelt een fundamentele rol in het bestaan van de mens. Cultuur bevordert of remt ontwikkeling. “Een mens kan niet slimmer zijn dan hij zelf ‘is’, maar ook niet slimmer dan de cultuur waarin hij leert. Wil hij of zij toch slimmer zijn, dan moet hij de cultuur veranderen en dat vereist creativiteit”.
In de zogenaamde betekeniseconomie is het maatschappelijk en individueel belang van welzijn het grootst (Klomp, Wobben & Kleijer, 2016). Deze gedachte sluit aan bij ‘communicatieve zelfsturing’ en bevorderen van geluk. Het gaat hier niet om ‘meer bezit’, maar het leiden van een ‘beter leven’. In de betekeniseconomie is het streven de samenleving te verbeteren. “Voor bedrijven geldt dat het om meer gaat dan alleen winst maken. Het gaat er ook om de wereld fijner te maken!”. Een bedrijf moet de verantwoordelijkheid nemen op het gebied van gezondheid, gelijkheid, veiligheid en sociale verhoudingen binnen het bedrijf zelf en naar buiten toe”. Kortom: de ‘reis is belangrijker dan de bestemming’ Betekenisvol handelen als onderneming bevordert culturele ontwikkeling.

Naar toekomstige technologieontwikkeling. In een drieluik beschrijft Harari (2015, Homo Deus, 2018a, Homo Sapiens en 2018b, 21 lessen voor de 21e eeuw)) de evolutionaire ontwikkeling van de mens van toen, nu én in de toekomst.

“Kunstmatige intelligentie en biotechnologie ‘geven de mensheid het vermogen om het leven naar eigen inzicht om te vormen en te bouwen”(2018b; p.15). De zoektocht naar zingeving en gemeenschapszin wordt belangrijker dan het zoeken naar werk. De kans is groot dat er een grote overbodige massa ontstaat met te weinig opleiding  en relatief arm. “Een eventuele oplossing voor het technologisch vraagstuk zal internationale samenwerking vereisen, maar nationalisme, religie en cultuur bemoeilijken die wereldwijde samenwerking”. Thuis voelen in je lichaam is nodig om je ook in de wereld thuis te kunnen voelen. Het probleem is dat we wel ‘kleine groepen’ kunnen vormen, maar moeilijk bindingen in grote (de ‘groep’ Gelderlanders, Nederlanders of Europeanen) groepen kunnen maken.

De mens beheerst nu de aarde en zal in de toekomst als collectief tot meer maakbaarheid in staat zijn. We slagen steeds meer in het samen oplossen van fundamentele problemen, zoals van honger, ziekte of oorlog. We hebben toch ook ‘ongekende’ niveaus van rijkdom, gezondheid en harmonie bereikt. Alleen zijn deze niet ‘eerlijk’ over de wereld verdeeld.
In de eenentwintigste eeuw zal de mens gaan streven naar het oplossen van …. 1 onsterfelijkheid c.q. langer leven in goede gezondheid; 2 wereldwijd geluk; 3 het upgraden van lichaam en bewustzijn'. Kennis neemt vooral digitaal sterk toe. Deze wordt omvangrijker en diepgaander en bepaalt, als artificiële intelligentie, in toenemende mate ons gedrag. Hoe sneller hierdoor economische, politieke en sociale veranderingen plaatsvinden, hoe sneller kennis achterhaald zal raken. Technologie kan helpen bij te blijven. Maar een deel van de mensheid wordt overbodig. Vooral de laag opgeleiden.

De ‘homo sapiens’ (2018a) heeft vele ecologische veranderingen bewerkstelligt. Nu kan de mens de natuurlijke selectie gaan vervangen door 'intelligent design' én het leven van de organische sfeer gaan uitbreiden naar de anorganische sfeer”. Ze is flexibel en kan met velen samenwerken. Soms verloopt dat harmonieus en soms is ‘vreedzaam vechten’ nodig. Steeds meer kennis vervangt mythen, religies of ideologieën en “maakt de wetenschappelijke weg naar vooruitgang vrij”. Onderwijs en leefstijl leiden al lang tot meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk leren en ontwikkelen. Inprenten van gehoorzaamheid en tradities bestaan niet meer. Flexibel samenwerkend zullen we ons moeten ontwikkelen en kunstmatige intelligentie zal dat steeds meer gaan ondersteunen en vervangen.
Nieuwe technologie omvat techno-humanisme, bio-technologie én datageloof. Techno-humanisme ontwikkelt zich door interfaces tussen hersenen en computers. Datageloof vervangt informatie door kennis en uiteindelijk tot wijsheid en … nog efficiëntere dataverwerkingssystemen. Eerst krijgt het humanistisch streven naar gezondheid, geluk en macht een impuls en zullen we keuzes bij de volgende wereldwijde ontwikkelingen moeten maken, zoals… “Wetenschap koerst op een allesomvattend dogma af, dat zegt dat organismen algoritmen zijn en dat het leven dataverwerking is… Intelligentie wordt losgekoppeld van bewustzijn…Niet-bewuste, maar hyperintelligente algoritmen zullen ons spoedig misschien wel beter kennen dan we onszelf kennen”. 

Verbeek (2011) ziet de mens als iemand die…. “meer verantwoordelijkheid neemt (en ook moet nemen) voor zijn of haar eigen bestaan. Een bestaan dat vorm krijgt in relatie tot andere mensen, maatschappelijke structuren en technologische ontwikkelingen". O’Connell (2018) vraagt zich af ‘hoe we de dood door technologieontwikkeling kunnen uitstellen’. Hij pleit voor “totale onafhankelijkheid van de biologie en volledige onderwerping aan de technologie”. De zwakke punten van de mensheid zijn immers: “de geringe weerbaarheid tegen ziekte, letsel en dood, de afhankelijkheid van een zeer specifieke leefomgeving, beperkte geheugencapaciteit en slechte beheersing van driften”. Levensverlenging zou mogelijk kunnen zijn door…, het uploaden van het menselijk brein, verhoogde geestelijke capaciteit met behulp van farmacologische en technologische middelen, kunstmatige intelligentie en verbetering van het menselijk lichaam door middel van protheses en genetische modificatie”.
Madsbjerg (2017) ziet meer in een kwalitatief sociale benadering. Kennis reduceren tot getallen is onjuist … “dan verliezen we het contact met de literatuur, de kunst, de op beleving gerichte sport en de cultuur, die ons toestaan om onszelf te ervaren in complexe sociale verbanden”. Zorg voor betekenisgeving, het belang hechten aan de menselijke factor. Onderzoek en ontwikkel cultuur in alle facetten. Laat de sociale omgeving domineren. “De ‘menselijke ervaring’, de fenomenologische analyse van gedrag in een concrete sociale context” heeft voor hem prioriteit. Het is de filosofische inspiratiebron van ‘betekenisgeving’ die als een holistische (totaal)aanpak functioneert.

“Algoritmisch denken biedt ons de illusie van objectiviteit of van een perspectief zonder een bepaald standpunt, terwijl betekenisgeving ons juist de kans geeft om te bepalen waar we zijn én brengt ons in contact met waar we naar op weg zijn. Het gaat echter veel meer om “hoe de technologie mensen kan dienen” en niet om “innovatie zonder sociale context”. Per onderwerp is hiervoor een samenhangend geheel van objectieve, subjectieve, gedeelde en zintuigelijke kennis nodig die betekenis geven. Om iets of iemand geven, kan de mens wèl en het algoritme niet.

Dennett (2017) beschouwt lichaam en geest vanuit evolutionair perspectief als een geheell. Het biologische en het culturele vallen dan ook samen. Bewustzijn is hèt kantelmoment in de menselijke evolutie. Een continu ontwerpproces van afwisselend reflectie en ontwikkeling ‘van onderaf’ en uiteindelijk ook ‘bovenaf’. Competenties zijn aanvankelijk onbewust. Begrip en inzicht ontbreken. Op een bepaald moment ontstaat het ‘intelligent ontwerpen’ en dus wél begrip en inzicht. Het ‘waarom’ wordt nu een vraag: met welk doel is alles zo gegaan als het ging? Op wat voor manier (hoe dus) ging alles zoals het ging? 

 

Verhaeghe (2012) meent dat…. “wie wij worden hangt grotendeels af van onze omgeving”. Onze genen bepalen onze mogelijkheden en hoe we ons ontwikkelen. Dat gebeurt in een levenslange interactie met onze omgeving. Aanleg (wat aangeboren is; nature) en omgeving (wat ons aangeleerd wordt; nurture) bepalen beide onze persoonlijke en collectieve identiteit.
Vanaf eind jaren negentig staat de ‘maakbaarheid van de mens centraal door het aanpassen aan of veranderen van een omgeving’. Dit dominerende maatschappelijke neoliberale model bepaalt al enkele decennia voor een belangrijk deel onze identiteit (competitief, op eigen profijt gericht, zelfverantwoordelijk voor succes en falen). “Ook het competentiegerichte onderwijs heeft het ideologische gedachtegoed van het neoliberalisme volledig geïmplementeerd in de scholing van onze kinderen”.
In onze (Europese) cultuur ontbreekt het op vele gebieden aan ‘autoriteit’ en macht om ‘ander’ of meer gewenst gedrag aan te moedigen. Autoriteit was een verticale en ‘patriarchale top down’-autoriteit. De ontwikkeling gaat nu meer in de richting van horizontale autoriteit van (lokale) groepen, clubs, netwerken of leefgemeenschappen en niet meer van individuele autoriteiten. Clubvorming van ‘onderaf’’, het zelf regelen en ontwikkelen, wint duidelijk terrein. Een groep heeft en geeft meer gezag. Regulering gebeurt door sociale controle, ontwikkeling door samenwerking en het elkaar willen begeleiden of coachen.
“De belangrijkste oorzaak van het verdwijnen van het gemeenschapsgevoel en de opkomst van individualisme ligt aan het huidige economische model, dat op een systematische manier mensen tegen elkaar opzet en een toenemende mate van ongelijkheid creëert. Willen we terugkeren naar een evenwicht tussen gelijkheid en verschil, tussen gemeenschapszin en autonomie, dan zullen we de huidige arbeidsorganisatie sterk moeten wijzigen, de economie op een andere manier moeten doordenken en van ‘onderaf’ lokaal moeten veranderen”…

We staan aan de vooravond van een revolutie die de mens in staat stelt zichzelf biologisch en collectief (dus cultureel) te veranderen (Giphart & Van Vugt, 2016).

Voor literatuurannotaties zie de link  LITERATUUR