Cultuur en identiteit in verandering
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

Cultuur én identiteit in verandering (versie november 2018)

 

Samenvatting. Collectieve en persoonlijke identiteit zijn nauw met cultuur c.q. samenleving verbonden. De plek op aarde, de geschiedenis van mensen en hun ontwikkeling door de tijd heen, alsmede actuele gebeurtenissen en ontwikkelingen beïnvloeden een samenleving maar óók het gedrag van individuen en groepen. Evolutie – naar aanleg en omgeving – vormt in potentie de aanjager van biologische (‘actief-zijn en bewegen’) en culturele (‘leren en ontwikkelen’) veranderingen. Welke kenmerken hebben en ontwikkelen we als collectief van ‘de Nederlander’? Hoe ziet onze toekomstige cultuur/samenleving en persoonlijke, maar vooral collectieve identiteit eruit?

Lees- en fundamenteel/planniveau 2 voor kartrekker, coördinator, leefstijlcoach en/of 55-plusser.

 

Geschiedenis heeft twee ontwikkelingsniveaus. Het meest fundamentele, Big History genaamd, is de ontwikkeling van het universum, de wereld en de mens met als kenmerk: toenemende complexiteit. Het is een evolutionair gebeuren. De komst van complexere zaken vond plaats op cruciale overgangsmomenten. Het zijn omslagpunten die ontwikkeling in een wat andere en bepaald richting sturen. Zoals bijvoorbeeld: de oerknal (zo’n tien miljard jaar geleden), het eerste leven op aarde, eerste sporen van onze soort, twee honderd duizend jaar geleden (homo sapiens), ontwikkeling naar een duurzame wereldorde (Christian, 2018, p.27). Het streven is om op basis van een gemeenschappelijk verhaal en vele wetenschapsgebieden (o.a. sterrenkunde, geologie, biologie, psychologie) onze ontstaans- en ontwikkelingsgeschiedenis te (re)construeren. Als de mens op het toneel verschijnt – in het antropoceen -  en er groepen of staten gaan ontstaan wordt collectief leren belangrijk. Dat leidt tot het ontstaan van nieuwe technologieën, nieuwe informatie of kennis, nieuwe sociale betrekkingen en nieuw culturele tradities (p.239). “De noösfeer, de sfeer van de geest, werd de dominante drijvende kracht achter de veranderingen in de biosfeer” (Christian, 2018, p.327). We zoemen in deze bijdrage vooral in op evolutionaire en culturele ontwikkelingen.    


In de afgelopen decennia hebben we geleerd dat we ons leven zelf vorm en inhoud kunnen geven. We leren steeds meer of beter dat we dat vooral samen - als groep of collectief - kunnen doen. Velen zijn in staat een fysiek en mentaal actieve of ondernemende leefstijl te praktiseren. Dat lukt in belangrijke mate ‘zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk’. We kunnen onze omgeving zelf voor een groot deel, alleen en samen, ontwerpen en maken. Dat gebeurt in elke levensfase ‘anders (in omvang en niveau)’ en met activiteiten of taken op het gebied van werk, zorg/opvoeding/vorming, ontspanning en opleiding/ontwikkeling (Baars, 2007). Daarover hebben we het in andere bijdragen op deze site.
Wat we, hoe en waarom doen hangt af van wat we willen, de omstandigheden (of omgeving), onze (fysieke en mentale) mogelijkheden en de mate van optimale samenwerking of taakverdeling in groepen, netwerken of leefgemeenschappen of – kortweg - ‘clubs’ (Geraerts, 2016; Lemaire, 2010). In deze bijdrage zoeken we naar belangrijke kenmerken van ‘de Nederlander’ en de trends in onze toekomstige ‘cultuur’ als omgevingsbeïnvloeding op de vooral collectieve identiteitsontwikkeling.


Beelden van onze cultuur en collectieve identiteit
Cultuur is het mens- en wereldbeeld dat bewoners van – meestal - een land, regio en/of plaats overwegend en door de jaren heen, in gedrag en opvattingen als gemeenschappelijk ervaren. Een geheel van gedrag, voorstellingen, rituelen, opvattingen, waarden, waarde-gebieden en normen, die we in een samenleving verwerven, leren en ontwikkelen. Een beeld dat je terugvindt in het dagelijks leven of het geleefde (mens- en omgeving)beeld. In hoe mensen met elkaar en waarover  communiceren is daarnaast het gesproken beeld. En tenslotte in hoe ze, overwegend, het eigen gedrag in een breder verband verantwoorden als hun ‘visie op mens- en samenleving’: het besproken beeld (Kwant, 1975; Timmers, 2012). Dat ‘besproken beeld’ zijn de relatief breed gedragen opvattingen (of: overtuigingen, handelingsaanbevelingen, waarden en normen) die iemand of een groep, op een bepaald gebied (‘sporten na je 55e‘) in het geheel van het bestaan, van belang vindt. Deze opvattingen verschillen in mate van abstractie of algemeenheid en kun je formuleren op plan- en praktisch handelingsniveau óf op fundamenteel wetenschappelijk-filosofisch niveau. Ze komen onderstaand ruimschoots aan de orde.
Goed omgaan met elkaar én met een verscheidenheid aan opvattingen, interesses en niveaus, bepaalt de kwaliteit van een samenleving, zoals bijvoorbeeld de Nederlandse (Hofstede, Hofstede & Minkov, 2011). Cultuur en identiteit hangen nauw samen en geven betekenis aan omgevingen. Persoonlijke en collectieve identiteit wordt gevormd door zelfbesef, omgevingsbesef en - omdat alles (‘mens en wereld’) voortdurend aan veranderen onderhevig gaan we ‘anders’ denken, voelen, handelen en waarderen - ook ontwikkelingsbesef (Verkuylen, 2010). De mate waarin we individuele identiteiten in groepen of landen met elkaar delen, bepaalt de collectieve identiteit (van Dijk, 2018). 

Ontwikkeling mens- en wereldbeelden op plan- en praktijkniveau

Moet nog steeds kunnen. Herman Pleij (2017) plaatst de culturele ontwikkeling van Nederland in een breed historisch perspectief: hoe komt het dat we zijn, wie we (samen) zijn? Diversificatie of verscheidenheid is een zo’n dominant kenmerk (p.97-98). “Het overkoepelende motto is: ‘moet kunnen’. Maar misschien beter nog: ‘niet omdat het moet, maar omdat het kan’ (p.116-117)” .
We vertonen door de tijd heen eenheid in verdeeldheid. Maar tegelijk speelt ook saamhorigheid, tot in de kleinste verbanden van ‘clubs’, netwerken, leefgemeenschappen op vele gebieden, een belangrijke rol. De ‘participerende samenleving’ – het elkaar op z’n tijd helpen – hoort bij ons.
Iedereen wil aan alles meedoen en heeft overal een mening over. Vooral het poldermodel zorgt in de twintigste eeuw voor consensus. We vinden ons zelfbewust, ondernemend (initiatiefvol, actief) en op zelfstandigheid gericht. We willen handelen inclusief het overal (ter wereld) handel drijven. En de van oudsher kleine verbanden, het ‘nederzettingenbeleid’, sterkt onze saamhorigheid. Toen en nu bieden lokale en kleine groepen autoriteit. Personen als autoriteiten moeten we daarentegen niet.
Het overal en steeds weer opkomen voor het eigen gelijk, de doorschietende individualisering (onder andere in sociale media), zorgt bij tijd en wijle voor toenemende verhuftering (p.287). Hoewel ‘niets deugt’ (zeggen we) voelen we ons zelf toch erg gelukkig. ”Gelijkheids-denken, wantrouwen tegen autoriteiten en hiërarchieën, de sociale media en het wegvallen van ideologieën hebben vooral in Nederland de gedemocratiseerde verbeelding in de hand gewerkt (p.288)”. We hebben een lange traditie van tolerantie en gedogen. Experimenteren met drugsbeleid, abortus, euthanasie en homohuwelijk leidt wel intern regelmatig tot discussie maar nauwelijks tot confrontatie. Wat een ander wil, hoef jij nog niet te doen. Het vereist tact en empathie en dat blijkt voor een deel van onze gemeenschap mogelijk te zijn. Solidariteit (pensioenstelsel), gelijkwaardigheid (kans op goed onderwijs voor iedereen) en democratie (iedereen kan meepraten) juichen we in veel gevallen toe. Maar we kunnen ook drammerig ons eigen belang aan de orde stellen. “Nederland blijft bevangen door decentralisme, gelijkwaardigheid, persoonlijk initiatief, individuele betrokkenheid, zelfredzaamheid en pragmatische saamhorigheidsgevoelens. En dat bevalt ons uitstekend” (p.267).


Beknopte geschiedenis van Nederland. Kennedy (2017) onderschrijft de visie van Pleij. Door samenwerken kunnen Nederlanders gedeelde problemen het hoofd bieden of strijden tegen gezamenlijke vijanden. Zo is een samenleving ontstaan met veel ruimte voor overleg door consensus, met actieve, ondernemende burgers en een rijk verenigingsleven. Het bijstand verlenen aan behoeftigen en het streven om de samenleving te verbeteren is in de cultuur ingebakken. Het omgaan met verschillen is bevorderd door de sterke religieuze verschillen. Steden waren en zijn bastions van vrijheid en zelfbestuur. Het vrije klimaat stimuleerde de reflectie op de morele en politieke orde en leidde tot weinig ontzag voor kerkelijke of wereldlijke autoriteiten. Uitgaansleven, recreatie en sport (tot dan voor de rijken) kregen vanaf eind 19e eeuw steeds meer aandacht bij de gewone burgers.
Confessionele dominantie belemmert lang de technologische vooruitgang en moderne maatschappelijke ontwikkelingen (zoals vrouwenemancipatie, de pil en abortus en het recht op euthanasie). Na WOII vermindert die dominantie en neemt de innovatiebereidheid toe.

We voelen ons na de tweede wereldoorlog een ‘progressief gidsland’, mede door onze van huis uit religieuze instelling. De introductie van de anticonceptiepil veranderde de seksuele praktijk,  zowel binnen als buiten het huwelijk en bevordert de emancipatie van de vrouw. Het onderwijs werd voor iedereen toegankelijk gemaakt, maar desondanks zijn er, anno 2017, naar schatting nog twee miljoen laaggeletterden en de kloof tussen hoog en laag opgeleiden wordt groter.

De staat promoot de gedachte van solidariteit, maar gezag werd - met name in de jaren tachtig - uitgedaagd. Klimaat wordt vanaf de jaren vijftig een heet hangijzer. Ook ‘grenzen aan groei’ is vanaf dat moment een item, maar groei wordt nog steeds nagestreefd. “Morele en religieuze dwangbuizen uit het verleden worden steeds meer verworpen en zelfontplooiing krijgt meer aandacht”(p.356). Innovatief denken wordt belangrijk.
We zijn steeds meer een natie van immigranten. “De samenleving wordt tegelijk gekenmerkt door relatieve rust, weinig criminaliteit en met de uitgebreidste burgerparticipatienetwerken in de wereld”(p.382). Zowel samenleving als politiek worden sterk beïnvloed door het naast elkaar bestaan van vele verschillende bevolkingsgroepen, belangen en religies. We vertonen een hoge graad van samenwerking en streven naar een harmonieuze samenleving.


Winnaars en verliezers. Onze cultuur wordt sterk door immigratie beïnvloed. Leo en Jan Lucassen  maken een balans op van vijfhonderd jaar immigratie’ in Nederland (2011). Ze geven een schets van de ontwikkeling het wel en niet assimileren van culturen in onze samenleving: de ‘diversificatie’.

Nederland neemt, net als alle andere Europese landen, altijd al gastarbeiders en vluchtelingen op. In tijden waarin het ons economisch voor de wind gaat, is iedereen welkom. Dat wordt anders als er recessie of een crises is, dan neemt acceptatie en tolerantie sterk af. Het land is dan plotseling ‘(te) vol’. Het onbehagen neemt toe als instromers de lokale bevolking in aantal sterk gaan overheersen. De immigratie blijft gemiddeld door de jaren heen onder de veertigduizend per jaar. Ongeveer tienduizend hiervan zijn asielzoeker. Veel immigranten zijn hoog opgeleid. .Er vond in de laatste decennia geen extreme instroom plaats van Moslims. Noch in Nederland, noch in Europa (Lucassen & Lucassen, 2011, p.36-37). Syrische vluchtelingen en vooral economische vluchtelingen die met hen meekwamen, hebben dat beeld doen kantelen.
In het algemeen versterken immigranten de economische positie van een land en vindt er op gebieden als mode, media, universiteiten, banken, hoogwaardige technische bedrijven interculturele ‘kruisbestuiving’ plaats. Het is jammer dat velen lang in opvangkampen moeten verblijven, waardoor onvoldoende van hun werkkracht kan worden geprofiteerd. Veel instromers houden hun geloof en trouwen in eigen kring. Daarmee houden ze ook hun eigen culturele waarden. Zo wordt ons culturele landschap is divers, maar herkenbaar. We spreken allemaal Nederlands, dragen door werk bij aan de ontwikkeling van de samenleving en betalen belasting die ons ook allemaal ten goede komt. We verschillen in de mate van ‘strengheid’ over hoe we ons ten opzichte van elkaar moeten gedragen en wat we moeten geloven. Soms is dat zo ‘streng’ dat tolerantie naar anderen volledig ontbreekt.  Integratie is op elk moment in onze geschiedenis redelijk geslaagd. Maar dat kost, zeker na een periode van grote instroom, de nodige tijd. Soms wel twee of drie generaties lang. Elke minderheidsgroep heeft een eigen cultuur en een eigen sociale identiteit. In de loop van de tijd vindt een zekere aanpassing daarvan aan de dominante cultuur van de meerderheid plaatsvinden (Verbrugge, 2007). Die aanpassing verloopt per groep (ben je meerderheid of minderheid) verschillend en heeft persoonlijke consequenties. Hoe tolerant wil je immers zelf zijn? Veroordeel je schendingen van mensenrechten? Een collectief gedeelde cultuur ontstaat het gemakkelijkst als we tolerant zijn en respectvol met elkaar omgaan. Het hoofddoekje van de moslima of de kerkkleding van gereformeerde mannen en vrouwen op de Veluwe, is dan volstrekt acceptabel.

 

Ontwikkeling mens- en wereldbeelden op fundamenteel en planniveau

Plaats je culturele ontwikkeling in een meer fundamenteel, algemeen toepasbaar beeld, dan ontstaan de volgende opvattingen.

Reizen met John. Van culturele verschillen met andere landen of werelddelen kunnen we leren of in vergelijkende zin waarderen. Geert Mak (2012) geeft in zijn verkenning van de Verenigde Staten in vergelijking met Europa aan, dat Amerikanen een sterke behoefte hebben aan: vrijheid, ondernemerschap, individualisme, democratie, respect voor wet en constitutie, religieus zonder dwang, saamhorig als gelijkgezinde burgers (p.76). Daardoor leeft ook zo’n 15% in armoede. ‘Home’ in Amerika betekent woning, gezin, familie. ‘Home’ in Europa is ‘mijn land’. In de VS ontstaan spanningen door principes als: ‘autonomie van de staat en individu, reikwijdte van de federale overheid, de macht om belastingen te heffen en gelijkwaardigheid van mensen’ (p.167). Europa en de VS trokken gezamenlijk op, maar dit machtsblok lijkt uiteen te vallen door de recente nationalistische tendens van het ‘America first’.     

 

China en de barbaren. Henk Schulte Nordholt beschrijft (2015) in de culturele en filosofische geschiedenis van China hun keuze voor een ‘derde weg (2015, p.20). Het land is antidemocratisch, economisch kapitalistisch en nationalistisch. Socialisme, liberalisme en confucianisme (een Oosterse humanistische variant die boven religie gaat) strijden om voorrang. China is voortdurend op zoek naar een balans tussen individuele vrijheid, solidariteit en zorgplicht voor de aarde. Er is sprake van een ‘consultatieve democratie’ (raadpleging van verschillende sectoren in de samenleving) met één partij aan de macht, want “vrijheid in overleg, maar eenheid in uitvoering”, blijft nodig (p.196).


Allemaal andersdenkenden. Nationale culturen zijn aan de hand van de volgende dimensies te typeren (Hofstede, Hofstede en Minkov, 2011)….
* Machtafstand (groot of klein): de mate waarin de macht van instituties of organisaties in een land verdeeld is. In Nederland is de machtafstand klein.

* Individualisme versus collectivisme: onderlinge banden tussen individuen zijn los versus hechte en loyale groep. Nederlanders zijn individualistisch ingesteld.

* Masculiniteit (leven om te werken) versus feminiteit (werken om te leven): een samenleving is masculien als emotionele sekserollen duidelijk gescheiden zijn (hard en gericht op materieel succes versus bescheiden en gericht op kwaliteit van het bestaan) en feminien als emotionele rollen elkaar overlappen (mannen en vrouwen zijn beide bescheiden, teder en gericht op de kwaliteit van het bestaan). Nederland is feminien en heeft een voorkeur voor het oplossen van conflicten door onderhandelen en compromissen.
* Onzekerheidsvermijding is zwak of sterk. Nederland is daarin gemiddeld. Landen met een zwakke onzekerheidsvermijding brengen eerder fundamenteel nieuwe ideeën voort, omdat hun cultuur toleranter staat tegenover wat afwijkt.

* Gerichtheid op korte of lange termijn. ‘Korte termijn’ betekent gericht zijn op het nastreven van deugden in verleden en heden met name het respect voor traditie, voorkomen van gezichtsverlies en het voldoen aan sociale verplichtingen. ‘Lange termijn’ betekent gericht zijn op streven naar toekomstige beloning door middel van volharding en spaarzaamheid. Religieuze, politieke en economische fundamentalisten zijn agressieve tegenstanders van het lange termijn denken. In Nederland overheerst dat laatste.

Cultuur is een evolutiemechanisme en ontwikkelt zich divers. We bevinden ons in deze fase in een proces van samensmelting en expansie van morele kringen.  “Het enige wat je voor evolutie nodig hebt zijn generaties, die een overschot aan afstammelingen voortbrengen, variatie erven van hun voorouders en door selectie de minder succesvolle varianten in een generatie geen kans geeft” (Hofstede et al, p. 445).

 
Paniek in de polder. De Mul constateert op een bepaald moment het volgende (2011, p.29)…. “Sociaaleconomisch wordt de door het neoliberalisme aangestuurde globalisering als bedreigend ervaren….Het heeft bijvoorbeeld de verzorgingsstaat aangetast en het gevoel van onderlinge solidariteit…. Cultureel gezien lijkt de vertrouwde nationale cultuur te verdwijnen en verlangen mensen terug naar ‘toen geluk nog heel gewoon was’”. Nederland is van huis uit een egalitaire en op consensus gerichte samenleving die tot polderen bereid is. Ondanks verschillen, door overleg tot consensus komen. Elke cultuur is van waarde en past bij de mensen in die regio en in die tijd. De eigen geschiedenis, natuurlijke omgeving en manier van leven, maken culturele ontwikkelingen begrijpelijk. Als binnen een samenleving meerdere culturen een rol spelen, is het van belang het typische van die culturenmix te beschrijven en op zo’n manier dat een Fries, een Limburger, een Turk of Roemeen, zich erin blijven herkennen. Minimaal is het accepteren van elkaars identiteit nodig. Een liberale democratie levert de combinatie van vrijheid, gelijkheid en garanties tegen de dictatuur van een meerderheid. Een democratie kent een mix van culturen bestaat met elk een eigen identiteit (Stuurman, 2009, p.499). Samen geven we cultuur vorm en inhoud en vindt vermenging én acceptatie van gedrag en opvattingen plaats. Ga maar eens na wat er gebeurt als duizend Gelderlanders in Dokkum gaan wonen (De Mul, 2010; 2011). Als een democratie goed functioneert lost het problemen voldoende op.

 

De kunst van het vreedzaam vechten. ‘’Een wereld zonder (belangen- of waarde)conflicten is ondenkbaar, maar ook onwenselijk. Botsingen van tegengestelde meningen en belangen zijn in een open samenleving een goede zaak. Hoe gaan we goed en afdoende met een conflict om? Er zijn vele gebieden in onze samenleving  - zoals sport, wetenschap, rechtspraak, politiek - waar conflicten gemakkelijk ontstaan. Achterhuis & de Koning (2014) spreken in hun cultuuranalyse van ‘vreedzaam vechten’, de kunst die vrede en welvaart met zich meebrengt. Beschavingen beschikken, vroeg of laat, over vreedzame vechtstrategieën. “Er is vrijheidsbegrenzing nodig van culturen die dominant verticaal of horizontaal geordend zijn. Verticaal is het ondergeschikt zijn aan personen en instellingen die weinig ruimte bieden. Horizontaal is het ondergeschikt zijn aan formele procedures die een grotere vrijheidsmarge mogelijk maakt. Deze reguleren het gedrag van mensen, zonder hen aan anderen ondergeschikt te maken” (p.23 & 371). Horizontalisering is een essentieel kenmerk van modernisering (p.66), zoals we die (nog en over het algemeen) in Nederland aantreffen. Deze vindt plaats onder twee voorwaarden (p.254): (1) ontregelen van de oude verticale orde en (2) aanknopingspunten hebben voor nieuwe vormen die de oude kunnen vervangen. Zelfbeperking op individueel vlak is nodig (p.591). Vrijheidsbegrenzing en zelfbeperking is een kwestie van oefenen in het reguleren en het gedisciplineerd handelen.
Het omgaan met conflicten kent vier manieren van de ‘strijd aangaan’ c.q. tonen van ‘sportiviteit’: worstelen (om bestaan te beveiligen), wedijveren (met gelijke verlangens), ijveren (om de waarden, belangen, opvattingen, overtuigingen – hun identiteit -  tegen anderen te verdedigen) en ontworstelen (aan door traditie gegeven waarden en voorschriften).
Op macroniveau zijn “moderniseringstheorieën pogingen om samenhang te ontdekken in uiteenlopende veranderingsprocessen zoals de opkomst van markteconomieën, massaproductie, technische vooruitgang, scholing, individualisering, verstedelijking, secularisatie, vermaatschappelijking en emancipatie” (p.551). Ervaren van gelijkwaardigheid en het accepteren van vrijheid binnen afgesproken grenzen zijn nodig om ambities te beteugelen. Verzet tegen modernisering komt van ‘eerbied voor het heilige’(orthodox-religieus; rechtzinnig religieus verzet), ‘gehoorzaamheid aan een onaantastbaar gezag (conservatief verzet) en ‘saamhorigheid op basis van verwantschap met een gemeenschappelijk front tegen buitenstaanders’(populistisch verzet). Ook combinaties en mengvormen zijn mogelijk (p.565). ‘Modern’ staat voor: seculier, individualistisch en kosmopolitisch en deze worden door hoger geschoolden en hogere inkomensgroepen het meest onderschreven. Lager geschoolden en lagere inkomensgroepen zijn meer vatbaar voor xenofobie en chauvinisme, terwijl ze daar juist veel minder baat bij hebben. Ze ontwijken juist de ‘strijd’.

 

Voortgaande evolutie van mens(heid) en cultuur

Natuur (aanleg) én cultuur (omgeving) spelen beide een fundamentele rol bij de menselijke evolutie. Biologie-natuur levert de ‘ruwe vorm’ en cultuur specificeert dat (Buskes, 2013; Verhoeven, 2013; Giphart & Van Vugt, 2016). De menselijke mogelijkheden kunnen voor 'twintig tot veertig procent' genetisch worden verklaard. Genetische ontwikkeling is in essentie: onvermijdelijk, kijkt niet vooruit, kent op zich geen doel, is afhankelijk van haar eigen geschiedenis en maakt gebruik van vele replicatoren. Het vermogen om cultuur te ontwikkelen ligt eveneens in onze genen verankerd (Buskes, 2013). Genen (via DNA van ouder op kind) en memen (opvattingen/overtuigingen, van brein tot brein via sociale interactie door taal en imitatie) zorgen voor waarneming en ontwikkeling (Broers, 2015; Giphart & Van Vugt, 2016; Verhoeven, 2013). Ontwikkelen kàn dus zonder een beroep te doen op het bovennatuurlijke (Buskes, 2013, p.1). Memen zijn cultuurelementen die door imitatie, taal en communicatie apart (‘versiering van het lichaam’) of als complex (‘bewegen is gezond’) worden verkregen. ‘Opvattingen’ spelen als ‘memen-complexen’ – op fundamenteel, plan- en/of praktijkniveau - een belangrijke rol. Geest, zelf of bewustzijn is een creatie van memen (Buskes, 2013; p.229).
Cultuur omvat ‘vaardigheden’ die door imitatie, in gesproken en geschreven woord en in (digitale) beelden) aan onze kinderen (verticaal) en anderen (horizontaal) worden doorgegeven. Het aanpassen, veranderen en ontwikkelen zijn dialogische processen tussen ‘ik’ én ‘omgeving. Mens én samenleving/cultuur’ vormen een bio-culturele eenheid (Baltes et al., 2006). “Bij de moderne mens heeft de evolutie nu het stadium van zelfbewustzijn, psyche of geest bereikt. Wij zijn de eerste wezens die besef hebben van hun eigen oorsprong en eindigheid” (Buskes, 2013; p.187). Bewustzijn betekent het vermogen hebben tot zelfbesef en van identiteit plus in welke gradaties. We ervaren een eenheid van lichaam en geest die in de evolutie fundamenteel gebonden is aan ‘ontwikkelen én bewegen’. De twee pijlers van ons bestaan. (Baltes et al., 2007; Heijne, 2015; Timmers, 2012; Voorsluis, 2009).

 

Neem je evolutie als uitgangspunt voor ons bestaan, dan zijn ‘matches en mismatches’ en het antwoord op: ‘hoe voorkomen dat we door ons oeroude brein misleid worden’, voor de hand liggend (Giphart & Van Vugt, 2016). Stress, burnout en depressie zijn voorbeelden van onze tekort schietend omgaan met omgevings- c.q. samenlevingsproblemen. Het bestaan is overigens ook op te vatten als een opgave om, gegeven je fysieke en mentale mogelijkheden, de omgeving zo optimaal mogelijk te benutten of deze zo te veranderen dat afstemming beter of meer mogelijk is (Timmers, 2012). Dat vereist enige ‘levenskunst’.
Van een mismatch is sprake wanneer je lichaam niet goed aan de omgeving is aangepast en van een match als een persoon in een bepaalde omgeving gedrag vertoont, dat zijn of haar evolutionaire belangen dient en zorg draagt voor eigen overleving, voortplanting en ontwikkeling. “Ons primitieve brein is echter (nog) niet goed aangepast aan de ‘nieuwe’ omgeving” (Giphart & Van Vugt, 2016, p.246). Anderen (zoals Mulder, 2009) vinden de mens juist een ‘geboren aanpasser’ en zien geen problemen met mismatches. Minder aangepast zijn komt door ‘het voorop stellen van het eigen belang, de sterke gerichtheid op het hier en nu in plaats van op de toekomst, onze statusgevoeligheid en de neiging tot volgen van wat de mensen om ons heen doen (kopieergedrag)’ (Giphart & Van Vugt, 2016, p 147-149). Actief-zelfstandig handelen, relativeren, kritisch reflecteren én optimaal ‘beleven, leren en ontwikkelen’ voorkomen mismatches. “…. hoe meer iemands leven een match is, hoe groter de kans op een gelukkig en gezond leven” (Giphart & Van Vugt, 2016, p.311). Nu is meer het samen delen, stimuleren van empathie en respect voor elkaar, temperen van het persoonlijk statusbelang en het meer in ‘clubs’ samenwerken van belang. Matches zijn kortom gebaat bij actief beleven, leren en ontwikkelen binnen meerdere sociale omgevingen (Prinz, 2012).

 

Cornelis (1998) gaat van evolutie uit bij het streven naar communicatieve zelfsturing. Leren en ontwikkelen zijn fundamentele voorwaarden voor het bestaan en ‘evolutie’ is de aanjager hiervan. Cultuur heeft - evolutionair gezien - drie systeemniveaus: (1) het natuurlijke systeem; (2) het sociale regelsysteem en (3) het communicatieve zelfsturingssysteem. Elke cultuur toont de ontwikkeling van elkaar (ook deels) overlappende niveaus. Op elk niveau wordt een andere logica ontwikkeld om betekenis te verlenen aan het gevoel en elk systeem brengt ook een ander menstype voort. Zo levert het communicatieve systeem de creatieve mens op. Een gemeenschap en het individu ontwikkelen ‘identiteit’ (Cornelis, 1998, p.138).
Als eerste is de logica van geborgenheid in het natuurlijk systeem ontwikkelt dat werd gedomineerd door mythisch denken. Een ‘vorming’ die aan leren voorafgaat. Vervolgens ontplooien we ons handelen tot maatschappelijke bekwaamheid binnen de logica van een sociaal regelsysteem. De identiteit wordt hier gedomineerd door een sociale functie, de maatschappij en onze plaats daarin. Beroep en sociale rol kenmerken het bestaan. Leren geeft regels en besef van normen. In de communicatieve zelfsturing ontstaat zingeving en inzicht in kwaliteit en belang van waarden. Communicatie zorgt voor alternatieven en creativiteit voor ‘nieuw leren’. Door leren veranderen we omgevingen en ‘ontmoeten’ mens en maatschappij elkaar. “De opvoeding en de graad van ontwikkeling van de cultuur speelt een fundamentele rol in het bestaan en de ontwikkeling van de mens. Onze aanleg verandert niet. Cultuur bevordert of remt ontwikkeling. “Een mens kan niet slimmer zijn dan hij zelf is, maar ook niet slimmer dan de cultuur waarin hij leert of zich ontwikkelt. Wil hij of zij toch slimmer zijn, dan moet hij de cultuur veranderen en dat vereist creativiteit” (Cornelis, 1998, p.13).
In de zogenaamde betekeniseconomie is het maatschappelijk en individueel belang van welzijn het grootst (Klomp, Wobben & Kleijer, 2016). Dat sluit aan bij ‘communicatieve zelfsturing’ en het bevorderen van geluk. Het gaat niet om ‘meer bezit’, maar het leiden van een ‘beter leven’. In de betekeniseconomie is het streven de samenleving te verbeteren. “Voor bedrijven geldt dat het om meer gaat dan alleen winst maken. Het gaat er ook om de wereld fijner te maken!” (p.31) Een bedrijf moet de verantwoordelijkheid nemen op het gebied van gezondheid, gelijkheid, veiligheid en sociale verhoudingen binnen het bedrijf zelf en naar buiten toe” (p.60). Kortom: de ‘reis is belangrijker dan de bestemming’ Betekenisvol handelen als onderneming bevordert culturele ontwikkeling.

In een drieluik beschrijft Harari (2015, Homo Deus, 2018a, Homo Sapiens en 2018b, 21 lessen voor de 21e eeuw)) de evolutionaire ontwikkeling van de mens van toen, het heden én in de toekomst.

De samenleving bevat vele uitdagingen en sterke veranderingen als een constante op meerdere gebieden (zoals technologisch en politiek). “Kunstmatige intelligentie en biotechnologie ‘geven de mensheid het vermogen om het leven naar eigen inzicht om te vormen en te bouwen”(2018b; p.15). De zoektocht naar zingeving en gemeenschapszin wordt belangrijker dan het zoeken naar werk. De kan is groot dat er een grote overbodige massa ontstaat met te weinig opleiding  en relatief arm. “Een eventuele oplossing voor het technologisch vraagstuk zal internationale samenwerking vereisen, maar nationalisme, religie en cultuur verdelen de mensheid die wereldwijde samenwerking bemoeilijken”. (2018b; p.111). Thuis voelen in je lichaam is nodig om je ook in de wereld thuis te voelen. Elkaar leren kennen al ‘complete mensen’. Het probleem is dat we wel ‘kleine groepen’ kunnen vormen, maar moeilijk bindingen in grote (de ‘groep’ Gelderlanders, Nederlanders of Europeanen) groepen kunnen maken.

De mens beheerst nu de aarde en zal in de toekomst tot meer maakbaarheid als collectief in staat zijn. We slagen steeds meer in het samen oplossen van fundamentele problemen, zoals die van honger, ziekte of oorlog. We hebben daarmee ‘ongekende’ niveaus van rijkdom, gezondheid en harmonie bereikt, maar deze zijn niet ‘eerlijk’ over de wereld verdeeld. In de eenentwintigste eeuw streeft de mens naar het oplossen van …. 1 onsterfelijkheid c.q. langer leven in goede gezondheid; 2 wereldwijd geluk ofwel eeuwig genieten; 3 goddelijkheid ofwel het upgraden van lichaam en geest' (2015; p.32). Kanttekeningen hierbij…. (2015; p.67-68): de meesten willen en zullen er niet aan (kunnen) meedoen; streven om de dood te overwinnen is iets anders dan dat werkelijk bereiken; over technologische ontwikkelingen is discussie gewenst om tot meer gezamenlijk gedragen keuzes te komen.
Kennis neemt digitaal snel toe, wordt omvangrijker en diepgaander en bepaalt in toenemende mate ons gedrag. Hoe sneller daardoor economische, politieke en sociale veranderingen plaatsvinden, hoe sneller ook de kennis achterhaald zal raken (p.80). Een deel van de mensheid wordt door deze kennistoename en de parallel verlopende mechanisering overbodig. Vooral dat deel dat laag is opgeleid.
De ‘homo sapiens’ (2018a) heeft vele ecologische veranderingen bewerkstelligt, maar nu kan de mens de natuurlijke selectie gaan vervangen door 'intelligent design' én het leven van de organische sfeer gaan uitbreiden naar de anorganische sfeer”(p.85). De mens is flexibel en kan met velen samenwerken. Soms verloopt dat harmonieus en soms is er ‘vreedzaam vechten’ voor nodig. Steeds meer kennis vervangt mythen, religies of ideologieën en “maakt de wetenschappelijke weg naar vooruitgang vrij”(2018a; p.223).
(Humanistisch) onderwijs leidt al decennia lang tot een meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk leren en ontwikkelen. Inprenten van gehoorzaamheid en bestuderen van tradities bestaat niet meer. “We zullen keuzes met velen flexibel samenwerkend moeten leren en ontwikkelen”. Kunstmatige intelligentie zal dat steeds meer gaan ondersteunen en (deels?) vervangen (p.279).

Hoe meer vrijheid individuen genieten des te mooier, rijker en zinvoller de wereld wordt. Hoewel ‘vrije wil’ door de eigen mogelijkheden en die van omgevingen wordt begrenst, kunnen we ‘vrij’ kiezen. In ieder geval deterministisch door de werking van onze biologisch gebonden algoritmen en relatief ‘vrij’ door onze cultureel gebonden heuristieken en meerdere keuzemogelijkheden. Nieuwe technologie is techno-humanisme, bio-techno én datageloof. Techno-humanisme ontwikkelt zich door interfaces tussen hersenen en computers. Datageloof vervangt informatie door kennis en uiteindelijk tot wijsheid en … nog efficiëntere dataverwerkingssystemen (p.380). Eerst krijgt het humanistisch streven naar gezondheid, geluk en macht een impuls en zullen we keuzes bij de volgende wereldwijde ontwikkelingen moeten maken…
“1 De wetenschap koerst op een allesomvattend dogma af, dat zegt dat organismen algoritmen zijn en dat het leven dataverwerking is; 2 Intelligentie wordt losgekoppeld van bewustzijn; 3 Niet-bewuste, maar hyperintelligente algoritmen zullen ons spoedig misschien wel beter kennen dan we onszelf kennen” (p.409). 

Verbeek (2011) beschrijft de 'nieuwe mens' of 'homo deus' als "de mens die verantwoordelijkheid neemt voor zijn of haar eigen bestaan. Een bestaan dat vorm krijgt in relatie tot andere mensen, maatschappelijke structuren en technologische ontwikkelingen" (p.136). Het gaat hier over de ‘maakbaarheid van de mens’ en dus ook dat mens en technologie steeds meer met elkaar verweven raken en in verschillende relaties tot elkaar komen te staan. De aandacht van O’Connell (2018) gaat uit naar ‘Hoe we de dood kunnen overleven’ door technologieontwikkeling’. Hij bepleit een totale onafhankelijkheid van de biologie en een volledige onderwerping aan de technologie” (2018, p.15). De zwakke punten van de mensheid zijn immers: “de geringe weerbaarheid tegen ziekte, letsel en dood, de afhankelijkheid van een zeer specifieke leefomgeving, beperkte geheugencapaciteit en slechte beheersing van driften” (2018, p.13). Levensverlenging zou mogelijk kunnen zijn door…, het uploaden van het menselijk brein, verhoogde geestelijke capaciteit met behulp van farmacologische en technologische middelen, kunstmatige intelligentie en verbetering van het menselijk lichaam door middel van protheses en genetische modificatie” (2018, p.19).

Madsbjerg
(2017) daarentegen is kritisch op technologische ontwikkeling en ziet meer in een kwalitatief en sociaal wetenschappelijke benadering. We moeten kennis niet reduceren tot getallen … “dan verliezen we het contact met de literatuur, de kunst, de op beleving gerichte sport en de cultuur, die ons toestaan om onszelf te ervaren in complexe sociale verbanden”(2017, p.16). Zorg voor betekenisgeving, het belang hechten aan de menselijke factor. Onderzoek en ontwikkel cultuur in alle facetten. Maar laat de sociale omgeving blijven domineren. “De ‘menselijke ervaring’, de fenomenologische analyse van gedrag in een concrete sociale context” heeft prioriteit (2017, p.40). Het is de filosofische inspiratiebron van ‘betekenisgeving’ die als een holistische (totaal)aanpak functioneert. “Algoritmisch denken biedt ons de illusie van objectiviteit of van een perspectief zonder een bepaald standpunt, terwijl betekenisgeving ons juist de kans geeft om te bepalen waar we zijn én brengt ons in contact met waar we naar op weg zijn (2017, p.47). Het gaat echter veel meer om “hoe de technologie mensen kan dienen”(2017, p.73) en niet om “innovatie zonder sociale context”(2017, p.156). Per onderwerp is hiervoor een samenhangend geheel van objectieve, subjectieve, gedeelde en zintuigelijke kennis nodig die betekenis geven. Om iets of iemand geven, kan de mens wèl en het algoritmen niet.


Dennett
(2017) beschouwt lichaam en geest vanuit evolutionair perspectief als een geheel. ‘Geest en hersenen’, het biologische en het culturele vallen samen (p.34). Het ontstaan van bewustzijn is voor hem het kantelmoment in de menselijke evolutie en op te vatten als een continu ontwerpproces van afwisselend onderzoek (/reflectie) en ontwikkeling ‘van onderaf’ en uiteindelijk ook ‘bovenaf’. Competenties zijn aanvankelijk onbewust. Begrip en inzicht ontbreken. Op een bepaald moment ontstaat het ‘intelligent ontwerpen’ en dus wél begrip en inzicht. Het ‘waarom’ wordt als vraag gesteld: met welk doel is alles zo gegaan als het ging? Maar ook: op wat voor manier (hoe dus) ging alles zoals het ging? Er zijn processen en resultaten, maar die processen verliepen niet volgens een handleiding. In de evolutie zie je twee bewegingen: (1) doelloze ‘bottom-up’- ontwerpen en (2) computers leveren nu doelgerichte ‘top-down’- ontwerpen. De ontwikkeling van de menselijke geest is het gevolg van culturele evolutie. Die kon pas ontstaan toen de mens over nuttige ‘denkgereedschappen’ in zijn hersenen ging beschikken. Deze bestaan uit ‘memen’ zoals communicatiemiddelen en waarvan taal er een is. “Het talent kansen tot verbetering te herkennen en te gebruiken is de fenotypische eigenschap die door genen wordt overgebracht” (Dennett, 2017; p.158). Memen zijn manieren om iets te doen of te maken: ideeën, praktijken, methoden, overtuigingen, tradities en rituelen. Dit zijn informatiedragers. De sturende memen-complexen zijn opvattingen, overtuigingen, waarden en waarde-gebieden die op fundamenteel, plan- en praktisch niveau geformuleerd en gebruikt kunnen worden. Op praktisch niveau zijn het handelingsaanbevelingen. Opvattingen samen vormen theorie(ën) of kennisgehelen op allerlei gebieden.


Volgens Verhaeghe (2012) hangt …. “wie wij worden grotendeels af van onze omgeving”(p.11). Onze genen bepalen onze mogelijkheden en hoe we ons ontwikkelen. Dat gebeurt in een levenslange interactie met onze omgeving. Aanleg (wat aangeboren is; nature) en omgeving (wat ons aangeleerd wordt; nurture) bepalen beide onze persoonlijke en collectieve identiteit. Vanaf eind jaren negentig staat de ‘maakbaarheid van de mens centraal door het aanpassen aan of veranderen van een omgeving’. Dit dominerende maatschappelijke neoliberale model bepaalt al enkele decennia voor een belangrijk deel onze identiteit (competitief, op eigen profijt gericht, zelfverantwoordelijk voor succes en falen). “Ook het competentiegerichte onderwijs heeft het ideologische gedachtegoed van het neoliberalisme volledig geïmplementeerd in de scholing van onze kinderen” (Verhaeghe, 2012, p.161).
In West-Europa ontbreekt het nu op vele gebieden aan ‘autoriteit’ en macht om ‘ander’ of meer gewenst gedrag aan te moedigen (Verhaeghe, 2015, p.19). Autoriteit was een vooral verticale en ‘patriarchale top down’-autoriteit. De ontwikkeling gaat nu meer in de richting van horizontale autoriteit van (lokale) groepen, clubs, netwerken of leefgemeenschappen en niet meer van individuele autoriteiten. Clubvorming van ‘onderaf’’, het zelf regelen en ontwikkelen, wint duidelijk terrein (p.85, p.100). Een groep geeft gezag. Regulering gebeurt door wederzijdse sociale controle, ontwikkeling door samenwerking en het elkaar willen begeleiden.
“De belangrijkste oorzaak van het verdwijnen van het gemeenschapsgevoel en de opkomst van individualisme ligt aan het huidige economische model, dat op een systematische manier mensen tegen elkaar opzet en een toenemende mate van ongelijkheid creëert. Willen we terugkeren naar een evenwicht tussen gelijkheid en verschil, tussen gemeenschapszin en autonomie, dan zullen we de huidige arbeidsorganisatie ernstig moeten wijzigen, de economie op een andere manier moeten doordenken en van ‘onderaf’ lokaal moeten veranderen” (Verhaeghe, 2012, p.215). Maak dus ‘clubs’ en werk, leer en ontwikkel samen! Het zorgt voor sociale verandering.
We staan aan de vooravond van een genetische revolutie die de mens in staat stelt zichzelf biologisch en collectief (dus cultureel) te veranderen (Giphart & Van Vugt, 2016, p.313)..

Voor literatuurannotaties zie de link  LITERATUUR