Optimaal functioneren is optimaal bewegen en ontwikkelen
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

 

 

 

 

 

Optimaal presteren en ervaren!- Kernartikel 3B
Versie juli 2019.

 

Samenvatting Voor iedereen, maar zeker voor de 55-plusser, betekent optimaal functioneren het in 

praktijk brengen van een actieve, gezonde en zinvolle leefstijl die fysiek, mentaal en sociaal de nodige inspanning vereist. En dat een leven lang tot tevredenheid stemt. Veel en gevarieerd bewegen-sporten én leren-ontwikkelen zijn hiervan de fundamenten. Je kiest voor een zinvol geheel aan activiteiten op het gebied van (vrijwilligers)werk, zorg, ontspanning en ontwikkeling. Kenmerkend is: het individueel en samen zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk uitvoeren van deze activiteiten én een optimale uitvoering in beleven, presteren, ontwikkelen, kortom: ervaren’

Lees- en planniveau 2 voor kartrekker, coördinator, leefstijlcoach en/of 55-plusser.

 

 

 

 

 

 

 

IK als ‘totaal’ leer of ontwikkel een ‘totaal’!

Lichaam, bewustzijn (of geest) en omgeving is één geheel.  (Waarnemen,) denken, handelen, voelen en waarderen (betekenis of waarde toekennen) spelen bij elke actie en ervaring een ook elkaar beïnvloedende rol. Bij voetballen bijvoorbeeld kan het dan gaan om …. spelinzicht (denken), technische en tactische vaardigheden (handelen), sportief spel (handelen-voelen-waarderen), regelkennis (denken-handelen), kennis van leer- en ontwikkelmethoden (denken) en eerste hulp-vaardigheden (denken-waarderen). In het algemeen ‘regel- en ontwikkelkennis en -kunde’ van elke clubdeelnemer.
Bewustzijn (in casu denken, handelen, …etc) beïnvloedt en beschermt naar ‘binnen (lichaam) en buiten (omgeving)’ toe (Bos, 2017, p.230). Samen vormt dat een totaalpakket aan acties dat, afhankelijk van mijn rol en functie, bepaalde motorisch-fysieke, sociaal-affectieve en mentaal-cognitieve mogelijkheden vergt. Ook dat is een totaal-functioneringspakket waarover je beschikt bij de uitvoering van het voetballen en de door jou gekozen ‘wijze van deelnemen’ (‘recreatief, onderling op maat, spelen’). Deelervaringen zijn per definitie divers en verschillen per keer, mede afhankelijk van de eigen bewuste aandacht. Hoe speel ik? Hoe en op welke punten kan ik mijn medespelers het beste coachen? Hoe ontwikkelen we samen ons spel? 
Actief bewegen of leven is ook gezond en zinvol bewegen of leven. Het is ‘gezond’ als je je leven, naar je gevoel, in balans hebt. Taken en activiteiten (op het gebied van werk, zorg, ontspanning en ontwikkeling) die je graag wilt of nodig vindt om te doen, ook in voldoende mate doet. Je ervaart je bestaan als ‘in balans’. Ook uitdagingen of iets nieuws doen horen er bij. Dit alles geeft je een gezond en tevreden gevoel. Er kan op een bepaald moment of in een bepaalde periode disbalans ontstaan. Fysiek en mentaal ervaar je ongemakken of problemen. Het is ‘gezond en zinvol’ deze in principe zelf – gegeven je eigen mogelijkheden - op te lossen onder andere door datgeen te doen wat je nog of ook wél wilt doen. Gezond en zinvol ondersteunt een relatief actief bestaan. Je gaat sporten omdat je dat plezierig vindt en niet primair voor je gezondheid. Je leeft niet voor je gezondheid, maar je wilt wel gezond leven. Medicijnen en medische behandelingen zijn hierbij alleen van waarde als de eigen aanpak van een probleem niet of onvoldoende werkt.

‘Totaalplaatjes’ van prestaties!
Een actieve leefstijl is gebaseerd op een leven lang optimaal ‘bewegen en sporten’ én ‘leren en ontwikkelen’. Beide fudamenten samen doen een optimaal beroep op alle interne (= lichamelijke en geestelijke) processen en functies van ons gedrag in een ‘omgeving’ (zoals een 55-plus voetbalclub of het vakleraar Lihamelijke Opvoeding-zijn). ‘Optimaal functioneren’ geldt voor elke activiteit op elk gebied en motiveert zowel jezelf als elkaar. Dat vraagt om samenwerkend leren en ontwikkelen in bij voorkeur – hoe ouder, hoe meer gewenst -  lokale ‘clubs’ (groepen, netwerken, leefgemeenchappen).

Taken en activiteiten in het kader van actief leven, hebben betrekking op ‘werk, zorg, ontspanning en ontwikkeling’. Ze variëren in breedte en diepgang en veranderen naar aard en inzet per levensfase (Baars, 2007). Kenmerkend is het zelfstandig c.q. autonoom handelen. Als 55-plusser kun je zelf en samen alles regelen en ontwikkelen. Daarbij maken we gebruik van elkaars kwaliteiten, competenties of vaardigheden. De instelling van samenwerken, leren en ontwikkelen c.q. interesse van de groepsdeelnemers levert collectieve betrokkenheid op en een individueel bepaald, optimaal, niveau van presteren. Dit gegeven de eigen mogelijkheden en die van de groep. Deze richten zich op functies (of motieven) van de overheersende activiteiten of taken. De volgende (hoofd) functies, doelen of betekenissen zijn te onderscheiden, …..

 

*Communicatieve of tot omgang uitnodigende functie. Bewegen om gezellig met elkaar bezig te zijn. Samenwerkend leren binnen een ‘club’.
*Exploratieve of ontdekkende functie. Bewegen om avontuur en spanning te beleven. Onderzoeken, exploreren, actie ondernemen.
*Comperatieve-productieve of vergelijkende functie. Bewegen om te presteren voor jezelf. Vergelijkend presteren met anderen in een wedstrijdje. Energiek of vitaal zijn.

*Adaptieve of aanpassende functie. Bewegen om fit te worden of fit te blijven. Optimaal presteren op maat c.q. afgestemd op eigen mogelijkheden.
*Expressief-representatieve functie. Bewegen om te showen. Jezelf presenteren. Lichaamsverzorging, aandacht hebben voor je eigen lijf.
*Impressieve of invoelende functie. Bewegen om te bewegen. Belevingsvol ondergaan (in ‘flow’ komen) of empathie of intimiteit kunnen tonen

 

 

Het is ieders keuze maximaal of optimaal presteren. Maximaal presteren is onder andere in de competitie-en wedstrijdsport overheersend. Presteren op zich houd je vitaal, maar dosering is individueel gewenst (Post, 2016). Ontwikkelen van het optimaal presteren in de sport is vanaf je 35e en zeker vanaf je 55e aan te bevelen (Baltes et al., 2006; Bos, 2014, p. 235 en p.125).
Presteren levert zowel subjectieve ervaringen van ‘denken, doen, voelen en waarderen’ (= ergens betekenis geven aan….) op, als objectieve resultaten”. Als dat naar eigen tevredenheid (of welbevinden) plaatsvindt, is er sprake van een optimaal proces, functie én resultaat. Gericht op een bepaalde activiteit op een bepaald moment kan er zelfs sprake zijn van flow. Een volledig en geheel opgaan in een bepaalde activiteit. Zo betrokken zijn, dat je alles om je heen vergeet en je gevoelsmatig ‘als vanzelf’ handelt. ‘Flow’ - maar in het algemeen goede of positieve ervaringen - draagt bij  aan zelfontwikkeling. Daarvoor zijn de volgende condities nodig (Csikszentmihalyi, 2007; p.75) …

- een uitdagende activiteit (of taak) die ik wil uitvoeren en waarbij ik me zeer betrokken voel; 
- sterke concentratie en zo onbewust mogelijke uitvoering;
- het doel van de activiteit wordt optimaal gerealiseerd; er is onmiddellijke feedback op de prestatie, maar pas na afloop zijn we ons daarvanvan bewust;

- genieten van de uitvoering van de activiteit én het ‘beheerste’ handelen;

- samenhang in beleven van een ‘totaalplaatje’ én de fysieke-sociale-mentale ‘totaalervaring’;
- er ontstaat een ander tijdbesef: minuten kunnen uren duren en uren minuten; vooral het proces c.q. verloop van de activiteit wordt intens beleefd.

 

De gerichtheid van een ervaring kan ook op (delen van) het leven of bestaan betrekking hebben. Je kunt dan spreken van ‘gelukkig of tevreden zijn’ over ‘een zinvol bestaan’ of leefstijl. Het zijn duurzame en bewuste gevoelens die we ons bewust zijn (Dijksterhuis, 2015). Geluk wordt bepaald door de inhoud van ons bewustzijn of geest. Maar bewustzijn/denken omvat ook wat onbewust is en is een geheel met je handelen (het doelgerichte)/gedragen, voelen/emoties en waarderen/betekenis geven aan…..over (delen) van je bestaan. Die ‘delen’ omvatten activiteiten of taken die we met enige regelmaat uitvoeren. Het betreffen vaak sociale activiteiten. Het betreft dingen die je met of voor anderen doet. Geluk bestaat voor veertig procent uit genen, tien procent omstandigheden en vijftig procent door eigen gedrag (p 61). Naarmate we ouder worden worden we gelukkiger van het ‘geven van zorg’ (aan familie, vrienden of vreemden) en het doen van vrijwilligerswerk. Hetzelfde geldt voor het je verbonden voelen met … of het delen van opvattingen met …. anderen in ‘clubs’, netwerken of leefgemeenschappen. Kortom een actieve leefstijl, dus veel bewegen en jezelf op vele gebieden optimaal ontwikkelen, maakt je erg gelukkig. En zo ook ervaringen die je deelt met anderen en waarbij je anderen helpt, levert een grote bijdrage (p.132). Of zoals Dijksterhuis het zelf formuleert (p.134): “Mensen die erg gelukkig zijn hebben meestal een gezond en stimulerend sociaal netwerk; ze ondernemen in hun vrije tijd dingen die veel voldoening geven; ze zijn erg tevreden met (delen) van hun bestaan; ze maken keuzes die hen in staat stellen aan hun sterkste behoeften te voldoen; ze doen wat ze het liefste willen doen en kunnen hun grootste talenten voldoende ontplooien”. Een hoge prestatiebehoefte hebben betekent uitdagingen willen aangaan, vooral samenwerkend willen leren en ontwikkelen en grenzen willen verleggen. Dit kan op alle terreinen van ons bestaan worden toegepast. Zelfontplooiing, competentie en verbondenheid zijn de drijfveren. Als aan basale levensbehoeften wordt voldaan, hangt geluk af van levensstijl (en niet meer van welvaart).


Optimaal leven, bewegen …en sporten!

Het leven of bewegen is een opgave om, gegeven je fysieke, mentale en sociale mogelijkheden, zo optimaal mogelijk omgevingen te benutten en deze eventueel zo te veranderen dat er een betere afstemming met het eigen functioneren en dat van een groep ontstaat (Timmers, 2012). Veel bewegen en sporten én leren en ontwikkelen op vele gebieden en in vele ‘(55-plus)clubs’ zijn de aanjagers en fundamenten van ons bestaan: fysiek, mentaal en sociaal, op zich en samen. ‘Leren en ontwikkelen’, en daarmee zelf je bewustzijn waarnemen, geeft je ook handvatten vele problemen op te lossen. Lichamelijke of psychische bijvoorbeeld (blessures, angst, stress, burn out, depressie, eenzaamheid, te prestatie gedreven, ….) Je kunt dus ook zelfhelend functioneren (Chopra & Tanzi, p.27) met reflectie en discipline als middelen (Appelo, 2011).


Sportvormen zijn globaal op drie niveaus van complexiteit te ordenen……

Op een basaal complexiteitsniveau gaat het om ‘al verplaatsend je evenwicht houden’, zoals bij (nordic) wandelen of fietsen en een fysieke voorwaarde. Kennis hebben van het te gebruiken materiaal of te benutten omgevingsvoorwaarden (‘harder trappen als je een heuvel opgaat’) is een mentaal-cognitieve voorwaarde. Het is een ‘actie’ van jouw lichaam met het beschikbare materiaal in een bepaalde omgeving.
Op een gemiddeld niveau: is het naast lichaamsacties reageren op het gedrag van medespeler(s) en/of tegenstander(s), het tactisch handelen, maakt tennis, badminton of tafeltennis wat coördinatie betreft complexer. Van dezelfde orde is dans of bewegen op muziek. Het instellen op de actie van een partner (en andere dansers in je omgeving) is nodig en het bewegen op maat en ritme van de muziek.
Op een hoog niveau: doelsporten als floorball en streetbasketball zijn wat coördinatie betreft complex. Gedrag van mede- en tegenspelers beïnvloedt het tactisch spelgedrag van individu en team. Op dit niveau is ook het inzicht krijgen in hoe je beweeg- en sportvormen al doende leert en ontwikkelt (de leer- of ontwikkelmethode; het leren hoe te leren) van belang.

Dagelijks en ‘gemiddeld’ bewegen doe je altijd. Dagelijks sporten verhoogt de kans dat ‘optimaal’ te doen. Het is afhankelijk van de inspanning die een activiteit op zich vraagt. Dat varieert van één tot drie uur per dag en wijkt sterk af van de ‘Nederlandse Norm Gezond Bewegen’. Deze heeft beperkte waarde, geeft wel enige indicatie van fitheid en wordt daarom vaak als sportnorm voor onderzoek gebruikt. Voor een volwassene geldt: zorg gedurende minimaal een half uur voor een matig intensieve lichamelijke activiteit, op vijf - maar bij voorkeur alle - dagen van de week. ‘Matig intensief’ is 5 tot 6 km wandelen per uur of 15 tot 20 km fietsen. Een 55-plusser moet bij ‘matig intensief’ denken aan 3 tot 4 kilometer per uur wandelen of 10 tot 15 kilometer fietsen.
Vanaf medio 2017 bestaat er een nieuwe ‘norm’….. "Bewegen is goed voor de gezondheid, maar dat kan ook gewoon door trap te lopen, te tuinieren of op fiets te stappen. Beweeg tweeënhalf uur per week matig intensief en verdeeld over de week. Integreer bewegen in je dagelijks leven. Zoek activiteiten die vragen om uithoudingsvermogen en kracht. Voorkom veel stilzitten".  Omdat de mogelijkheden voor het leveren van inspanning bij iedereen verschilt en dus maatwerk voor de hand ligt, de nieuwe generatie voor een zeer groot deel langjarige sportervaring heeft én regelmatig optimaal bewegen/sporten een leven lang blijven ontwikkelen c.q. ‘op niveau’ houden (in zelf gevormde en geleide 55-plus ‘clubs’), is dit ‘minimum’ voor die 55-plusser van weinig waarde.

 

Activiteiten vragen meer of minder coördinatie, fysiek-motorische of mentaal-strategische. Dat kan dus bijvoorbeeld de sportactiviteit yoga zijn. Qua coördinatie vereist deze relatief eenvoudige beweegactiviteiten. Deelnemen geeft ontspanning en wordt daarom een ‘meditatieve sport' genoemd (Timmers, 2010). In ‘Eerlijk over yoga’ komt William Broad (2013)  tot de volgende ‘waardering en typering van yoga’…..

-    *Yoga is een van de snelst groeiende gezondheids- en fitness-activiteiten ter wereld. Hatha yoga is de meest beoefende variant. De nadruk ligt daarbij op: houdingen (bewustzijn van de positie van het lichaam), ademhaling en oefeningen om ‘lichaam en geest’ te versterken. Er bestaan vele ‘stijlen en soorten’. Aanvankelijk richtte onderzoek zich op de fysieke c.q. conditionele effecten van yoga en de mogelijke preventie tegen allerlei ziekten of kwalen. De effecten bleken erg beperkt en preventief werkt dat bij meer sportvormen. Feit is dat yoga het autonome zenuwstelsel en het metabolisme of stofwisseling kan beïnvloeden en dat zorgt voor ontspanning, angstvermindering en regulering van emoties (stemmingsregulering). Mensen die drie tot zes keer per week yoga beoefenen voelen zich dan ook erg vitaal. En ook creativiteit hangt met het ontspannen-zijn samen. Het speelt in alles wat we doen een rol. Zoals: muziek, bewegen of ‘vrij’ sporten (met eigen regels), kunst en innovatie op elk gebied. Yoga is één van de beweegvormen die ‘diepe’ ontspanning teweeg kan brengen. Beoefening vermindert, al of niet in combinatie met mediteren of reflecteren fysieke en mentale stress. Yoga en fitness zijn verwant in hun intenties. ‘Houdingen’ zijn bij yoga grotendeels statisch en bij fitness dynamisch. Van de lichamelijke voorwaarden kracht, snelheid, lenigheid of flexibiliteit, uithoudingsvermogen en fysieke coördinatie, is alleen lenigheid met yoga te beïnvloeden. Bij fitness kan op alle voorwaarden een beroep worden gedaan.

 

Bij activiteiten gaat het in het algemeen om het plezier of nut dat ze opleveren. In de omgang daarmee onstaan de volgende ervaringen:  beleven als eerste. Is die beleving positief dan wil je ook meer inspanning leveren. Meer gaan presteren (op eigen niveau) en meer van de activiteit gaan leren/verbeteren (op korte termijn) c.q. verder ontwikkelen (op lange termijn). Van 'optimaal presteren' is sprake als het om de volgende drie aspecten gaat….

 

1 Het gevoel van op ‘zestig tot zeventig procent’ van je persoonlijk maximaal (coördinatie)vermogen te functioneren bij het uitvoeren van een activiteit, sportvorm of ontwikkelingstaak. Daarvoor is een ‘matig intensieve inzet of inspanning’ nodig op, zo mogelijk, op alle dagen van de week en per activiteit een inzet van een tot drie uur per dag in een variërende inspanning en afgewisseld met voldoende relatieve rustmomenten: dus korte pauzes waarin ‘licht’ wordt bewogen. ‘Matig intensief’ betekent voor de 55-plusser 4 tot 5 km per uur wandelen, 15 tot 20 km per uur fietsen, een of twee uur ‘vier tegen vier volleyballen’, afgewisseld met die korte rustmomenten of ‘time outs’. De activiteiten herhalen zich dagelijks, wekelijks en over een langere periode of komen in een bepaalde periode veel voor. Een week gaan skiën bijvoorbeeld.

 2 Dagelijks en wekelijks doe je aan meerdere gevarieerde activiteiten of taken zoals sportvormen. Sporten gebeurt veelvormig.

Voor een zeventigjarige bijvoorbeeld: dagelijks dertig kilometer fietsen in een stevig tempo, wekelijks vijftien kilometer nordic walken, een uurtje tafeltennissen, een keer per maand een uurtje zwemmen, in de zomer wekelijks onderling honk-softballen en twee uurtjes kajakken, in de winter een week skiën en – zo mogelijk - dagelijks schaatsen of maandelijks een paar uur op de ijsbaan bezig zijn. Allround sporten maakt deelnemen nog optimaler.

 3 Veel activiteiten of taken probeer je te ontwikkelen, door ze achtereenvolgens en cyclisch te beleven, leren én leren hoe te leren c.q. ontwikkelen, door er verschillende functies (bv. competitief, samenwerkend of coöperatief handelen) of rollen (bv. kartrekker, begeleider-coach) in, bijvoorbeeld een ’55-plus club’, mee uit te voeren. Daarmee wordt sporten veelzijdiger. Zo’n club mag best bestaan uit een mix van mannen en vrouwen, die verschillen in niveau of mogelijkheden, interesse en sociale mogelijkheden. De groep zorgt zelf voor een (mentaal) veilige, verantwoorde en activerende leef- (hier sport)omgeving en regelt en ontwikkelt alles samen en in overleg

De keuze van sportvormen of activiteiten én de ‘wijze van deelnemen’ bepalen samen de mate van het optimaal presteren en ervaren. Functioneren van deelnemers vindt op verschillende
inhoud- en/of  ‘clubdeelnameniveaus’ plaats (Devisch, 2013). Te typeren als….

Clubdeelnameniveau 1. Een 55-plus ‘sportclub’ bestaat bij voorkeur uit tien of twaalf sporters (mannen en vrouwen) die wekelijks een zaal huren om samen te gaan volleyballen. Een deel heeft vroeger gevolleybald en een deel niet, is meer of minder vaardig op het gebied van volleybal. Een oud-volleyballer fungeert als kartrekker… Je gaat aan deze ‘club’ deelnemen omdat de activiteit en de deelnemers je aanstaan. De wijze van volleybal (leren) spelen en ontwikkelen wordt – door de keuze van spelregels - op de mogelijkheden van de deelnemers afgestemd. Iedereen kan op eigen niveau deelnemen. Daardoor sport je op maat, optimaal en onderling als wedstrijdje van vier tegen vier. Eventueel met roulerende wisselspelers

Clubdeelnameniveau 2. De ‘wijze van deelnemen’ wordt belangrijker. Je wilt het spel op jouw niveau beter leren spelen en voor jezelf en als team verder ontwikkelen. Beleven, leren en ontwikkelen is afwisselend van belang. Ervaar eerst hoe iets gaat of (aan)voelt en verbeter dat vervolgens. Los de eigen beweeg- en ontwikkelproblemen op door technische en tactische volleybalvaardigheden te verbeteren. Je leert jezelf ‘te leren hoe te leren’ door daarin een opbouw/volgorde of methode te kiezen. Laat je aanwijzingen geven en geef die ook aan anderen.
Clubdeelnameniveau 3. Het elkaar helpen, begeleiden of coachen wordt nu bewust toegepast nagestreefd en al doende verder ontwikkeld. Doe dat door de ‘wijze van sporten’ als sporter, team en ‘club’/groep in onderbrekingen/time outs of na afloop, te bespreken. Zo ontwikkel je een sportspel als volleybal in de volle breedte (technisch, tactisch; sociaal en cognitief/methodisch). Je helpt jezelf en anderen het spel te ontwikkelen door ‘te leren hoe te leren’.  


Vrijheid in het samen regelen!
Vrij zijn in de keuzes van onze beweeg- en ontwikkelruimtes bepalen hoe optimaal we onze fysieke, mentale en sociale mogelijkheden benutten. Kunnen we sportvormen/activiteiten en omgevingen in het algemeen samen voldoende op onze mogelijkheden afstemmen? Als 55-jarige wil je graag gaan volleyballen. Heb je dat eerder gedaan dan is ‘deelname’ aan een veteranenteam geen probleem. Heb je dat niet eerder gedaan of is je niveau in vergelijking met de rest van zo’n team (zeer) matig, dan kan acceptatie wel een probleem zijn.

Het gaat dan ook om de volgende mogelijke keuzes…
-samenstellen van een ‘eigen’ team, waarin technische en/of tactische kwaliteiten en de posities in het team goed verdeeld zijn;
-naar niveau gelijkwaardige teams (van twee of meer personen) maken;
-regels van een activiteit afstemmen op de mogelijkheden van teams c.q. de individuele deelnemers in een team dus….regels beperken, veranderen of toevoegen;

-vaardigheden leren of verbeteren door elke bijeenkomst weer ruimte te maken om eigen accenten te leggen; elkaar in een op een situatie begeleiden of coachen;
-een eigen rol of positie in een team of groep/55-plus ‘club’ kiezen: spelverdeler, scheidsrechter, coach, buddy, organisator, …;


Leren omgaan met elkaars verschillen

Bij veel groepen of ‘clubs’ lopen niveaus en mogelijkheden van de deelnemers onderling al snel uiteen. Denk onder andere aan Lichamelijke Opvoeding (LO) in het onderwijs waar leerlingen niet op basis van hun motorische kwaliteiten maar hun kennisniveau worden gegroepeerd. Of in teams binnen een sportclub met grote ondelinge prestatieverschillen. Dat is ook mogelijk in ‘clubs’ van 55-plussers.
Er is vast overeenstemming overe het doel en kernactiviteit van een groep. Verschil ontstaat in de mate waarin je individueel jezelf wilt leren/verbeteren of ontwikkelen leiden mogelijkheden. Je ontwikkelinteresse. Een kartrekker kan in overleg met de groep voor ‘leren en ontwikkelen’ zorgen. In een naar niveau homogene groep zijn de mogelijkheden voor ‘maximaal presteren’ van elke deelnemer goed te realiseren. In een naar niveau heterogene groep – zoals bij een 55-plus sportclub – is ‘optimaal presteren’ lastiger te realiseren en juist daar speelt dat optimale functioneren voor de eigen motivatie en inspiratie een cruciale rol. Dat vertraagt het gevoel van ‘ouder worden’. 
Optimaal presteren vereist differentiatie in omgang in een groep (Timmers, 2005; Timmers & Mulder, 2006)….

A Binnen een activiteit worden onderling verschillende taken of vaardigheden uitgevoerd die afgestemd zijn op individuele mogelijkheden.
Voorbeeld. Bij het spelen van ‘vier tegen vier voetbal’ (op een relatief klein speelveld) wordt in de aanval in een ‘ruit’ gespeeld en ‘man tegen man’ verdedigd. De meest balvaardige spelers staan in het centrum.
B De inspanning/inzet/nodige fysieke-mentale coördinatie voor een taak of vaardigheid, verschilt per deelnemer. Het streven naar de wil tot verbeteren/leren of leren hoe te leren (schema’s, werkpatronen, vuistregels) verschilt per deelnemer. Er moet in stappen worden gedacht.
Voorbeeld. Bij het spelen van ‘vier tegen vier volleybal’ spreken de spelers af op welke manier ze de bal spelen. Mogelijkheden zijn: bal vangen, voor jezelf opgooien en bovenhands doorspelen; alleen een te laag aangespeelde bal vangen, op- en doorspelen; de bal direct doorspelen (onder- en bovenhands).
C Bij een activiteit of onderdeel daarvan worden verschillende rollen (kartrekker, coach of begeleider) toegepast. Het vereist een ‘leren hoe je anderen iets kunt leren’ op het gebied van de hele activiteit of een onderdeel daarvan. Je moet  kunnen denken in methodische c.q. logische opeenvolgende stappen.


Zie verder de praktische toepassingen bij SPORT ONTWIKKELEN. Voor kenmerken van activerende ‘sport en beweeg’ of ‘leer- en ontwikkelomgeving’ zie
Ontwikkelen van activerende omgevingen in 'clubs' voor 55 plussers (versie augustus 2017)

Voor literatuurverwijzingen: zie LITERATUUR.