Sociale innovatie voor de 55-plusser die 'anders'wil leven en sporten
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

Sociale innovatie voor de 55-plusser die ‘anders’ wil leven én sporten! 
- Kernartikel 1!
 Versie december 2018.

Samenvatting. De nieuwe generatie 55-plussers – geboren in de jaren veertig, vijftig en begin zestig – kijkt ‘anders’ tegen het leven aan en gedraagt zich ‘anders’ dan de vooroorlogse generatie. Maar hoe ‘anders?’ De nu 55 tot 75-jarigen zijn meer betrokken bij de samenleving, vitaler, ondernemender en meer op het samen beleven, leren en ontwikkelen gericht. Een actieve leefstijl zorgt dat ze meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk functioneren. Ze willen zo mogelijk een leven lang ‘midden in de samenleving’ (blijven) staan. Leven doen we gemiddeld langer en gezonder en we beschikken over meer ‘vrij te besteden tijd’ voor werk, zorg, ontspanning en – vooral – (leren en) ontwikkelen. Het streven is een leven lang optimaal te presteren en ervaren. 
Lees- en planniveau 1 voor ontwikkelaar, kartrekker, coördinator, leefstijlcoach en de 55-plusser. 


Ontwikkelen en veranderen in (55-plus) ‘clubs’

Elke samenleving heeft, in elke periode, een breed gedragen toekomstbeeld van ‘vooruitgang, verbetering en behoud van welzijn en welvaart’ (Lemaire, 2010). In dat toekomstbeeld is nu veel aandacht voor meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk handelen, maar ook...sterk sociaal betrokken, creatief, zelfbewust en bereid veel van het leven te maken. Individuele én groepsactiviteit dus. Vooral de nieuwe generatie (geboren in de jaren veertig, vijftig en begin zestig) heeft hierdoor een actieve, initiatiefvolle leefstijl ontwikkeld die ze optimaal vorm en inhoud wil geven. Veel ‘bewegen c.q. sporten’ én ‘leren c.q. ontwikkelen’ zijn hiervan de pijlers. ‘Sporten’ betekent hier: recreatief, zelf regelend én ontwikkelend bezig zijn in ‘clubs’ binnen of buiten het sportverenigingsverband. ‘Ontwikkelen’ betekent hier: investeren in jezelf, in de relaties met anderen, het inspireren van anderen én investeren in omgeving(en). Werk, zorg, ontspanning en ontwikkeling (Baars, 2007) zijn de leefgebieden die in elke levensfase, op een verschillende manier, aandacht krijgen (Timmers 2010; 2012). Vanaf eind jaren negentig heeft deze (nieuwe) generatie sterke behoefte aan het collectief, samen(werkend) handelen in ‘clubs/ netwerken of leefgemeenschappen’. Ze wil dat lokaal regelen in, naar aard verschillende ‘clubs’ die enigszins leeftijd-categorie (55-, 65-, 75-plus) gebonden zijn. Dit vanwege overeenkomende interesses en grotere afstemming op de eigen mogelijkheden. Sportclubs, ontwikkelclubs, reis-, hobby- of culturele clubs,….. bieden mogelijkheden tot samen beleven, leren en ontwikkelen. Het gaat om inhoud én aanpak of ‘manier van deelnemen’. Er is bereidheid elkaar te begeleiden of coachen. In een ‘club’ sta je naar buiten toe sterker.

 
Actief, gezond en zinvol leven en samenwerken
‘Actief zijn’ vereist een fysiek, sociaal én mentaal functioneren. Het is gezond omdat het een gevoel van (sociale) competentie geeft. En zinvol omdat het bijdraagt aan het optimaal functioneren. Het actieve, gezonde en zinvolle ontstaat door de mix van fysiek (bewegen-sporten), psychisch (leren-ontwikkelen) en sociaal (samenwerken; elkaar helpen) welbevinden. Neem 55-plus sportclubs. In dergelijke clubs kan het functioneren op verschillende ‘deelnameniveaus’ plaatsvinden (Devisch, 2013). Die zijn als volgt te typeren….

Clubdeelnameniveau 1. Een 55-plus ‘sportclub’ bestaat bij voorkeur uit tien of twaalf sporters (mannen en vrouwen) die wekelijks een zaal huren om samen te gaan volleyballen. Een deel heeft vroeger gevolleybald en een deel niet, is meer of minder vaardig op het gebied van volleybal. Een oud-volleyballer fungeert als kartrekker… Je gaat aan deze ‘club’ deelnemen omdat de activiteit en de deelnemers je aanstaan. De wijze van volleybal (leren) spelen en ontwikkelen wordt – door de keuze van spelregels - op de mogelijkheden van de deelnemers afgestemd. Iedereen kan op eigen niveau deelnemen. Daardoor sport je op maat, optimaal en onderling als wedstrijdje van vier tegen vier. Eventueel met roulerende wisselspelers

Clubdeelnameniveau 2. De ‘wijze van deelnemen’ wordt belangrijker. Je wilt het spel op jouw niveau beter leren spelen en voor jezelf en als team verder ontwikkelen. Beleven, leren en ontwikkelen is afwisselend van belang. Ervaar eerst hoe iets gaat of (aan)voelt en verbeter dat vervolgens. Los de eigen beweeg- en ontwikkelproblemen op door technische en tactische volleybalvaardigheden te verbeteren. Je leert jezelf ‘te leren hoe te leren’ door daarin een opbouw/volgorde of methode te kiezen. Laat je aanwijzingen geven en geef die ook aan anderen.
Clubdeelnameniveau 3. Het elkaar helpen, begeleiden of coachen wordt nu bewust toegepast nagestreefd en al doende verder ontwikkeld. Doe dat door de ‘wijze van sporten’ als sporter, team en ‘club’/groep in onderbrekingen/time outs of na afloop, te bespreken. Zo ontwikkel je een sportspel als volleybal in de volle breedte (technisch, tactisch; sociaal en cognitief/methodisch). Je helpt jezelf en anderen het spel te ontwikkelen door ‘te leren hoe te leren’.  

 

Naar optimaal presteren en ervaren!

Presteren gebeurt in alle clubs op verschillende niveaus. Hoog of maximaal (met 90 tot 100 procent inzet), meer dan gemiddeld of optimaal (regelmatig op 60 tot 70 procent inzet), gemiddeld (minimaal 40 tot 50 procent inzet) en laag (minder dan 40 procent inzet). In het algemeen, maar zeker na je 50e, is ‘optimaal inspannen en ontwikkelen’ is sterk aan te bevelen. Wekelijks aan meerdere sporten doen is daarvoor zeer geschikt. Als je echter op je vijftigste gaat darten is van een ‘optimale inzet’ nauwelijks sprake. Je kunt beter gaan volleyballen of nordic walken. Activiteiten verschillen in moeilijkheidsgraad of niveau en vragen meer of minder fysieke en mentale coördinatie. Fysiek heeft betrekking op het ‘meer of minder makkelijk bewegen’ en mentaal op het meer of minder strategisch c.q. inzichtelijk handelen. De keuze van de activiteit, het niveau van de uitvoering (de inzet) en de afstemming van regels op individu en groep bepaalt de mate van inzet of kwaliteit van de uitvoering. Sportvormen kun je op deze wijze globaal naar drie niveaus van complexiteit ordenen……


Op een basaal complexiteitsniveau gaat het om ‘al verplaatsend je evenwicht houden’, zoals bij (nordic) wandelen of fietsen en een fysieke voorwaarde. Kennis hebben van het te gebruiken materiaal of te benutten omgevingsvoorwaarden (‘harder trappen als je een heuvel opgaat’) is een mentaal-cognitieve voorwaarde. Het is een ‘actie’ van jouw lichaam met het beschikbare materiaal in een bepaalde omgeving.
Op een gemiddeld niveau: is het naast lichaamsacties reageren op het gedrag van medespeler(s) en/of tegenstander(s), het tactisch handelen, maakt tennis, badminton of tafeltennis wat coördinatie betreft complexer. Van dezelfde orde is dans of bewegen op muziek. Het instellen op de actie van een partner (en andere dansers in je omgeving) is nodig en het bewegen op maat en ritme van de muziek.
Op een hoog niveau: doelsporten als floorball en streetbasketball zijn wat coördinatie betreft complex. Gedrag van mede- en tegenspelers beïnvloedt het tactisch spelgedrag van individu en team. Op dit niveau is ook het inzicht krijgen in hoe je beweeg- en sportvormen al doende leert en ontwikkelt (de leer- of ontwikkelmethode; het leren hoe te leren) van belang.
Kies een activiteit te kiezen die je plezierig vindt, die is afgestemd op wat je redelijk kunt doen en goed is te ontwikkelen en af te stemmen op de eigen mogelijkheden. Dat laatste voor de 55-plusser in competitiesport niet mogelijk. Wel bij het onderling of recreatief sporten.

De keuze van een activiteit én de ‘wijze van deelnemen’ bepalen samen en in het algemeen of optimaal presteren en ervaren mogelijk is. Dat ‘optimaal presteren en ervaren’ heeft drie dimensies….

1 Het gevoel dat je op ‘zestig tot zeventig procent’ van je persoonlijk maximaal (coördinatie)vermogen functioneert bij het uitvoeren van een activiteit, sportvorm of ontwikkelingstaak. Het leveren van een ‘matig intensieve fysieke en mentale inspanning’ op – zo mogelijk - vijf dagen per week.

2 Het dagelijks en periodiek doen van vele gevarieerde activiteiten of taken (op het gebied van werk, zorg, ontspanning en ontwikkeling), onder andere meerdere sportvormen. Zoals bijvoorbeeld voor een zeventigjarige…

Dagelijks dertig kilometer in een stevig tempo fietsen, wekelijks vijftien kilometer nordic walken, een uurtje tafeltennissen, een keer per maand een uurtje zwemmen, in de zomer wekelijks onderling honk-softballen en twee uurtjes kajakken, in de winter een week skiën en – zo mogelijk - dagelijks schaatsen of maandelijks een paar uur op de ijsbaan bezig zijn; alle activiteiten doe je alleen maar vaak samen met anderen, in ‘clubverband’.

 

3 Activiteiten of taken ontwikkelen door deze achtereenvolgens steeds te beleven, leren én leren hoe te leren c.q. te ontwikkelen, door er verschillende functies (bv. competitief, samenwerkend of coöperatief handelen) of rollen (bv. kartrekker, begeleider-coach) in een of meerdere’55-plus club(s)’, mee uit te voeren. De ‘clubs’ zijn (sociaal gezien) gebaat bij een mix van mannen en vrouwen, die verschillen in competentieniveau, interesses en achtergrond. De groep zelf draagt zorg voor een (mentaal en fysiek) veilige en activerende of inspirerende leefomgeving. Ze regelt, ontwikkelt of verandert alles samen.


Vroegere en vaak positieve ervaring(en) maken dat je ook na je 55e sportgericht bezig wilt blijven. Niet direct maximaal presterend, maar optimaal en meer op basis van eigen mogelijkheden of niveau van dat moment. Dat kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door het spelen van  wedstrijden in verwante of afgeleide sportvormen op kleinere ‘speelvelden, zoals ‘drie tegen drie (street)basketball’ of  pickleball, een vorm van klein terreintennis. Een sportvorm is naar je gevoel ‘sportgericht’ als de essentie van de (competitie-) wedstrijdsportvorm behouden blijft (Timmers, 2009; 2010). Regels zelf onderling afspreken, maakt het optimaal sporten c.q. presteren van iedereen in mixgroepen mogelijk .

‘Anders’ leven in en met vrije tijd

De nieuwe generatie zal op leefgebieden als werk, zorg, ontspanning (zoals dus onder andere het sporten) en ontwikkeling ‘anders’ te werk gaan. Meer door samenwerkend beleven, leren én ontwikkelen in ’55-plus clubs’ en elkaar daarbij coachen. Dat sluit aan bij de roep om ‘meer bereid zij tot coöperatie’ en ‘meer lokaal samen ontwikkelen’ (Rotmans, 2012, p.247; SCP, 2014). Ook verschuift de aandacht in overheidsbeleid van een ‘meer op verzorging ingestelde samenleving’, naar een ‘meer op participatie gerichte samenleving’ (Putters, 2014; 2018). Lokale ‘(ontwikkel)clubs’ kunnen voor de volgende totaalervaring zorgen …..


’Ze geven in elke levensfase ruimte aan het fysiek en mentaal actief en ondernemend zijn op het gebied van (vrijwilligers)werk, zorg, ontspanning (bv. sporten) en ontwikkeling. Ze dragen bij aan een evenwichtige tijdbesteding en beleving en bieden vele sociale contacten met - onder andere - generatiegenoten in clubs, netwerken of leefgemeenschappen. De hiermee samenhangende taken en activiteiten zijn afgestemd op de individuele mogelijkheden van mensen (op maat). Clubs geven alle ruimte aan  beleven, leren en – op de langere termijn  - ontwikkelen. We begeleiden en/of coachen elkaar opdat optimaal presteren en participeren mogelijk is. Dit motiveert en een of meerdere kartrekkers stimuleert/stimuleren ons daarbij. De groep regelt en ontwikkelt het zelf. Door takenverdeling zorgen we voor gelijkwaardige inbreng en deelname van iedereen. Met interesses en mogelijkheden van elkaar wordt rekening gehouden. We proberen tot  een samenwerkend leren en ontwikkelen in de regelmatige ontmoetingen/bijeenkomsten te komen. Optimaal participeren doet een beroep op je (motorisch) doelgericht en (cognitief) strategisch handelen en vereist een brede of allround ontwikkeling. Dit alles gebeurt in een ‘gemengde’ 55-plus club, waaraan iedereen kan deelnemen: mannen en vrouwen, met verschillen in kennis of ervaring en met goede en matige basismogelijkheden. De groep zorgt voor een (mentaal) veilige, verantwoorde en activerende leefomgeving'.


Ongeacht niveau, interesse of sociale achtergrond, kunnen we in dergelijke ‘clubs’ veel van elkaar leren. Het is tijd voor werken aan een levenslange ‘sociale innovatie’’
Voor verwijzingen naar auteurs die in dit artikel worden genoemd: zie
LITERATUUR op deze site.


Verwijzing naar samenhang in het project….

In vervolg op dit inleidende (kern)artikel treft u drie andere kernartikelen aan:
Kernartikel 2 bij ACTIEF LEVEN:
Fysiek en mentaal actief leven.
Kernartikel 3 bij ANDERS SPORTEN:
Het 'anders' sporten van de 55-plusser.
Kernartikel 4 bij LEREN & ONTWIKKELEN (leesniveau 1):
Een leven lang bewegen leren en ontwikkelen!'. Kernartikel 4 (leesniveau 2): Leren & Ontwikkelen, een leven lang! .