Sociale innovatie voor de 55-plusser die 'anders'wil leven en sporten
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

Sociale innovatie voor de 55-plusser die ‘anders’ wil leven én sporten! 
Kernartikel 1! Versie december 2018.

Samenvatting. De nieuwe generatie 55-plussers – geboren in de jaren veertig, vijftig en begin zestig – kijkt ‘anders’ tegen het leven aan en gedraagt zich ‘anders’ dan de vooroorlogse generatie. Maar hoe ‘anders?’ De nu 55 tot 75-jarigen zijn meer betrokken bij de samenleving, vitaler, ondernemender en meer op het samen beleven, leren en ontwikkelen gericht. Dat doen ze een leven lang door zoveel mogelijk optimaal te presteren en beleven. Een actieve leefstijl zorgt dat ze meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk functioneren. Zo blijf je een leven lang ‘midden in de samenleving’ staan. Leven doen we anno 2018 ook langer en met een gezonder gevoel. We hebben meer ‘vrij te besteden tijd’ voor werk, zorg, ontspanning en ontwikkeling.
Lees- en planniveau 1 voor ontwikkelaar, kartrekker, coördinator, leefstijlcoach en de 55-plusser. 

 

Een leven lang een ‘goede’ leefstijl
Een leefstijl heeft iedereen en in elke levensfase zal deze in enige mate veranderen. De vraag is wat in elke levensfase een goede leefstijl is. De nu 55 tot 75-jarigen vinden ‘goed’: een fysiek, mentaal en sociaal ACTIEVE LEEFSTIJL, waarin je optimaal, GEZOND én ZINVOL functioneert. Ze vormen de nieuwe generatie, geboren in de jaren veertig, vijftig en begin zestig.(SCP, 2006a). Hun leefstijl zorgt voor een kanteling ten opzichte van de overwegend meer ‘volgende’ leefstijl van de vooroorlogse generatie. Niet alleen de mens verandert, ook de samenleving en in dat perspectief moet je een leefstijlontwikkeling plaatsen.
Een uiting van zo’n ontwikkeling is * het ‘manifest: leefstijlgeneeskunde in de basiszorg’ dat in maart 2018 in diverse landelijke media verscheen. Initiatiefnemers, TNO en het Leids Universitair Medisch Centrum, hebben zich verenigd in het Nederlands Innovatiecentrum voor Leefstijlgeneeskunde. In dit manifest geven ze aan, dat leefstijlgeneeskunde zowel preventief als curatief (oplossen van chronische klachten) kan worden ingezet. ‘Klachten die voor meer dan vijftig procent het gevolg zijn van bewegingsarmoede, chronisch overgewicht, slechte voeding, drank/drugs, slaapgebrek en chronische stress’. Leefstijlgeneeskunde zou – zo vinden de opstellers –‘basiszorg’ moeten zijn.
* Veel mbo en hbo- opleidingen bieden inmiddels een – kort of Lang – opleidingstraject voor ‘leefstijlcoach’ aan.

*In samenwerking met de Academie voor Lichamelijke Opvoeding in Groningen (nu: Instituut voor Sportstudies van de Hanzehogeschool) is in 2013 (tot en met 2018) het project ’55-plus Sport & Leefstijl’ opgestart. Leefstijl heeft in dit project als kernpunten: optimaal bewegen-sporten én leren-ontwikkelen. Voor het mbo (CIOS & Sport en Bewegen) en hbo- met name ‘lerarenopleidingen voor vakleraren lichamelijke opvoeding’ – zijn op Lichamelijke Opvoeding en sportgebied voor de jeugd én de 55-plusser - specifieke opleidingsprogramma’s/cursussen ontwikkeld. Ook het praktisch en meer ontwikkelingsgericht ‘sporten in 55-plus-‘clubs’’, is in dit project landelijk gepromoot.

Samenwerken en ontwikkelen in (55-plus) ‘clubs’

Elke samenleving heeft een breed gedragen toekomstbeeld van ‘vooruitgang, verbetering en behoud van welzijn en welvaart’ (Lemaire, 2010). In dat toekomstbeeld van nu, wordt veel belang gehecht aan het autonoom of meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk handelen van mensen. Maar ook aan...sterk sociale betrokkenheid, creatief, zelfbewust en bereid zijn veel van het leven te willen maken. We hebben het vermogen om veel zelf en samen te regelen en ontwikkelen. Pamperen en betuttelen van en door anderen accepteren we niet.
‘Sporten voor de 55-plusser’ (we houden ons nu even bij dit voorbeeld), betekent: recreatief (niet in competitieverband, maar wel met wedijver), zelf en samen regelend én ontwikkelend bezig zijn in ‘clubs’. Deze kunnen binnen of buiten het verband van een sportvereniging bestaan. ‘Sporten en veel bewegen’ doe je op de eerste plaats omdat je dat plezierig vindt. De inhoud én de ‘wijze van deelnemen’ spreekt ons aan. Het is ook nog enns ‘gezond’, als je kunt doen, wat je wilt doen én het wordt als een zinvolle, ontspanningsvolle activiteit gezien (Kolder et al, 2012). ‘(Leren en) Ontwikkelen’ betekent op elk leefgebied: investeren in jezelf, in de relaties met anderen, het inspireren van anderen én investeren in omgeving(en) (SCP, 2006b). Die leefgebieden zijn: werk, zorg, ontspanning en ontwikkeling (Baars, 2007).
Vanaf eind jaren negentig is de (nieuwe) generatie vaak bezig aan het collectief, samen(werkend) handelen in ‘clubs, groepen, netwerken of leefgemeenschappen’. Dat regelt ze vooral lokaal in, naar aard verschillende ‘clubs’ die enigszins leeftijd-categorie (55-, 65-, 75-plus)- gebonden zijn. Overeenkomende interesses zorgen hier voor voldoende afstemming op de eigen, gedifferentieerde mogelijkheden. Sportclubs, ontwikkelclubs, reis-, hobby- of culturele clubs,….. bieden ruimte om samen te beleven, leren én ontwikkelen. Mits het niet alleen gaat om de inhoud van activiteiten, maar ook om de aanpak of ‘wijze van deelnemen’. Leren en ontwikkelen kun je een leven lang. Leren is namelijk óók: ‘leren hoe te leren’ (dus ontwikkelen) en ‘leren hoe je anderen iets kunt leren’ (door begeleiden of coachen) (Timmers 2010, 2012). In een ‘club’ sta je door dat samenwerkend leren en ontwikkelen kwalitatief sterker dan in je eentje.

 
Actief, gezond en zinvol leven en samenwerken
‘Actief zijn’ vereist het in samenhang gebruiken van fysiek-motorische, mentaal-cognitieve en sociaal-affectieve vaardigheden. De mens is een eenheid en je coördinatievermogen bepaalt het handelingsniveau en daarmee de kwaliteit van wat je doet. Het geeft een gevoel van vitaliteit en competentie. Je kan zelf en samen doen, wat je ook wilt doen (Polder et al, 2012). Het is volgens Polder gezond als er balans is tussen: ‘leven voor je gezondheid én gezondheid om te leven’. Het is zinvol als het voldoende bijdraagt aan het optimaal functioneren als individu of ‘club’.
In een 55-plus sportclub regelen en ontwikkelen we een of meerdere sportvorm(en) onderling. Een kartrekker bevordert zo’n samenwerking. Het functioneren van de deelnemers vindt op verschillende inhoud- en/of  deelnameniveaus’ plaats (Devisch, 2013). Deze zijn als volgt te typeren….

Clubdeelnameniveau 1. Een 55-plus ‘sportclub’ bestaat bij voorkeur uit tien of twaalf sporters (mannen en vrouwen) die wekelijks een zaal huren om samen te gaan volleyballen. Een deel heeft vroeger gevolleybald en een deel niet, is meer of minder vaardig op het gebied van volleybal. Een oud-volleyballer fungeert als kartrekker… Je gaat aan deze ‘club’ deelnemen omdat de activiteit en de deelnemers je aanstaan. De wijze van volleybal (leren) spelen en ontwikkelen wordt – door de keuze van spelregels - op de mogelijkheden van de deelnemers afgestemd. Iedereen kan op eigen niveau deelnemen. Daardoor sport je op maat, optimaal en onderling als wedstrijdje van vier tegen vier. Eventueel met roulerende wisselspelers

Clubdeelnameniveau 2. De ‘wijze van deelnemen’ wordt belangrijker. Je wilt het spel op jouw niveau beter leren spelen en voor jezelf en als team verder ontwikkelen. Beleven, leren en ontwikkelen is afwisselend van belang. Ervaar eerst hoe iets gaat of (aan)voelt en verbeter dat vervolgens. Los de eigen beweeg- en ontwikkelproblemen op door technische en tactische volleybalvaardigheden te verbeteren. Je leert jezelf ‘te leren hoe te leren’ door daarin een opbouw/volgorde of methode te kiezen. Laat je aanwijzingen geven en geef die ook aan anderen.
Clubdeelnameniveau 3. Het elkaar helpen, begeleiden of coachen wordt nu bewust toegepast nagestreefd en al doende verder ontwikkeld. Doe dat door de ‘wijze van sporten’ als sporter, team en ‘club’/groep in onderbrekingen/time outs of na afloop, te bespreken. Zo ontwikkel je een sportspel als volleybal in de volle breedte (technisch, tactisch; sociaal en cognitief/methodisch). Je helpt jezelf en anderen het spel te ontwikkelen door ‘te leren hoe te leren’.  

 

Naar optimaal presteren en ervaren!

Presteren of functioneren hoort bij ons leven en gebeurt in alle (sport)clubs op verschillende niveaus. Hoog of maximaal (met 90 tot 100 procent inzet), meer dan gemiddeld of optimaal (regelmatig op 60 tot 70 procent inzet), gemiddeld (minimaal 40 tot 50 procent inzet) en laag (minder dan 40 procent inzet). In het algemeen, maar zeker na je 50e, is het dagelijks bij een of meerdere activiteiten ‘optimaal inspannen en ontwikkelen’, zeer aan te bevelen. Ook het wekelijks aan bijvoorbeeld meerdere sporten doen, is daarvoor zeer geschikt en draagt het meest bij aan al sportende coördinatieontwikkeling.
Als je op je vijftigste gaat darten is van een ‘optimale inzet’ vaak geen sprake. Je kunt dan beter gaan volleyballen of nordic walken. Activiteiten verschillen in moeilijkheidsgraad of niveau en vragen meer of minder fysieke en mentale coördinatie. Fysiek heeft betrekking op het ‘meer of minder makkelijk bewegen’ en mentaal op het meer of minder strategisch c.q. inzichtelijk handelen. De keuze van de activiteit, het ‘totaal’ aan de te leren vaardigheden, het niveau van de uitvoering en het ‘op maat’ kunnen deelnemen van iedereen, bepaalt de kwaliteit van het handelen. Sportvormen zijn op deze wijze globaal op drie niveaus van complexiteit te ordenen……


Op een basaal complexiteitsniveau gaat het om ‘al verplaatsend je evenwicht houden’, zoals bij (nordic) wandelen of fietsen en een fysieke voorwaarde. Kennis hebben van het te gebruiken materiaal of te benutten omgevingsvoorwaarden (‘harder trappen als je een heuvel opgaat’) is een mentaal-cognitieve voorwaarde. Het is een ‘actie’ van jouw lichaam met het beschikbare materiaal in een bepaalde omgeving.
Op een gemiddeld niveau: is het naast lichaamsacties reageren op het gedrag van medespeler(s) en/of tegenstander(s), het tactisch handelen, maakt tennis, badminton of tafeltennis wat coördinatie betreft complexer. Van dezelfde orde is dans of bewegen op muziek. Het instellen op de actie van een partner (en andere dansers in je omgeving) is nodig en het bewegen op maat en ritme van de muziek.
Op een hoog niveau: doelsporten als floorball en streetbasketball zijn wat coördinatie betreft complex. Gedrag van mede- en tegenspelers beïnvloedt het tactisch spelgedrag van individu en team. Op dit niveau is ook het inzicht krijgen in hoe je beweeg- en sportvormen al doende leert en ontwikkelt (de leer- of ontwikkelmethode; het leren hoe te leren) van belang.
Kies een activiteit te kiezen die je plezierig vindt, die is afgestemd op wat je redelijk kunt doen en goed is te ontwikkelen en af te stemmen op de eigen mogelijkheden. Dat laatste voor de 55-plusser in competitiesport niet mogelijk. Wel bij het onderling of recreatief sporten.

De keuze van een activiteit én de ‘wijze van deelnemen’ bepalen samen of optimaal presteren en ervaren mogelijk is. Dat ‘optimaal presteren en ervaren’ heeft drie dimensies (Timmers, 2012, 2018)….

Dimensie 1. Het gevoel dat je op ‘zestig tot zeventig procent’ van je persoonlijk maximaal (coördinatie)vermogen functioneert bij het uitvoeren van een activiteit, sportvorm of ontwikkelingstaak. Het leveren van een ‘matig intensieve fysieke en mentale inspanning’ op – zo mogelijk - vijf dagen per week en een duur van een tot drie uur.

Dimensie 2. Het dagelijks en periodiek doen van vele gevarieerde activiteiten of taken (op het gebied van werk, zorg, ontspanning en ontwikkeling), onder andere meerdere sportvormen in bijvoorbeeld een week. Zoals door deze zeventigjarige…

Dagelijks dertig kilometer in een stevig tempo fietsen, wekelijks vijftien kilometer nordic walken, een uurtje tafeltennissen, een keer per maand een uurtje zwemmen, in de zomer wekelijks onderling honk-softballen en twee uurtjes kajakken, in de winter een week skiën en – zo mogelijk - dagelijks schaatsen of maandelijks een paar uur op de ijsbaan bezig zijn; alle activiteiten doe je alleen maar vaak samen met anderen, in ‘clubverband’.

 

Dimensie 3. Activiteiten of taken ontwikkelen door deze achtereenvolgens steeds te beleven, leren én leren hoe te leren c.q. te ontwikkelen, door er verschillende functies (bv. competitief, samenwerkend of coöperatief handelen) of rollen (bv. kartrekker, begeleider-coach) in een of meerdere’55-plus club(s)’, mee uit te voeren. De ‘clubs’ zijn (sociaal gezien) gebaat bij een mix van mannen en vrouwen, die verschillen in competentieniveau, interesses en achtergrond. De groep zelf draagt zorg voor een (mentaal en fysiek) veilige en activerende of inspirerende leefomgeving. Ze regelt, ontwikkelt of verandert alles samen.


Vroegere en (vaak) positieve ervaring(en) maken dat je ook na je 55e sportgericht bezig wilt blijven. Niet maximaal, maar optimaal en meer op basis van eigen mogelijkheden of niveau van dat moment. Dat kan bijvoorbeeld worden gerealiseerd door het spelen van  wedstrijden in verwante of afgeleide sportvormen op kleinere ‘speelvelden, zoals ‘drie tegen drie (street)basketball’ of  pickleball, een vorm van klein terreintennis. Een sportvorm is ‘sportgericht’ als de essentie van de (competitie-) wedstrijdsportvorm behouden blijft (Timmers, 2009; 2010). Regels onderling afspreken, maakt optimaal sporten c.q. presteren in gemengde groepen (man-vrouw, maar ook jong-oud) mogelijk .

‘Anders’ leven in en met ‘vrij’ te besteden tijd

De nieuwe generatie wil ‘anders’ functioneren. Onder andere door streven naar samenwerkend beleven, leren én ontwikkelen en het elkaar daarbij begeleiden. Dit sluit aan bij de aanbeveling om ‘vooral lokaal bereid te zijn tot coöperatie bij ontwikkelingsactiviteiten’ (Rotmans, 2012, p.247; SCP, 2014). Ook bij de overheid in haar beleid verschuift de aandacht van een ‘meer op verzorging ingestelde’, naar een ‘meer op participatie gerichte samenleving’ (Putters, 2014; 2018). Lokale ‘(ontwikkel)clubs’ – op welk gebied ook - kunnen voor de volgende ‘totaalervaring’ zorgen …..


’Ze geven in elke levensfase ruimte aan het fysiek en mentaal actief en ondernemend zijn op het gebied van (vrijwilligers)werk, zorg, ontspanning (bv. sporten) en ontwikkeling. Ze dragen bij aan een evenwichtige tijdbesteding en beleving en bieden vele sociale contacten met - onder andere - generatiegenoten in clubs, netwerken of leefgemeenschappen. De hiermee samenhangende taken en activiteiten zijn afgestemd op de individuele mogelijkheden van mensen (op maat). Clubs geven alle ruimte aan  beleven, leren en – op de langere termijn  - ontwikkelen. We begeleiden en/of coachen elkaar opdat optimaal presteren en participeren mogelijk is. Dit motiveert en een of meerdere kartrekkers stimuleert/stimuleren ons daarbij. De groep regelt en ontwikkelt het zelf. Door takenverdeling zorgen we voor gelijkwaardige inbreng en deelname van iedereen. Met interesses en mogelijkheden van elkaar wordt rekening gehouden. We proberen tot  een samenwerkend leren en ontwikkelen in de regelmatige ontmoetingen/bijeenkomsten te komen. Optimaal participeren doet een beroep op je (motorisch) doelgericht en (cognitief) strategisch handelen en vereist een brede of allround ontwikkeling. Dit alles gebeurt in een ‘gemengde’ 55-plus club, waaraan iedereen kan deelnemen: mannen en vrouwen, met verschillen in kennis of ervaring en met goede en matige basismogelijkheden. De groep zorgt voor een (mentaal) veilige, verantwoorde en activerende leefomgeving'.


Ongeacht niveau, interesse of sociale achtergrond, kunnen we in dergelijke ‘clubs’ veel van elkaar leren. Het is tijd om samen te werken aan een levenslange ‘sociale innovatie’’

Voor verwijzingen naar auteurs die in dit artikel worden genoemd: zie
LITERATUUR op deze site.
In vervolg op dit inleidende (kern)artikel treft u drie andere kernartikelen aan:
Kernartikel 2 bij ACTIEF LEVEN:
Fysiek en mentaal actief leven.
Kernartikel 3 bij ANDERS SPORTEN:
Het 'anders' sporten van de 55-plusser.
Kernartikel 4 bij LEREN & ONTWIKKELEN (leesniveau 1):
Een leven lang bewegen leren en ontwikkelen!'. Kernartikel 4 (leesniveau 2): Leren & Ontwikkelen, een leven lang! .