Ontwikkeling van de mens: denken en handelen in 'totaalplaatjes'
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

Ontwikkelen van ‘totaalbelevingen'    Versie oktober 2018.  

Deze bijdrage beschrijft de achterliggende opvattingen van de kernartikelen 4A & 4B. 
Samenvatting . ’Bewegen-Sporten’ en ‘Leren-Ontwikkelen’ zijn de pijlers van een actieve leefstijl die een leven lang fundamenteel van belang zijn omdat ze het bewustzijn sturen. ‘Lichaam, geest en omgeving’ vormen een eenheid in waarnemen en handelen. De basis voor het beleven, leren en ontwikkelen van ‘totaalplaatjes’. We zijn we in staat om – gegeven onze mogelijkheden en omstandigheden – alleen én samen optimaal te presteren, te ervaren én omgevingen zo nodig activerend(er) te maken. Kortom … voor het ontplooien van een actieve leefstijl.
Lees- en fundamenteel/planniveau 2 voor kartrekker, coördinator, leefstijlcoach en/of de 55-plusser.


Een handelingstheorie als basis voor ‘Actief leven, leren en ontwikkelen’!
Actieve leefstijlontwikkeling is een keuze van een persoon die in verschillende levensfasen - zoals 55-plus - steeds van vorm en inhoud verandert. Zelf-, omgevings- en ontwikkelingsbesef (Verkuylen, 2010) geven een mens ‘identiteit’ en bepalen de kwaliteit van samenwerking in ‘clubs’ (groepen, netwerken of leefgemeenschappen). Door een actieve leefstijl zijn optimaal ‘leren en ontwikkelen’ én ‘bewegen of sporten’ de kernen van ons bestaan en de drijvende krachten achter onze evolutie.
Denken, handelen, voelen en waarderen (in de zin van: ergens betekenis of waarde aan toekennen) is een menselijke kwaliteit en toont  de eenheid van lichaam, bewustzijn (of ‘geest’) én omgeving. Ofwel het in samenhang mentaal, sociaal en fysiek functioneren (De Monchy, 2013, p.23). Een fenomenologische-gedragswetenschappelijke kijk op de mens en evaluatief en reflecterend ontwikkelingsonderzoek is nodig om dat op waarde te schatten en daarmee de zinvolheid van ons handelen te waarderen. Met dit in gedachte is van 1999 tot en met 2010 en van 2009 tot en met 2017 door groepen ontwikkelaars-onderzoekers twee praktijktheorieën (te benoemen als concept 1 en 2) ontwikkeld. Bedoeld voor verschillende doelgroepen en omgevingen (Lichamelijke opvoeding of sportonderwijs in het voortgezet onderwijs en op lerarenopleidingen daarvoor, in de jeugd- en 55-plus sport) ontwikkeld en uitgeprobeerd. Deze OLDACTION-site doet hiervan verslag.  

Concept 1….Actief leren onderwijzen of …. Beleven, leren en ontwikkelen door groepen of ‘clubs’ op het gebied van de sport, lichamelijke opvoeding en werk (onderwijs en lerarenopleiding)

Bij het uitvoeren van activiteiten of taken vindt op alle gebieden, individueel en in groepsverband, cyclische, opeenvolgende processen plaats van ‘beleven – leren – ontwikkelen’. Je speelt met plezier een partijtje volleybal. Dat spel bevalt je, je wilt deze sportvorm c.q. bewegingsactiviteit beter (effectiever of efficiënter) leren uitvoeren en op de langere termijn ontwikkel je deze activiteit als een ‘totaal’ in zowel theorie als praktijk, als een eenheid van denken-handelen-voelen-waarderen. Aan dit ontwikkelen (of ‘leren hoe te leren’) liggen schema’s- modellen, werkpatronen-procedures, vuistregels-principes ten grondslag. Deze zijn vaak op meerdere (sport)gebieden en (sport)vormen toepasbaar. Er vindt positieve transfer bij plaats. Op de lange termijn vormen ze ontwikkel- of trainingsmethoden. Kennis, maar ook kunde op een bepaald gebied wordt in samenhang gerealiseerd. Het fysiek-motorische en het mentaal-cognitieve-sociale ‘leren’ leidt later – na bewustwording en uitvoeringstaken – tot een ‘leren hoe te leren’ (of ontwikkelen) én ‘leren hoe je anderen iets kunt leren’. Het uitvoeren van rollen als scheidsrechter, ‘trainer-coach’, ontwikkelaar bij zowel bewegings- of sportthema's als enscenerings- of ontwerpthema's, stimuleert dat. Fysiek-motorisch, sociaal-affectief en cognitief-mentaal leren, vormen een eenheid.
Deze benadering is toegepast en onderzocht bij lessen Lichamelijke Opvoeding in het voortgezet onderwijs, bij (jeugd)sportbegeleiding en op enkele lerarenopleidingen (of toenmalige Academies voor Lichamelijke Opvoeding). Het sloot aan bij het onderwijs dat in Nederland, vanaf de jaren zeventig, op alle niveaus, is gepropageerd. Het doel was: het meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk leren handelen van leerlingen, studenten, trainers en docenten te bevorderen op het gebied van LO en Sport. De aanpak is ook toegepast bij het ontwikkelen van ‘lerende organisaties’ binnen het bedrijfsleven.
De uitgangspunten zijn in elke ‘club’, netwerk of leefgemeenschap toe te passen. Ze zullen ook in de toekomst onze samenleving beïnvloeden, vooral in de zin van: “samenwerken, kritisch reflecteren, transfervermogen, zelfregulatie” (Klarus & de Beer et al, p.7 e.v.). Het gaat om het creëren van situaties of contexten waardoor mensen binnen leer-, sport- of werkomgevingen worden geactiveerd c.q. gemotiveerd. ‘Krachtige’ of ‘rijke’ leer- en ontwikkelomgevingen. Ontwikkelingsonderzoek is toegepast om na te gaan ‘in welke mate’ programma’s, plannen of aanpakken in praktijk voldoende functioneren. Vaak zijn hier de leraren, lesgevers of trainers behalve ontwikkelaars ook uitvoerders en onderzoekers. Nadeel ze ‘keuren hun eigen vlees’, maar het zijn ook professionals. De nadruk bij dit soort onderzoek ligt op evaluatie/reflectie van ervaringen door alle betrokkenen met deze ‘good practice’-innovatie. Hoe groot is bij hen de ‘mate van tevredenheid’.

 

Concept 2… Actief leven, sporten en ontwikkelen in en door 55-plus ‘sport- en ontwikkelclubs’

‘Actief leren onderwijzen’ en ‘Actief leven, leren en ontwikkelen’ vormen samen één praktijktheorie die kan worden toegepast op het gebied van werk (vakleraren lichamelijke opvoeding, opleiders op lerarenopleidingen voor vakleraren LO en sporttrainer-coaches op hetzelfde niveau), zorg (leren en ontwikkelen),ontspanning (sport) en ontwikkeling van een of meerdere van deze gebieden.
Zowel jong als oud ambieert een leven lang actief (ondernemend, vitaal) leven. Daarvoor is een optimaal fysiek, sociaal én mentaal-cognitief beleven, leren - ontwikkelen nodig. Het niveau dat je kunt bereiken hangt af van de eigen competenties en de mogelijkheden van (leer- en ontwikkel)omgevingen of de mate van het veranderen daarvan. Actief ontwikkelen vraagt om een veelzijdige en veelvormige inhoud. Zo mogelijk een allround functioneren op vele manieren en gebieden. Sport, als aspect van ontspanning, is zo’n gebied dat behalve een allround (fysiek, sociaal en mentaal) ontwikkelen ook optimaal en/of maximaal ervaren mogelijk maakt. Dat heeft een grote invloed op het eigen welbevinden en van een groep. Sport moet dan niet alleen competitief, maar (bij het ouder worden vooral) ook recreatief/onderling uitgevoerd kunnen worden.  
Een actieve leefstijl draagt bij aan het meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk handelen én biedt mogelijkheden tot een voortdurend investeren in jezelf, in de relaties met … en het inspireren van anderen (coachen/begeleiden) plus in het veranderen van omgevingen. Plezier en resultaat zorgen voor een vitaal leven. Samenwerkend leren in een ‘club(je)’, bevordert de ontwikkeling van ‘inhoud’, ‘wijze van deelnemen’ en het blijven participeren in de samenleving.
Veelzijdig, veelvormig en/of allround handelen is relatief complex en vereist het leren van totaalplaatjes (vier tegen vier volleyballen). De mens is ook zelf een ‘totaalplaatje’ (van lichaam, geest, omgeving) die de werkelijkheid als een bewust en - vooral – onbewust ‘totaal’ waarneemt. Het vraagt om kennis (leren) begrijpen, integreren en toepassen en het ontwikkelen van kunde of een geheel van vaardigheden, om doelgericht te kunnen handelen.

Doel van ons project – de bevordering van de actieve leefstijl van de 55-plusser - is het creëren van situaties of contexten waardoor mensen binnen en door leer-, sport- of werkomgevingen worden gemotiveerd. Ontwikkelingsonderzoek gaat na in welke mate programma’s, aanpakken of plannen in praktijk kunnen worden toegepast. Leraren, lesgevers of trainers zijn behalve de kartrekkers ook de ontwikkelaars, uitvoerders en, in de meeste gevallen, de (zelf)onderzoekers. Ze ‘keuren zeker hun eigen vlees’. Het hangt van hun professionaliteit af in hoeverre ze voldoende zelfkritisch en ontwikkelend kunnen zijn. Zo mogelijk alle betrokkenen (coördinatoren, kartrekkers en deelnemers/de 55-plussers) worden bij de proces- en productevaluatie van hun ‘good practice’-innovatie-ervaringen betrokken: hoe tevreden zijn ze ermee? 


Identiteit heeft een biologische én culturele basis!

Evolutie is biologisch en cultureel van aard en haar ontwikkeling verloopt langs een fylogenetische (ontwikkeling van de mens als soort) én een ontogenetische lijn (ontwikkeling van de mens als persoon). Fylogenetisch herhaalt de evolutie zich in de ontogenese (Bos, 2017, p.59). Zó vindt ervaringsoverdracht plaats van de ene generatie naar een volgende. Waar de oudere generatie in ontwikkeling soms lang over doet, is de volgende generatie er snel mee klaar. Denk maar aan het digitaal leren handelen van een zevenjarige in vergelijking met dat proces bij een zeventigjarige. De mens is verder zowel biologisch als cultureel een (ontwikkelings)eenheid (Baltes et al., 2007; Bos, 2014; 2017; Bult, 1994; Buskes, 2013; Dekkers, 2006; Prinz, 2012; Ramanchandran, 2011; Voorsluis, 2009). Biologisch gezien vormen genen de basis voor het fysieke deel c.q. ons lichaam en cultureel vormen de ‘memen’ of ‘opvattingen(,ideeën, praktijken, methoden, overtuigingen, tradities, rituelen)’ het cognitieve, mentale en sociale deel (Dennett, 2017). De hier in verschillende artikelen genoemde ‘schema’s, werkpatronen en vuistregels’, zijn voorbeelden van  opvattingen bij het leren of ontwikkelen. Naast co-evolutie tussen genen en memen bestaat er ook samenhang tussen denken en lichamelijke processen en functies. Het is de ‘aangeboren kennis of kunde’ van het individu en geaccumuleerde ervaring van de soort (Buskes, 2013, p.248; Cervits, 2016).

Identiteit zegt iets over: wie ik ben, hoe ik in de wereld sta, waar ik vandaan kom, wat ik doe en waar ik naartoe wil gaan. Gedeelde identiteiten vormen deels ook een collectieve identiteit. Aanleg en omgeving bepalen het persoonlijke zelf-, ontwikkelings- en omgevingsbesef én vormen onze identiteit. Ontwikkeling van het individu gebeurt in interactie met een omgeving. Aanleg (nature) is aangeboren en ervaring is in en door een omgeving (nurture) aangeleerd. (Ramachandran, 2011, p.245; Verhoeven, 2013; Nagel, 2014).

Functies van bewustzijn (of geest)!
Bewustzijn is lichamelijk én geestelijk van aard en levert kennis op bij het denken, handelen, voelen en waarderen (in de zin van: betekenis of waarde toekennen aan…; Crevits, 2016, p.37). Waarnemen en handelen vormen een sensomotorische eenheid. Waarnemen gebeurt met onze zintuigen en daarmee vangen we visuele (zien), auditieve (horen), tactiele (voelen) en proprioceptieve/ kinesthetische (aanvoelen) prikkels op. Dit leidt tot bewust en onbewust gedrag dat reflexmatig of routineus (onbewust verlopend), regelgeleid of weloverwogen (bewust op basis van opvattingen, intenties of verwachtingen) plaatsvindt. Er vindt motorisch, cognitief, sociaal en affectief (gevoelsmatig) leren, ontwikkelen of ervaren plaats. Meestal in samenhang. Het doelgerichte of bewuste in ons gedrag is handelen, het overige is onbewust bewegen of zijn processen. Dat betekent dat gedrag en bewustzijn op plaatsvindt op het niveau van processen (neuronen, spieren,…) of functies: uitvoeren van een taak of vaardigheid (bovenhands spelen) die deel kan uitmaken van een activiteit (volleybal). Onze aandacht richt zich vooral op dat laatste.
Lichaam én omgeving dragen bij aan bewustzijn (Bos, 2014, p.196; Noë, 2009). ‘Ik’, als uniek persoon gedraagt zich zoals bedoeld binnen een bepaalde context. Dit zorgt voor herkenning van ‘Ans de Graaf uit Blaricum met persoonlijke en gezamenlijk gedeelde opvattingen op vele gebieden. (Bor, 2011; Crevits, 2016). Met bewustzijn en geheugen – en met of zonder hersenactiviteit – zijn functies te beïnvloeden (Bos, 2017; De Monchy, p.87, 92, 115). Omgeving of context doet de zin of betekenis voor mezelf of een toeschouwer van het handelen begrijpen. Zo is het ‘knipperen met je ogen’ reflexmatig en onbewust gedrag, terwijl ‘knipogen’ juist weloverwogen, betekenisvol en bewust gedrag is (Timmers, 2007). De context maakt de bedoeling van het gedrag duidelijk. Er zijn vele omgevingen waarin wordt gehandeld: natuur, cultuur-samenleving, opvoeding-vorming, leefwijze, sociaal milieu (Crevits, 2016, p.49). Cultuur en genen determineren in enige mate ‘wie we zijn en wat we doen’. Door gedrag en opvattingen, kennis en kunde, ontwikkelen we ons verder en steeds weer opnieuw (als er aanpassingen nodig zijn).

‘Tussen’ zowel persoon en omgeving als ‘binnen’ een persoon, vinden functies en processen plaats. Met een functie realiseren we een persoonlijke bedoeling en met een proces ervaren we het tijdverloop van fysieke en mentale gebeurtenissen (Arendt, 2013; Swaab 2010). ‘Ik pak een kopje thee vast, om… te drinken. Of: Ik pak een handbal om hard op doel te schieten of om te kunnen scoren’. Dat ‘om…te…’ van acties of handelingen geeft de bedoeling daarvan aan. Bedoelingen zijn bewust. Het waarnemen van de omgeving en de ervaring gebeurt als ‘een totaal’. Het is een ‘beleefde lichamelijkheid’ (Chopra & Tanzi, 2013). Zo beleef je ‘vandaag een mooie, zwoele dag, met een strakke blauwe hemel en slechts een lichte bries. Ideaal weer om te gaan fietsen’. ‘Jouw’ interpretatie van beleefde werkelijkheid, gebaseerd op ‘eigen’ zintuigelijke waarneming dat vertaald wordt in bepaald en zelf gewild handelen: ‘ik wil gaan fietsen’ (Dijksterhuis, 2009; Withagen, 2013). Waarnemen en handelen vormen een sensomotorische eenheid. Ons lichaam neemt niet alleen een omgeving waar maar signaleert ook functies en processen. Dat levert een ‘totaalplaatje’ op van ‘hard fietsen in de buitenlucht onder verschillende condities’ (van der Stigchel, 2016, p.23). ‘Zien’ verloopt automatisch en krijgt geen diepere verwerking. ‘Kijken’ daarentegen geeft betekenis aan wat bij het zien nú voor mij of ons van betekenis, belang of waarde is en of een doel c.q. het gewenste resultaat wordt bereikt. “Waarnemingen worden door verwachtingen en/of door eerdere ervaringen gestuurd (p.148)”.

Objectief en subjectief ervaren geven ons de werkelijkheid!
Een omgeving geeft een gelijktijdige objectieve en subjectieve ervaring. De objectieve omgeving nodigt je tot iets uit en wordt gekend of gebruikt. Subjectieve ervaringen in een omgeving deel je met anderen. Een subject ben ‘ik’ of zijn 'wij' (Schermer et al, 2013, p.53). Een stoel is een object om op te zitten. Het ‘om….te…..’ geeft de meest voor de hand liggende subjectieve bedoeling aan. Een muziekinstrument vastpakken is een objectief gebeuren. Samen muziek maken is een subjectieve ervaring. Taal gebruiken we in objectieve zin. Maar bedoelingen in woorden en zinnen zijn weer subjectief…..“Zonder subjectief gebonden bewustzijn zou je niet weten dat je bestaat of dat je weet wie je bent en wat je denkt. Ons bewustzijn zorgt voor creativiteit bij zingen, schilderkunst of literatuur. Liefde is meer dan alleen maar seks en vriendschap is meer dan functionele samenwerking. Zonder subjectiviteit bestaat er geen kennis en geen cultuur” (Damasio, 2010, p16).

Bewust en onbewust in één bewustzijn!
Bewustzijn is het geheel van waarnemen, denken, handelen, voelen en waarderen in een omgeving en verloopt ‘zonder aandacht’ (dus gewaar worden) óf met een ‘intentie’ (dus waarnemen). Ons hele lichaam speelt een cruciale rol in ons bewustzijn (Bos, 2017). Collectief bewustzijn is het gedeelde perspectief op evolutie en ontwikkeling van de mens(heid) (van Dijk, 2018, p.15). “Het is de wijze waarop mensen in een bepaald collectief het samen leven en werken regelen volgens historisch gegroeide patronen, vastgelegde afspraken, waarden en normen en vanzelf ontstane gebruiken (p29)” en ‘wordt bepaald door de principes van individuele vrijheid en grenzeloosheid p.31)”. Het gedeeld collectief bewustzijn bestaat al, bewust en onbewust. Het is heel bijzonder dat je vaak gelijktijdig op verschillende plaatsen en gebieden dezelfde opvattingen ziet ontstaan. Geest is zowel het product van individuele hersenen als los daarvan in een collectief bewustzijn (Bos, 2017, p.313).
Bewustzijn is een inclusieve bewustwording en we kunnen deze meer actief samenwerkend (in ‘clubs’ bijvoorbeeld) beleven en ontwikkelen (Van Dijk (2018, p.46): “Het verhaal over de ontwikkeling van de mens als soort is te typeren als voortschrijdende bewustwording. Eerst het bewonen van de aarde als fysiek-materiële werkelijkheid, gevolgd door bewustwording van het samenleven als gemeenschap, daarna de ontdekking van de eigen individualiteit en vervolgens de vaststelling dat individualiteit grenzen kent en meer inclusieve collectiviteit vereist”. Inclusief bewustzijn is verbondenheid-in-actie (luisteren, invoelen, inbrengen, reflecteren, deelnemen en gezamenlijk zoeken naar wat nu kan en nodig is in het licht van het ‘geheel’) en overstijgt het individuele bewustzijn”. Bewustzijn is energie - inclusief en holistisch- waarin en waardoor ons leven zich voltrekt (p.90). Het individuele, collectieve én bewustzijn zijn innig met elkaar verweven. Het is de essentie van het menselijk bestaan om deel van het geheel te zijn (p.240).

Denken is ‘handelen in gedachte’ en is gebaseerd op vroegere ervaringen. Het zijn beelden van de werkelijkheid, herinneringen aan ervaringen én reflectie daarop of verbeeldingen los van de werkelijkheid. Vooral metaforen en opvattingen hebben invloed op ons denken (Arendt, 2013, p.142 t/m 150). Die samenhang zie jij bijvoorbeeld bij het spelen van basketbal…. Loop je ‘vrij’ bij of onder de basket (handel). Kies voor een lay up, een set shot of een schot uit stand (denk). Als de bal je handen verlaat bij een schot uit stand, weet je al: ‘ik scoor of ik scoor niet’ (voel). Ben je tevreden met verloop en resultaat van je acties? (waardeer).
Actief handelen is doelgericht en zowel motorisch-praktisch, sociaal-relationeel als cognitief-(na)denkend van aard. Het je hierbij optimaal willen belasten, maakt je meer competent en zorgt voor vorderingen (Bos, 2014, p 42). ‘Use it or lose it’ is hierbij een gulden regel.
Kahneman (2012) onderscheidt twee systemen in ons gedrag. Systeem 1 (snel, onbewust of intuïtief) en systeem 2 (langzaam, bewust of weloverwogen; p.28)’. Systeem 1 werkt automatisch en snel, met weinig of geen inspanning en geen gevoel voor controle. Oordelen en beslissingen worden door gevoelens van voorkeur of afkeer bepaalt zonder al te veel rationele overwegingen. Het bestaat uit ideeën of concepten, gebeurtenissen, ervaringen, ontwikkelingen en is vooral gebaseerd op associaties. Creatief handelen hoort erbij. Systeem 2 is de bewuste aandacht voor de mentale inspanningen die worden verricht. De werking hiervan is gekoppeld aan de subjectieve ervaring van het handelen, keuzes maken en concentratie. Het programmeert de automatische functies van ‘systeem 1’, zorgt voor zelfbeheersing en levert mogelijk zelfkritiek. Beide systemen gaan samen met lichamelijke ervaringen gekoppeld aan zintuiglijke waarnemingen en interne receptoren. Serveer je de bal bij tennis de bal een paar keer achter elkaar verkeerd dan ga je jezelf afvragen: wat doe ik verkeerd of wat kan ik anders doen? Ons hele lichaam is bij alles wat we doen betrokken.  Als beide systemen tegelijk een rol spelen … is de herinnering aan die ervaring of gebeurtenis het sterkst.

Functie van taal en imiteren!
Taal en imiteren (ofwel spiegelen) vormen hét medium voor waarnemen, betekenissen toekennen en communiceren ofwel cultuuroverdracht. Als je naar een voetbalwedstrijd kijkt en een speler krijgt een scoringskans, dan maken velen een ‘denkbeeldige’ schopbeweging Je spant zelfs de daarvoor nodige spieren aan, maar gelukkig blijft de feitelijk trap achterwege. Een voorbeeld uit de voetbalcultuur.
De imitatie is gebaseerd op visuele waarneming en de herinnering (als je ervaring met voetbal hebt) aan de bijbehorende tactiele (raken van de bal), proprioceptieve en kinesthetische waarnemingen (gevoel in banden, pezen en spieren). Je voelt die actie, maar nu denkbeeldig.
De semantiek van een taal gaat over “de relatie van woorden met gedachten, maar ook over de relatie van woorden met de werkelijkheid” (Pinker, 2009, p.15). Mensen leggen zich hiermee vast op een gezamenlijk begrip van de werkelijkheid en de taal is een manier om gedachten aan dingen en situaties te koppelen. “Taal gaat over relatie van woorden met een gemeenschap, over woorden met emoties en woorden met sociale relaties”. In de taal en bij het leren (bewegen of sporten bijvoorbeeld) wordt onderscheid gemaakt in concepten op basis van schema’s, werkpatronen (de logica van een volgorde) en vuistregels of principes (de essentie van een stukje werkelijkheid in bijvoorbeeld een metafoor) beschreven.
De conceptuele semantiek, de ‘taal van het denken’, verschilt van de taal zelf en is verwant met het leerpsychologische begrip ‘leren hoe te leren’. Je kunt vaardigheden leren én leren hoe je deze bij andere activiteiten en in andere situaties zelf verder kunt leren óf hoe je anderen kunt leren hoe ze dat zelf kunnen toepassen. Door dat ‘leren hoe te leren’ ontstaat een zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk leren en ontwikkelen én denken en handelen.
Met taal drukken we onze gedachten en gevoelens uit, maar dat zijn niet de gedachten en gevoelens zelf. Bij spreken of schrijven worden zinsverbanden en woorden aan ons denken gekoppeld, maar ze bepalen niet het denken en het leert ons niet ‘hoe’ te redeneren (Pinker, 2009). Taal en gedrag ontstaan door conceptuele kaders van opvattingen en ordeningen van ervaringen. Taal is een functie van ons ‘zelf’ en  wordt ‘al doende’- en op basis van onbewuste herkenning van de grammaticale structuur -  verworven. Door inzichtelijk te leren kun meer met taal doen. Zie verder....
Levenskunst en leefstijl.

 

Handelen uit (vrije) wil!
Een omgeving wordt met het hele lichaam waargenomen (Crevits, 2016, p.37). Dat gebeurt bewust en onbewust (Monchy De, 2013, p.41). Als je gaat honk- of softballen is het slaan van de bal van belang om een bijdrage te leveren aan het resultaat van je team. Hard en/of geplaatst slaan is je doel als je aan slag staat. Om dat te realiseren ‘kijk je naar de bal’ en ‘sla je horizontaal’. Dat zijn twee bewuste acties of handelingen, waarmee je de bal vrijwel altijd raakt. Maar je doet meer onbewust: je maakt bewegingen. Je staat met enigszins gebogen knieën, voor je slaat breng je de knuppel nog wat meer naar achteren en draai je de heup in, na het raken van de bal sla je door om al je kracht op het slaan van de bal over te brengen. De hoogte van de worp bepaalt of je wat meer door de knieën gaat of niet horizontaal moet slaan, om de bal toch te raken.

Denken begint met bewegen (Bos, 2014, p.80). Door bewust te handelen (=doelgericht bewegen) kunnen we ons gedrag beïnvloeden en controleren (Aleman, 2017). We zijn in staat ons onbewuste - zoals anticiperen op de bal van de werper bij honkbal - te beïnvloeden en bewuste processen hebben daarin de regie. Je iets bewust worden is één en het bewust vormen van een intentie is twee (Aleman, 2017, p.163-164). Met het bewustzijn van ons betekenisvol handelen is ‘vrije wil’ gemoeid. Het vermogen om – door cognitieve controle - uit verschillende gedragsmogelijkheden te kiezen of op zelf gekozen doelen af te stemmen. Bewust mentaal oefenen geeft controle over toekomstige situaties, Denk aan het visualiseren van handelingen van sporters of musici voorafgaand aan een wedstrijd of optreden.
"Bewustzijn is overigens niet alleen afhankelijk van wat er in mijn lichaam gebeurt, maar ook van mijn levensgeschiedenis, mijn huidige positie in de wereld, kortom mijn interacties met die wereld” (Noë, 2009, p.26; Bos, 2014).
Neurowetenschappers en filosofen verschillen van mening over ‘het wel of niet bestaan van vrije wil’. Onder andere Bult (2014), Swaab (2010) en Verplaetse (2011) vinden dat er geen ‘zelf’ en dus ook geen ‘vrije wil’ bestaat. In dat geval bestaat er ook geen zelfverantwoordelijkheid of schuld en kun je mensen geen verwijt maken dat ze soms misdadig handelen. Keizer (2012), Kolk (2012), de Monchy (2013) en Cervits (2016) vinden de ‘vrije wil’ geen illusie. De mens kan actief innerlijke processen sturen en door aandacht gedrag veranderen of een omgeving aanpassen.
Alles wat je belangrijk vindt: waarden, waarde-gebieden, overtuigingen of  opvattingen sturen onze wil (Timmers, 2010 & 2012). Dat maakt ons gedrag 'zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk'. Individueel autonoom handelen zonder 'vrije wil' is onmogelijk. Het is een 'voorwaarde', 'bewuste actie' en 'zelfverwerkelijking' (Bos, 2014; Van de Laar & Voerman, 2011).
Als we dood gaan verdwijnt het individuele bewustzijn en blijven alleen herinneringen van jou bij anderen over. Door ons actieve leven en door onze opvattingen en handelen (ons individuele bewustzijn) hebben we – ieder op eigen wijze, meer of minder inspirerend of in omvang – aan processen of producten (bv bij ontwikkelingen in je beroepsloopbaan, ook samen met anderen) bijgedragen aan het collectieve bewustzijn. Onze geest blijft dus bestaan.


IK én SAMEN leven!

Fundamenteel voor het menselijk bestaan is je een leven lang blijven ontwikkelen (en leren) én actief zijn (sporten, bewegen en ondernemen) in fysiek, mentaal en sociaal opzicht. Dat geldt voor onszelf/ ons eigen bewustzijn, als ook samen met anderen/ het collectief bewustzijn (Bos, 2014; Bult, 2014; van Dijk, 2018; Goldberg, 2007; 2009; Helden, van der & Bekkering, 2015; Neuvel, 2011). Ons gedrag vraagt fysieke en mentale coördinatie en zorgt voor het functioneren van ons lichaam (Cervits, 2016). Als ons gedrag verandert, veranderen ook onze fysieke, mentale en sociale mogelijkheden. Op vele ‘gebieden’ vormen we holistische ‘plaatjes’ van feitelijke, gewenste of gewilde competenties, zoals: ‘het vader of moeder-zijn’, ‘mijn sportgeschiedenis’, ‘ontwikkeling van mijn werk, zorg of ontspanning’. Voor een ‘totaalplaatje’ is nodig dat beleven-ervaren, leren-ontwikkelen en fysiek-sociaal-mentaal coördineren van mij in een omgeving zo volledig mogelijk en in samenhang plaatsvindt. Ontwikkelen van  ‘totaalplaatjes’ is een levenslang en deels ook een zich herhalend proces, waaraan wij als ‘belichaamde wezens’ deelnemen (Bos, 2014, p.72) “Mijn lichaam ontdekt hoe ik een bal bij handbal het beste en zo hard mogelijk op doel kan gooien, weet hoe ik bij snowboarden mijn evenwicht bewaar of hoe ik een sterke impuls aan een speerworp meegeef (Buytendijk, 1965, p.237)”. Maar ook: ‘hoe kan ik een professie zo goed mogelijk ontwikkelen’. “Wie wij worden, hangt van onszelf én van onze omgeving af” (Verhaeghe, 2012, p.11). Aangeboren aanleg en wat de omgeving en anderen ons leren of doen ervaren bepalen onze ‘identiteit’.

 

Optimaal presteren om als een ‘totaal’ te ontwikkelen!
Ontwikkelen is naar aard zowel materieel als immaterieel. Dingen (materieel) zoals bouwstijl, maar ook opvattingen (immaterieel) veranderen c.q. ontwikkelen zich. Neem de opvatting dat ‘mannen en vrouwen samen het huishouden doen’. ‘Ontwikkelen’ betekent veranderen, verbeteren of vernieuwen. Veranderen doe je door de inhoud te wijzigen, vernieuwen doe je door doelen te veranderen en verbeteren kan beide betekenen. Dit alles is fundamenteel voor ons bestaan, toekomstgericht en betekent ‘zelfontwikkeling, ontwikkelen van de relaties met anderen en het inspireren van hen én ontwikkelen van omgevingen’ (SCP, 2006b). Het streven is dat zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk vorm en inhoud te geven, alleen of met een groep en zo mogelijk optimaal. Dat optimale heeft drie dimensies….

 
1 Het gevoel dat je op ‘zestig tot zeventig procent’ van je persoonlijk maximaal (coördinatie)vermogen functioneert bij het uitvoeren van een activiteit, sportvorm of ontwikkelingstaak. Dat vraagt om een ‘matig intensieve inspanning’ van - zo mogelijk - op vijf tot zeven dagen per week.

2 Dagelijks en wekelijks aan vele, gevarieerde activiteiten of taken doen …dus ook meerdere sportvormen. Bijvoorbeeld door een zeventigjarige: dagelijks dertig kilometer in een stevig tempo fietsen, wekelijks vijftien kilometer nordic walken, een uurtje tafeltennissen, een keer per maand een uurtje zwemmen, in de zomer wekelijks onderling honk-softballen en twee uurtjes kajakken, in de winter een week skiën en – zo mogelijk - dagelijks schaatsen of maandelijks een paar uur op de ijsbaan bezig zijn; alle activiteiten doe je alleen maar vaak samen met anderen, in ‘clubverband’.

3 Veel activiteiten of taken ontwikkelen, door deze cyclisch te beleven, leren én leren hoe te leren c.q. ontwikkelen en door er verschillende functies (bv. competitief, samenwerkend of coöperatief handelen) of rollen (bv. kartrekker, begeleider-coach) in, bijvoorbeeld een ’55-plus club’, mee uit te voeren. Deze bestaat uit een mix van mannen en vrouwen, verschillend in niveau of mogelijkheden, interesse en sociale mogelijkheden. De groep zorgt voor een (mentaal) veilige, verantwoorde en activerende leefomgeving en regelt, ontwikkelt of verandert dat alles samen en in overleg.


Zie verder…..
Optimaal op maat of niveau ervaren en presteren  (ook na je 55e)! Al ouder wordend nemen de mogelijkheden van het specifieke geheugen – het herinneren van gebeurtenissen of feiten - af en van het generieke geheugen - het herkennen van patronen - juist toe. We worden wijzer, bekwamer of creatiever. We hebben het vermogen om steeds tot ‘nieuwe’ gedrags- en/of denkwijzen te komen. Dat vermogen houden we een leven lang (Goldberg, 2007; Van der Zee, 2012). Het generieke geheugen zorgt voor visie, plannen, toepassen van (werk)patronen, schema’s, vuistregels of toepassen van concepten. (Aleman, 2012; Goldberg, 2007; Van der Zee, 2012). ‘Hersenen, maar eigenlijk je hele lichaam’ passen zich functioneel aan activerende omgevingen aan én je actieve leefstijl als reactie daarop (Aleman, 2012; van der Zee, 2012, p.76). Gaat de motoriek vooruit, dan ook je cognitie, en omgekeerd, dus: “een actieve, gezonde en zinvolle leefstijl beperkt veroudering en laat je ook nog relatief lang leven” (Aleman, 2012, p.169).

Voor literatuurannotaties, zie LITERATUUR  Voor kenmerken van activerende ‘sport en beweeg’ of ‘leer- en ontwikkelomgeving’ zie Ontwikkelen van activerende omgevingen in 'clubs' voor 55 plussers