Ontwikkeling van de mens: denken en handelen in 'totaalplaatjes'
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

Ontwikkelen van ‘totaalbelevingen'    Versie april 2019.  

Samenvatting . ’Bewegen-Sporten’ en ‘Leren-Ontwikkelen’ zijn de pijlers van een actieve, gezonde en zinvolle leefstijl die een leven lang fundamenteel van belang zijn. ‘Lichaam, geest (of bewustzijn) én omgeving’ vormen hierbij een eenheid in waarnemen en handelen en de basis voor ‘beleven, leren en ontwikkelen’ van totaalplaatjes zoals ‘beoefenen van (een) sport(en)’. We zijn in staat om – gegeven onze mogelijkheden en omstandigheden – alleen én samen optimaal te presteren, te ervaren én omgevingen zo nodig activerend(er) te maken. Kortom … voor het zelf en samen ontplooien van een actieve of ondernemende leefstijl.
Lees- en fundamenteel/planniveau 2 voor kartrekker, coördinator, leefstijlcoach en/of de 55-plusser.

Een handelingstheorie als basis voor ‘Actief leven, leren en ontwikkelen’! De keuze voor een actieve leefstijl en de ontwikkeling daarvan is kenmerkend voor het grootste deel van de ‘nieuwe generatie’ (geboren in de jaren veertig, vijftig en begin zestig). Zo’n leefstijl zal per levensfase van vorm en inhoud verschillen. Op deze OLDACTION-site richten we ons op de levensfase van de 55-plusser.
Het aan de persoon gebonden ‘zelf-, omgevings- en ontwikkelingsbesef’ (Verkuylen, 2010) en de ontwikkeling van je ‘zelf’, de relaties met anderen, de wijze waarop je anderen kunt inspireren of begeleiden en de ontwikkeling van de omgeving bepalen onze identiteit en geven ons handelen kwaliteit of niveau. Daarbij hoort ook samenwerking in ‘clubs, groepen, netwerken of leefgemeenschappen’. Een actieve leefstijl én optimaal willen ‘leren en ontwikkelen’ én ‘bewegen of sporten’ gaan samen. Het zijn een leven lang de fundamenten van ons bestaan.

Denken, handelen, voelen en waarderen (ofwel: ergens betekenis of waarde aan toekennen) vindt vrijwel gelijktijdig en in samenhang plaats. We voeren een geheel aan taken en activiteiten uit op een bepaald gebied. We volleyballen, fotograferen, spelen gitaar of met de kleinkinderen en dat alles geeft ‘ontspanning’ (een van de vier leefgebieden). Maar volleybal (ook een gebied) vereist vele vaardigheden (technieken en tactieken), regels en schema’s, werkpatronen of vuistregels om het sportspel te leren en methoden om het te ontwikkelen. Door methoden vindt leren hoe te leren (ontwikkelen) én leren hoe je anderen het spel beter kunt leren spelen (begeleiden/ coachen) plaats. Dat vergt tijd en een geheel van: motorisch/fysieke, mentaal/ cognitieve en sociaal/affectieve vaardigheden (De Monchy, 2013, p.23)  Een ‘totaal leren’ op het gebied van volleybal én – in overstijgende zin - van ‘lichaam, bewustzijn (of ‘geest’) én omgeving’.

Dat past in een fenomenologische-gedragswetenschappelijke kijk op de mens. Deze benadering is van 1999 tot en met 2009 en vervolgens tot en met 2018 door groepen ontwikkelaars-onderzoekers toegepast bij de ontwikkeling van twee praktijktheorieën (concept 1 en 2). Ze zijn/waren bedoeld voor verschillende doelgroepen en omgevingen: concept 1 voor lichamelijke opvoeding of sportonderwijs in het voortgezet onderwijs, vaklerarenopleidingen en de jeugdsport en concept 2 voor de 55-plus sport. De kern van deze site. 

Concept 1….Actief leren onderwijzen  of …. beleven, leren en ontwikkelen door groepen of ‘clubs’ op het gebied van sport, lichamelijke opvoeding en opleiding daarvoor….
Bij het uitvoeren van activiteiten of taken vindt op alle gebieden, individueel en in groepsverband, cyclische, opeenvolgende processen plaats van ‘beleven – leren – ontwikkelen’. Je speelt met plezier een partijtje volleybal. Dat spel bevalt je, je wilt deze sportvorm c.q. bewegingsactiviteit beter (effectiever of efficiënter) leren uitvoeren en op de langere termijn ontwikkel je deze activiteit als een ‘totaal’ in zowel theorie als praktijk, als een eenheid van denken-handelen-voelen-waarderen. Aan dit ontwikkelen (of ‘leren hoe te leren’) liggen schema’s- modellen, werkpatronen-procedures, vuistregels-principes ten grondslag. Deze zijn vaak op meerdere (sport)gebieden en (sport)vormen toepasbaar. Er vindt positieve transfer bij plaats. Op de lange termijn vormen ze ontwikkel- of trainingsmethoden. Kennis, maar ook kunde op een bepaald gebied wordt in samenhang gerealiseerd. Het fysiek-motorische en het mentaal-cognitieve-sociale ‘leren’ leidt later – na bewustwording en uitvoeringstaken – tot een ‘leren hoe te leren’ (of ontwikkelen) én ‘leren hoe je anderen iets kunt leren’. Het uitvoeren van rollen als scheidsrechter, ‘trainer-coach’, ontwikkelaar bij zowel bewegings- of sportthema's als enscenerings- of ontwerpthema's, stimuleert dat. Fysiek-motorisch, sociaal-affectief en cognitief-mentaal leren, vormen een eenheid.
Deze benadering is toegepast en onderzocht bij lessen Lichamelijke Opvoeding in het voortgezet onderwijs, bij (jeugd)sportbegeleiding en op enkele lerarenopleidingen (of toenmalige Academies voor Lichamelijke Opvoeding). Het sloot aan bij het onderwijs dat in Nederland, vanaf de jaren zeventig, op alle niveaus, is gepropageerd. Het doel was: het meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk leren handelen van leerlingen, studenten, trainers en docenten te bevorderen op het gebied van LO en Sport. De aanpak is ook toegepast bij het ontwikkelen van ‘lerende organisaties’ binnen het bedrijfsleven.
De uitgangspunten zijn in elke ‘club’, netwerk of leefgemeenschap toe te passen. Ze zullen ook in de toekomst onze samenleving beïnvloeden, vooral in de zin van: “samenwerken, kritisch reflecteren, transfervermogen, zelfregulatie” (Klarus & de Beer et al, p.7 e.v.). Het gaat om het creëren van situaties of contexten waardoor mensen binnen leer-, sport- of werkomgevingen worden geactiveerd c.q. gemotiveerd. ‘Krachtige’ of ‘rijke’ leer- en ontwikkelomgevingen. Ontwikkelingsonderzoek is toegepast om na te gaan ‘in welke mate’ programma’s, plannen of aanpakken in praktijk voldoende functioneren. Vaak zijn hier de leraren, lesgevers of trainers behalve ontwikkelaars ook uitvoerders en onderzoekers. Nadeel ze ‘keuren hun eigen vlees’, maar het zijn ook professionals. De nadruk bij dit soort onderzoek ligt op evaluatie/reflectie van ervaringen door alle betrokkenen met deze ‘good practice’-innovatie. Hoe groot is bij hen de ‘mate van tevredenheid’.

 

Concept 2… Actief leven, sporten en ontwikkelen … in en door 55-plus ‘sport- en ontwikkelclubs’….
‘Actief leren onderwijzen’ en ‘Actief leven, leren en ontwikkelen’ vormen samen één praktijktheorie die kan worden toegepast op het gebied van werk (vakleraren lichamelijke opvoeding, opleiders op lerarenopleidingen voor vakleraren LO en sporttrainer-coaches op hetzelfde niveau), zorg (leren en ontwikkelen),ontspanning (o.a. sport) en ontwikkeling van een of meerdere van deze gebieden.
Zowel jong als oud ambieert een leven lang actief (ondernemend, vitaal) leven. Daarvoor is een optimaal fysiek, sociaal én mentaal-cognitief beleven, leren - ontwikkelen nodig. Het niveau dat je kunt bereiken hangt af van de eigen competenties en de mogelijkheden van (leer- en ontwikkel)omgevingen of de mate van het veranderen daarvan. Actief ontwikkelen vraagt om een veelzijdige en veelvormige inhoud. Zo mogelijk een allround functioneren op vele manieren en gebieden. Sport, als aspect van ontspanning, is zo’n gebied dat behalve een allround (fysiek, sociaal en mentaal) ontwikkelen ook optimaal en/of maximaal ervaren mogelijk maakt. Dat heeft een grote invloed op het eigen welbevinden en van een groep. Sport moet dan niet alleen competitief, maar (bij het ouder worden vooral) ook recreatief/onderling uitgevoerd kunnen worden.  
Een actieve leefstijl draagt bij aan het meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk handelen én biedt mogelijkheden tot een voortdurend investeren in jezelf, in de relaties met … en het inspireren van anderen (coachen/begeleiden) plus in het veranderen van omgevingen. Plezier en resultaat zorgen voor een vitaal leven. Samenwerkend leren in een ‘club(je)’, bevordert de ontwikkeling van ‘inhoud’, ‘wijze van deelnemen’ en het blijven participeren in de samenleving.
Veelzijdig, veelvormig en/of allround handelen is relatief complex en vereist het leren van totaalplaatjes (vier tegen vier volleyballen). De mens is ook zelf een ‘totaalplaatje’ (van lichaam, geest, omgeving) die de werkelijkheid als een bewust en - vooral – onbewust ‘totaal’ waarneemt. Het vraagt om kennis (leren) begrijpen, integreren en toepassen en het ontwikkelen van kunde of een geheel van vaardigheden, om doelgericht te kunnen handelen.

Doel van het project – de bevordering van de actieve leefstijl van de 55-plusser - is het creëren van situaties of contexten waardoor mensen binnen en door leer-, sport- of werkomgevingen worden gemotiveerd. Ontwikkelingsonderzoek gaat na in welke mate programma’s, aanpakken of plannen in praktijk kunnen worden toegepast. Leraren, lesgevers of trainers zijn behalve de kartrekkers ook de ontwikkelaars, uitvoerders en, in de meeste gevallen, de (zelf)onderzoekers. Ze ‘keuren zeker hun eigen vlees’. Het hangt van hun professionaliteit af in hoeverre ze voldoende zelfkritisch en ontwikkelend kunnen zijn. Zo mogelijk alle betrokkenen (coördinatoren, kartrekkers en deelnemers/de 55-plussers) worden bij de proces- en productevaluatie van hun ‘good practice’-innovatie-ervaringen betrokken: hoe tevreden zijn ze ermee? 


Een leven lang leren en ontwikkelen, aanleren van kennis en vaardigheden en het voortdurend verbeteren of vervolmaken daarvan, draagt bij aan een actieve leefstijl. Bij dat leren en ontwikkelen is de gehele persoon - lichaam (genetisch, fysiek en biologisch) en bewustzijn (kennis, vaardigheden, attitudes, waarden, emoties, betekenissen, overtuigingen en zintuigen) – betrokken. Je ervaart sociale situaties waarvan de inhoud leidt tot veranderingen in gedrag en opvattingen en een 'nieuw' geïntegreerd geheel (Klarus & de Beer, 2015, p.45). Naast leren en ontwikkelen is ook het ondernemend zijn, veel bewegen en sporten fundamenteel voor ons bestaan. Door veel bewegen word je slimmer en door leren en ontwikkelen beweeg je ook beter. Fysieke, sociale en mentale coördinatie is hiervoor de basis.  

Leefgebied ‘Ontwikkeling’: wat, hoe en waarom? De 55-plussers van nu - geboren in de jaren veertig, vijftig en begin zestig - hebben voorkeur voor een actieve leefstijl (Baars, 2007; Timmers, 2012; SCP, 2018). Werk, Zorg, Ontspanning en Ontwikkeling zijn de leefgebieden die in elke levensfase om bepaalde actie vragen. ‘Werk’ is gericht op een beroep of een vrijwillige keuze. ‘Zorg’ richt zich op doelgroepen zoals kinderen, volwassenen en ouderen (bijvoorbeeld mantelzorg). ‘Ontspanning’ omvat vele activiteiten of gebieden zoals: sporten, musiceren, bezoeken van theater, fotograferen, ….. ‘Ontwikkeling’ staat op zich als leren of trainen bij scholing of het volgen van cursussen, maar is vaak ook gekoppeld aan werk-, zorg- en ontspanningstaken. Al doende leren en optimaal presteren gaan samen.
Coördinatie is de basale handelingskwaliteit van een persoon en te onderscheiden in ‘algemeen’ of ‘specifiek’. ‘Specifiek’ is activiteitgericht. Motorische-Fysieke coördinatie vraagt om een bepaalde mate van afstemming tussen uithoudingsvermogen, lenigheid, kracht en snelheid óf mentale coördinatie: strategisch en doel- en ontwikkelingsgericht handelen óf sociale coördinatie bij het begeleiden van elkaar en wijze van samenwerken.

Coördinatie van het bestaan!
Op vele ‘gebieden’ vormen we holistische ‘plaatjes’ van feitelijke, gewenste of gewilde competenties, bekwaamheden of kwaliteiten, zoals: ‘het vader of moeder-zijn’, ‘mijn sportgeschiedenis’, ‘ontwikkeling van mijn werk, zorg of ontspanning’.
Voor een ‘totaalplaatje’ is nodig dat beleven-ervaren, leren-ontwikkelen en fysiek-sociaal-mentaal coördineren van mij in een omgeving zo volledig mogelijk én in samenhang plaatsvindt. Ontwikkelen van  ‘totaalplaatjes’ is een leven lang zich herhalend proces, waaraan wij als ‘belichaamde wezens’ deelnemen (Bos, 2014) Mijn lichaam ontdekt en onthoudt hoe ik een bal bij handbal zo hard mogelijk op doel gooi, hoe ik bij snowboarden mijn evenwicht bewaar of hoe ik een sterke impuls aan een speerworp meegeef. Maar ook: ‘hoe ik een professie zo goed mogelijk ontwikkel’. “Wie wij worden, hangt af van onszelf én van onze omgeving” (Verhaeghe, 2012)..

 

Het ‘totale ontwikkelingsplaatje’! Een 55-plusser maar ook een vijftienjarige die wil gaan basketballen, speelt eerst ‘drie tegen drie op één basket en een half speelveld’. Dat is een afgeleid spel van het – tot nu - échte sportspel ‘vijf tegen vijf’. De essentie van beide vormen is: ‘een team probeert al dribbelend of passend tot scoren (=‘de bal gaat door de basket’) te komen en een ander team probeert dat te voorkomen’. Zo’n sportspel kun je zowel competitief als recreatief (of onderling) spelen. Voor elke sportvorm zijn meerdere vaardigheden nodig. Motorische of technische…. zoals dribbelen of passen; tactische (dus sociale)… hoe kunnen we samen scoren of sportief spelen én cognitieve: spelregels of schema’s, werkpatronen en vuistregels als onderdeel van een leer- of ontwikkelmethode. Dit geeft alles bij elkaar vorm en inhoud aan het basketbal-totaalplaatje en verloopt voor de beoefenaar voor een belangrijk deel onbewust en voor de rest bewust. Ik weet alleen dat ik scoor of wil gaan scoren en dat doe ik in beweging, zoals met een lay up.

Drie manieren van leren (leren)! "Leren is het gevolg van studie, grondige bestudering, echte gesprekken, ongestoorde reflectie en vooral vallen en opstaan, proberen en slagen, als we tenminste de tijd nemen om deze fouten en successen te evalueren, te reflecteren, terug en vooruit te kijken, breed en diep na te denken" (Compernolle, 2014). Maar hoe leer je iets? 

1 Je leert door ‘wat je ziet’ en dat ‘nadoet’: monkey see, monkey do! Leren door imiteren gaat snel en is het meest gemakkelijk. Je ‘spiegelt’ je aan van wat je een ander ziet doen..

2 Doelgericht handelen of ‘hoe realiseer je de bedoeling van een sportvorm, spel of vaardigheid’?...én welke principes of vuistregels spelen een rol bij bijvoorbeeld het slaan van een softbal of honkbal: ‘kijk naar de bal en sla de knuppel horizontaal’?
Wanneer bewegen, spelen of sporten, voor je gevoel, naar wens of tevredenheid gaat, speelt het onbewuste, en op imiteren gebaseerde leren, een hoofdrol . Wanneer het bewegen niet naar eigen tevredenheid gaat, ga je bewust na waaraan dat dan ligt. ‘Pas ik de bedoeling van een vaardigheid niet goed toe? Is dit niet de goede vaardigheid voor deze situatie? Zie ik technische of tactische principes of vuistregels over het hoofd?’

3 Het leren van cognitieve structuren van een activiteit of vaardigheid. Precies nagaan van wat je moet doen, de feitelijke uitvoering plus in welke mate dat overeenkomt met de gewenste uitvoering. Een volledig bewuste denkactie die alleen zin heeft, als de eerste twee leermanieren onvoldoende resultaat hebben. 

 

Beleven, leren en ontwikkelen van ‘totaalplaatjes’
Je moet eerst iets hebben beleefd, voordat je dat écht wilt leren of verbeteren en pas dan wil je het over de langere termijn ontwikkelen. De 55-plusser van nu wil zeker, een leven lang, ‘sportgericht, zelfstandig, optimaal en op maat sporten in een naar niveau gemengde ‘club’, zoals uit ons onderzoek blijkt (Timmers, 2016). De volgende ‘manier van deelnemen’ is daarvoor aan te bevelen. De kenmerken zijn onderstreept ….

 

’Ik wil sporten omdat ik deze sportvorm uitdagend en plezierig vind. Het motiveert mij. Ik wil vooral beleven, maar ook nog optimaal presteren en natuurlijk op maat. Dat wil ik samen doen met sporters van ongeveer dezelfde leeftijd. Het zelf een activiteit regelen en ontwikkelen, maakt het nog leuker. Zo mogelijk begeleidt een kartrekker ons daarbij. De groep reguleert en ontwikkelt in principe alles zelf. Sport is voor ons vereenvoudigde wedstrijdsportvorm (kleiner veld, minder spelers, ander materiaal/ vier tegen vier volleyballen) of een afgeleide sportvorm (bv. pickleball/klein terreintennis), die we onderling beoefenen. Regels worden op de mogelijkheden van de groep en – zo nodig - op die van individuele spelers afgestemd. Samen een sport beleven door het uitvoeren van een eind(sport)vorm, is het belangrijkste. Naast voldoende beleving gaat het ons om het leren of verbeteren van sportvaardigheden. Ieder op eigen niveau. Het zelf en samen ontwikkelen van een sportvorm op de langere termijn is wenselijk. Dat doe je door elkaar te ‘al vragend’ te begeleiden c.q. te coachen, maar alleen als je dat zelf wilt.
‘Matig intensief’ bewegen is optimaal als dat gebeurt met driekwart inspanning van je persoonlijk maximaal coördinatievermogen op fysiek (doelgericht handelen) en mentaal gebied (strategisch handelen). Voldoende intensief sporten en in clubverband is gezond. Het ontspant omdat zowel de sportvorm als de wijze van deelnemen je plezier geeft. Iedereen kan eraan deelnemen: mannen en vrouwen, beginners en gevorderden, met goede en matige conditie, gezonde sporters en met fysieke beperkingen (chronische ziekten). De groep zorgt voor een veilige, verantwoorde en activerende (sport)omgeving’. In zo’n 55-plus club staat het samenwerkend beleven, leren en ontwikkelen centraal. Iedereen zoekt naar oplossingen van sportproblemen en probeert met verschillen van elkaar om te gaan om een zo goed mogelijk individueel en gezamenlijk resultaat te bereiken. Het zijn clubs die voor iedereen toegankelijk zijn en waarin niveaus en mogelijkheden weliswaar sterk verschillen, maar waarvan de groep in staat is dat samen te regelen en te ontwikkelen. Het leidt uiteindelijk tot een veilig, verantwoord en inspirerend samenwerken’.

 

Optimaal presteren bij leren en ontwikkelen! ‘Trainen’ is het op niveau houden of verbeteren van fysieke aspecten. Samen ook wel conditie genoemd. ‘Ontwikkelen’ is het op niveau houden of verbeteren van je motorisch, sociaal/affectief en cognitief functioneren van vaardigheden op een bepaald gebied. Als je dagelijks of enkele keren per week een à twee uur zo goed mogelijk iets doet, presteer je optimaal. Dat is beter dan voldoen aan een minimumnorm. Zoals bijvoorbeeld …..de ‘Nederlandse Norm Gezond Bewegen’: een volwassene is gedurende minimaal een half uur actief op een matig intensieve manier, op vijf dagen van de week. ‘Matig intensief’ is hier vijf tot zes km wandelen per uur of twintig tot dertig km fietsen. Voor een 55-plusser is die inspanning gelijk aan drie tot vier kilometer wandelen per uur of vijftien kilometer fietsen. In augustus 2017 verscheen een afgezwakte minimale norm. "Bewegen is goed voor de gezondheid. Dat kan ook gewoon door trap te lopen, te tuinieren of op fiets te stappen. Beweeg tweeënhalf uur per week matig intensief en verdeeld over de week. Integreer bewegen in je dagelijks leven. Zoek activiteiten die vragen om uithoudingsvermogen en kracht. Voorkom veel stilzitten".

Eigenlijk is de aanbeveling: zorg voor een optimaal actieve leefstijl. Voor de 55-plusser houdt dat in: beweeg dagelijks optimaal, leg de nadruk op leren en ontwikkelen en doe dat periodiek (wekelijks of  maandelijks) veelzijdig/allround. Dus doe meerdere beweeg- of sportvormen van een onderling verschillende complexiteit.

 

Sportvormen kiezen op niveau van complexiteit! Je kunt hier naar moeilijkheid verschillende keuzes maken. Mede afhankelijk van de eigen mogelijkheden ……

Basaal complexiteitsniveau: het ‘al verplaatsend je evenwicht houden’, zoals bij wandelen of fietsen. Een fysieke voorwaarde. Kennis hebben van het te gebruiken materiaal of te benutten omgevingsvoorwaarden (‘harder trappen als je een heuvel opgaat’) is een mentaal-cognitieve voorwaarde. Het is een ‘actie’ van jouw lichaam met het beschikbare materiaal (fietskwaliteit) in een bepaalde omgeving.
Gemiddeld complexiteitsniveau: het naast lichaamsacties reageren op het gedrag van medespeler(s) en/of tegenstander(s), het zelf meer tactisch handelen, maakt tennis, badminton of tafeltennis wat coördinatie betreft complexer. Van dezelfde orde is dans of bewegen op muziek. Het instellen op de actie van een partner (en andere dansers in je omgeving) is nodig en het bewegen op maat en ritme van de muziek.
Hoog complexiteitsniveau: doelsporten als floorball (uni- of zaalhockey) en streetbasketball zijn weer complexer. Gedrag van mede- en tegenspelers beïnvloedt het individuele tactisch spelgedrag en van het team. Op dit niveau is ook van belang: het inzicht krijgen in hoe je beweeg- en sportvormen al doende leert en ontwikkelt (de leer- of ontwikkelmethode; het leren hoe te leren).  

Optimaal leven of deelnemen! Een activiteit (of inhoud) wordt op basis van aantrekkelijkheid en/of gewenste inspanning gekozen, maar ook op de wijze van deelnemen. Beide bepalen het niveau van het persoonlijk optimaal presteren ….

Dimensie 1. Het gevoel dat je op ‘zestig tot zeventig procent’ van je persoonlijk maximaal (coördinatie)vermogen functioneert bij het uitvoeren van een activiteit, sportvorm of ontwikkelingstaak; dat vraagt om een ‘matig intensieve inspanning’ op vijf tot zeven dagen per week.

Dimensie 2. Dagelijks en wekelijks doe je vele en gevarieerde activiteiten of taken; …dus ook meerdere sportvormen. Voor een zeventigjarige kan dat betekenen: dagelijks dertig kilometer in een stevig tempo fietsen, wekelijks vijftien kilometer nordic walken, een uurtje tafeltennissen, een keer per maand een uurtje zwemmen, in de zomer wekelijks onderling honk-softballen en twee uurtjes kajakken, in de winter een week skiën en – zo mogelijk - dagelijks schaatsen of maandelijks een paar uur op de ijsbaan bezig zijn; alle activiteiten doe je alleen maar vaak samen met anderen, in ‘clubverband’.

Dimensie 3. Veel activiteiten of taken probeer je te ontwikkelen, door ze achtereenvolgens en cyclisch te beleven, leren én leren hoe te leren c.q. ontwikkelen, door er verschillende functies (bv. competitief, samenwerkend of coöperatief handelen) of rollen (bv. kartrekker, begeleider-coach) in, bijvoorbeeld een ’55-plus club’, mee uit te voeren. Deze bestaat uit een mix van mannen en vrouwen, verschillend in niveau of mogelijkheden, interesse en sociale mogelijkheden. De groep zorgt voor een (mentaal) veilige, verantwoorde en activerende leefomgeving en regelt, ontwikkelt of verandert dat alles samen en in overleg.

 

Omgaan met verschillen binnen een ‘club’. Bij veel ‘clubs’ lopen niveaus en mogelijkheden van de deelnemers onderling uiteen. Optimaal presteren vereist differentiatie. Dat betekent ….

1 Binnen een activiteit worden onderling verschillende taken of vaardigheden uitgevoerd die afgestemd zijn op individuele mogelijkheden. Voorbeeld…Bij het spelen van ‘vier tegen vier voetbal’ (op een relatief klein speelveld) wordt in de aanval in een ‘ruit’ gespeeld en ‘man tegen man’ verdedigd. De meest balvaardige spelers staan in het centrum.
2 De inspanning/inzet/nodige fysieke-mentale coördinatie voor een taak of vaardigheid, verschilt per deelnemer. Het streven naar de wil tot verbeteren/leren of leren hoe te leren (schema’s, werkpatronen, vuistregels) verschilt per deelnemer. Er moet in stappen worden gedacht. Voorbeeld…Bij het spelen van ‘vier tegen vier volleybal’ spreken de spelers af op welke manier ze de bal spelen. Mogelijkheden zijn: bal vangen, voor jezelf opgooien en bovenhands doorspelen; alleen een te laag aangespeelde bal vangen, op- en doorspelen; de bal direct doorspelen (onder- en bovenhands).
3 Bij een activiteit of onderdeel daarvan worden verschillende rollen (kartrekker, coach of begeleider) toegepast. Het vereist een ‘leren hoe je anderen iets kunt leren’ op het gebied van de hele activiteit of een onderdeel daarvan. Je moet daarbij kunnen denken in methodische/logische opeenvolgende stappen.

 

Evolutie van de mens, persoonlijk en omgeving gebonden! Evolutie van de mens is een eenheid van ‘lichaam, geest (/bewustzijn) en omgeving in ontwikkeling’. Dat ‘ontwikkelen én bewegen’ is fundamenteel voor ons bestaan (Scherder, 2014). Zowel een ‘activiteit’ als de ‘wijze van deelnemen’ van een persoon of een groep motiveert het willen leveren van inspanningen en het erbij betrokken willen zijn. De mens ontplooit en ontwikkelt zich als totaliteit. Niet (alleen) onze hersenen denken, wij denken! Niet onze benen lopen, maar wij lopen. ‘Leren (van vaardigheden)’ vindt plaats op korte termijn en ‘ontwikkelen (van een sportvorm)’ gebeurt op lange termijn’ ….en betekent het volgende…..


*Verbeteren óf vernieuwen. Bij 'verbeteren' verloopt een activiteit (of taak) beter of heeft deze meer resultaat en bij 'vernieuwen' veranderen opvattingen en/of bedoelingen. Hierbij kan sprake zijn van verbreden’ en/of ‘verdiepen’ op een bepaald gebied, zoals het ‘sporten’ of het ‘coachen van elkaar’.
*Ontwikkelen heeft betrekking op een ‘beperkt’ gebied (volleybal, fotograferen, schilderen, tuinieren) of een ‘ruim’ gebied (ontspanning, zorg, werk, ….)….en hangt vaak samen met de eigen sterke punten, talenten of kwaliteiten van mensen.  

*Ontwikkelen is toekomstgericht … een investeren in jezelf, in de relaties met … c.q. het inspireren van anderen en/of het beïnvloeden van omgevingen (leef-, woon-, werkomgeving) (SCP, 2006b).
*Ontwikkelen verloopt zowel lineair, op korte termijn (‘we verbeteren iets’) als cyclisch, op de lange termijn (‘na bloei komt verval’) (Bavel van, 2018; Stuurman, 2009). Ontwikkelen vindt daarnaast op verschillende niveaus plaats: in omvang of geldigheid op macro-, meso- en microniveau óf in mate van abstractie op praktijk-, plan- en fundamenteel niveau.

Leren en ontwikkelen zijn begrippen die in ‘tijd’ en ‘omvang’ verschillen. Je leert volleybal-vaardigheden (bovenhands spelen, serveren, opstelling team bij het opvangen van de serve) opdat je het sportspel volleybal beter wilt gaan spelen en ook samen verder wilt ontwikkelen. Ontwikkelen is behalve het nodige leren óók ‘leren hoe te leren’ of ‘hoe kan ik anderen iets leren’. Hoe kan ik mezelf, mijn medespeler of het team beter leren volleyballen? “Leren en ontwikkelen zijn levenslange processen waarbij een persoon – lichaam (genetisch, fysiek en biologisch) en bewustzijn of geest (kennis, vaardigheden, attitudes, waarden, emoties, betekenissen/opvattingen en zintuigen)  - sociale situaties ervaart (een ‘omgeving’), waarvan de inhoud cognitief, emotioneel of praktisch (en in combinatie) leidt tot veranderingen bij die persoon en in diens individuele biografie worden geïntegreerd” (Jarvis, 2012; in Klarus & de Beer, 2015).


Hoe veelzijdiger je op een bepaald gebied – bijvoorbeeld sport - bezig bent, hoe beter de ontwikkeling van het sporten in het algemeen en een specifieke sportvorm in het bijzonder, verloopt. Voor een zeventigjarige….die bijvoorbeeld dagelijks met de mountainbike erop uit gaat, een keer per week wandelt, twee keer per maand zwemt, in de zomer aan kano en indoorbase-/softball doet, floorball wekelijks in de winter speelt en twee keer per maand op de ijsbaan tekeer gaat, neem ik diep mijn pet af. Zeker als die bovendien jaarlijks ook nog twee weken met familie gaat skiën.

 

Elke levensfase heeft andere vraagstukken/problemen en doet nieuwe ervaringen op: seksuele ervaring, het ouderlijk huis verlaten, studie en loopbaan, kinderen krijgen en opvoeden en dergelijke. Wat geleerd werd in vorige fasen wordt in elke volgende periode gebruikt, bewerkt en aangevuld. Elke generatie heeft ook een gemeenschappelijke geschiedenis. Het referentiekader van individuen die tot een generatie behoren heeft dus gemeenschappelijke kenmerken die zijn ontstaan door het verkeren in dezelfde sociale situatie. In de regel blijven de eenmaal gevestigde opvattingen of waardenoriëntaties en gedragspatronen zich manifesteren. Het totaal van wat iemand op een bepaald moment in het leven heeft geleerd, is van groot belang voor wat hij of zij vervolgens kan en zal gaan leren. Door de persoonlijke leer- en levensgeschiedenis ontstaat een persoonlijk referentiekader: een geheel aan betekenissen van kennis-inzichten-vaardigheden-attitudes. Het zijn de ogen waarmee iemand of een generatie de wereld al doende en al ontwikkelend ziet of wenst te zien. Omdat ontwikkelingen per generatie zowel gemeenschappelijk als persoonlijk worden beoordeeld en gewaardeerd ontstaan gedeelde waarden, waarde-gebieden of opvattingen. Samen ontwikkelen doe je binnen meerdere ‘clubs’, groepen, netwerken of leefgemeenschappen die, hoe ouder je wordt, geleidelijk meer uit dezelfde leeftijdgenoten gaan bestaan.

Ik als eenheid. Het persoonlijk geheel van denken, voelen, handelen, waarderen (= waarde of betekenis toekennen aan…) bij het alleen of samen sporten, is gebaseerd op de volgende opvattingen .…..

1 Gedrag is een eenheid van lichaam, bewustzijn(of geest) én omgeving (Bos, 2017). We nemen waar en begrijpen een bepaalde omgeving. Onze grenzen zijn gebonden aan fysieke, mentale en sociale mogelijkheden in …. of bedoelingen met …. omgevingen. Wanneer we willen gaan fietsen en constateren ‘dat het vandaag een mooie, zwoele dag is, met een strakke blauwe hemel en een lichte bries’ dan nemen we dat alles waar als: ‘ideaal om te gaan fietsen’. Onze zintuigen nemen niet alleen die prikkels waar, maar ook betekenissen of bedoelingen van een omgeving. Bedoelingen komen van ‘buiten’ én van ‘binnen’ als lichamelijke waarnemingen. Hoe meer we onszelf staande in een omgeving als holistisch (een geheel of een totaal) waarnemen, hoe adequater, effectiever en efficiënter we kunnen reageren en hoe beter we ook onze ‘ervaring’ blijven herinneren. Een survivalweek, in winterse omstandigheden, waarbij we veel afzien en moeten samenwerken zal ons - als 50-plusser -optimaal en als - 30-plusser -  maximaal kunnen activeren.
Ons handelen is aan omgevingen gebonden. Als tennisser, met racket en bal, op een speelveld met een tegenstander, vormen de context of omgeving waarin jouw (tennis)gedrag een bepaalde betekenis of zin heeft. Hebben je ouders op een redelijk niveau getennist, dan is de kans groot dat jouw sportief leer- en ontwikkelingsproces sneller verloopt en - bij dezelfde omvang aan tennisuren - een hoger niveau bereikt. Daarom ….. op basis van een bio-culturele samenhang herhaalt zich de ontwikkeling van de mens als soort (de fylogenese) in de ontwikkeling van de mens als persoon (de ontogenese). Er vindt fysieke én mentale ervaringsoverdracht (in de zin van structuren) plaats van de ene generatie op de volgende.


2 Bedoelingen geven (een bewuste) richting aan ons gedrag. Je leert geen bewegingen of woorden alleen, maar je leert bedoelingen van bewegingen of betekenissen van zinnen. Ons denken, handelen, voelen en waarderen kunnen niet los van elkaar worden geleerd en ontwikkeld. Bewegingen zijn acties van spieren en onderdeel van een handeling die doelgericht is en op basis van principes of vuistregels plaatsvindt. Om een softbal te slaan, is het raken (het doel van deze actie) van belang. Daarvoor heb je eventueel de volgende bewuste intenties nodig: ‘kijk naar de bal’ en ‘sla de knuppel horizontaal’. Daardoor kun je de bal ‘goed’ raken. In de uitvoering van het slaan vinden onbewuste aanpassingen of bewegingen plaats (bij een te lage bal zak je bijvoorbeeld als vanzelf iets door je benen). De uitvoering is vooral een onbewust verlopend gebeuren. Bedoeling en handeling(en) kun je bewust aandacht geven, bewegingen liever niet. Doe je dat wel dan beïnvloedt het vaak je coördinatie in negatieve zin. Soft- of honkbal op zich is een eenheid van motorisch-fysiek, sociaal-relationeel en mentaal-cognitief handelen. Bij elk aspect is ook sprake van emotie (onbewust) en gevoel (bewust als ervaring).

3 Waarnemen én handelen zorgt ervoor dat het objectieve en subjectieve tegelijk plaatsvindt. Een muziekinstrument vastpakken is objectief. Samen muziek maken geeft een subjectieve ervaring. Het zelf-als-subject is op het zelf-als-object gebaseerd en beide regelen ons gedrag. Persoon en omgeving zijn objectief én subjectief gezien een eenheid van waarnemen én handelen. Al het handelen gebeurt tegelijk in een voor die persoon betekenisvolle omgeving. Je ziet een bal op het gras liggen (objectief). Je loopt erop af en trapt de bal weg omdat je de bal zelf en de omgeving als een voetbalsituatie waarneemt (subjectief).

Als je slimmer wordt krijg je meer inzicht én handel je motorisch beter. Als je cognitie achteruit gaat, is dat ook met de motoriek het geval. Er is veel bewijs dat hersenfuncties, maar ook je gedrag, een leven lang optimaal kunnen (blijven) functioneren zowel in structuur als functie. Mits….je dagelijks actief bent: beweegt-sport en je op meerdere gebieden steeds wilt leren-ontwikkelen.

We komen namelijk geleidelijk in de fase waarin technologische ontwikkeling het leren en ontwikkelen van de mens beïnvloedt c.q. het gebruik van informatie of kennis verbeterd. “We kunnen het leven beschouwen als een zelf herhalend informatieverwerkingssysteem, waarvan ‘informatie’ (de software) en ‘bewustzijn’ (de hardware) bepaalt” (Tegmark, 2018, p.41-42). We kunnen daardoor vele nieuwe of complexe vaardigheden verwerven en anders tegen mens en samenleving gaan aankijken. Kunstmatige intelligentie is te definiëren als ‘het vermogen om complexe doelen te realiseren’ (p.77). ‘Leren en ontwikkelen’ heeft hiervan het meest profijt. Bewustzijn als subjectieve ervaring wordt gestimuleerd door het vermogen tot ‘intelligent denken’ (Tegmark 2018, p.444).

4 Handelingsplan, -besef en -idee vormen jouw bewegings- en ontwikkelingsidentiteit. Met mijn handelingsplan (inclusief ‘bewegingsplan’) structureer ik mijn handelen in omgevingen, mede op basis van eigen mogelijkheden. Het vereist fysiek-motorische en mentaal-strategische coördinatie. Mijn handelingsbesef is gericht op mezelf, een ontwikkeling en een omgeving. Met mijn handelingsidee voer ik functies en rollen uit binnen clubs, netwerken of samenwerkingsverbanden. Dat doe ik alleen en samen met anderen. Plan, besef en idee hangen bij alles wat ik doe met elkaar samen. Je leert alles ook het beste als dat 'breed' zintuiglijk gebeurt. En… je leert door ‘associatie’ van eerdere ervaringen. Op hoofdlijnen vorm je een model of schema als referentiekader. Dat kader wordt ‘sterker’ als daar ook anderen bij betrokken zijn. 
 
‘Anders’ sporten, maar ook ‘anders’ leven.
Presteren of competent zijn op bepaalde gebieden geeft veel voldoening. Actief leven, willen presteren is een basishouding waarmee in elke levensfase de eigen mogelijkheden of grenzen zijn te ontdekken en soms te verleggen. De nieuwe generatie (55 tot 75 jaar), maar ook de toekomstige (35 tot 55 jaar) zou het volgende ‘totaalplaatje’ van een ‘manier van leven’ kunnen nastreven. Het komt neer op een zoektocht naar eigen ‘grenzen’ en ‘optimale mogelijkheden’, ook van een 55-plus club. ….

’Ik wil fysiek en mentaal actief en ondernemend zijn op het gebied van (vrijwilligers)werk, zorg, ontspanning en ontwikkeling, zoals ik dat al mijn hele leven ben. Mijn tijdbesteding en beleving is in balans. Naast mijn gezin, familie en vrienden, stel ik sociale contacten met - onder andere generatiegenoten - in clubs, netwerken of leefgemeenschappen, zeer op prijs. De hiermee samenhangende taken en activiteiten zijn afgestemd op mijn mogelijkheden (op maat). Binnen alle clubs wil ik beleven, leren en – op de langere termijn mezelf en samen met anderen - ontwikkelen. Ik probeer op veel gebieden optimaal te presteren. Het zelf en samen regelen en ontwikkelen van activiteiten, motiveert mij. Ik fungeer zelf als kartrekker of een kartrekker helpt mij daarbij. De groep doet het regelen en ontwikkelen zelf. Door takenverdelingen zorgen we voor gelijkwaardige inbreng van iedereen. We houden rekening met interesses en mogelijkheden van elkaar en proberen een samenwerkend leren en ontwikkelen te realiseren. We helpen en coachen elkaar in de regelmatige ontmoetingen. Optimaal participeren doet een beroep op je (motorisch) doelgericht en (cognitief) strategisch handelen. Het vereist een inspanning op driekwart van het persoonlijk maximaal coördinatievermogen. Dat is ‘matig intensief’. Met deze intenties is ontwikkeling in een sportclub, een studie- of ontwikkelclub en/of een hobby-/culturele club mogelijk. Het geeft ontspanning omdat de activiteit én de wijze van deelnemen plezier geven. Dit alles gebeurt in een 55-plus club, waaraan iedereen kan deelnemen: mannen en vrouwen, met verschillen in kennis of ervaring, met goede en matige basismogelijkheden. De groep realiseert samen een (mentaal) veilige, verantwoorde en activerende leefomgeving’…..


Clubontwikkelingsniveaus
. Actief leven is tegelijk ook gezond en zinvol leven. Het is ‘gezond’ omdat het ons een gevoel van vitaliteit, competentie en sociale ervaring of binding geeft. Het is ‘zinvol’ omdat het bijdraagt aan een als voldoende ervaren invulling van je bestaan in een bepaalde levensfase en in vele verbanden of – kortweg – ’55-plus clubs’. Je gezond voelen is meer dan afwezig zijn van ziekte’. Het is meer een samenspel van fysiek (bewegen-sporten), psychisch (leren-ontwikkelen) en sociaal (samenwerken) welbevinden op verschillende ‘clubdeelnameniveaus of -gradaties’ van het samen beleven, regelen en ontwikkelen (Devisch, 2013).

Clubdeelnameniveau 1. Ik wil lid worden van een 55-plus ‘sportclub’… Deze bestaat uit een tiental sporters (mannen en vrouwen) die wekelijks een zaal huren om te gaan volleyballen. Een deel had vroeger gevolleybald en een deel niet. Een oud-volleyballer fungeert als kartrekker… Je neemt deel aan deze ‘club’ omdat op de eerste plaats de activiteit en de deelnemers je aanstaan. De activiteit of inhoud is aantrekkelijk, uitdagend of gewoon plezierig. Volleybal heeft als sport een bepaalde moeilijkheidsgraad qua coördinatie en het hangt van de deelnemers af hoe gedifferentieerd/ onderscheidend naar niveau het sportspel qua spel(regels) kan worden gespeeld en ontwikkeld. Iedereen moet op zijn of haar niveau kunnen deelnemen: op maat en optimaal, Vandaar dat we onderling vier tegen vier spelen en de eerste tijd verschillen in het (be)spelen van de bal van elkaar accepteren.

Clubdeelnameniveau 2. Nu gaat de ‘wijze van deelnemen’ - van mij en mijn club- of teamgenoten - belangrijker worden. Je probeert zelf, maar mogelijk ook al anderen te ’coachen’. Beleven, leren en ontwikkelen zijn nu min of meer achtereenvolgens van belang. Ervaar eerst hoe iets gaat of (aan)voelt en daarna wil je iets verbeteren, leren of ontwikkelen.  Dan ook los je alleen of samen steeds meer beweeg- en ontwikkelproblemen op / of leer je steeds meer technische en tactische volleybalvaardigheden. 
Clubdeelnameniveau 3. Het elkaar helpen, begeleiden of coachen wordt ingepast en al doende verder ontwikkeld door de ‘wijze van sporten’ als sporter, team en ‘club’/groep in onderbrekingen of na afloop bespreekbaar te maken. Het gaat hier vooral om het leren en ontwikkelen van een activiteit op de langere termijn. Je verbetert of leert een volleybalvaardigheid (een smash) en je verbetert of ontwikkelt het spel (technisch en tactisch) in fasen.

 

Zelfstandig problemen oplossen. Het vermogen tot zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk handelen - ofwel zelfregulering – is in de loop van een leven te ontwikkelen en vol te houden. Voor het zelfstandig leren en ontwikkelen (of: leren hoe te leren) heb je per handelingsgebied schema’s/modellen, werkpatronen/procedures en vuistregels/principes nodig. ‘Werkpatronen’ zijn bijvoorbeeld leer- of ontwikkelmethoden. We onderscheiden er drie bij ‘manieren van leren’: (a) leren door imiteren/ onbewust nadoen; (b) leren door handelen/bewust doelgericht en (c) leren door conditioneren/stapje voor stapje naar de hele activiteit. Bij de eerste twee gaat het vinden van oplossingen het eenvoudigst, omdat ze meer onbewust plaatsvinden.

             Een ander leermethodevoorbeeld is een activiteit in z’n geheel en/of in delen leren en ontwikkelen. Een niet al te complexe activiteit of taak voer je direct in z’n geheel uit: 'vier tegen vier volleyballen'.
Bij totaal-totaal (T-T) leren speel je eerst: drie tegen drie en dan vier tegen vier basketbal op een half speelveld en vervolgens vijf tegen vijf op een volledig speelveld. Alle drie zijn eindsportvormen.
Maar het kan ook afwisselend van een ‘totaal’ naar een ‘(onder)deel’ daarvan en weer terug naar een ‘totaal’. Totaal-deel-totaal (T-D-T) leren dus. Je speelt bijvoorbeeld vier tegen vier volleybal. Vervolgens speel je ‘een plus een’ om samen zo lang mogelijk de bal bovenhands over het net in het spel te houden. Dat is dat eerder een ‘spelprobleem’ gebleken. Daarna speel je opnieuw vier tegen vier. Als laatste is er ook een volgorde van onderdeel naar onderdeel tot een geheel, het deel-deel-totaal (D-D-T) leren. Een opeenvolging van het leren van een beperkt aantal technische en tactische vaardigheden naar steeds meer vaardigheden en in steeds meer complexe situaties. De eerste twee leermethoden verdienen de meeste aanbeveling vanwege de totaalervaring. 

Bewustzijn van lichaam én omgeving. Bewustzijn is waarnemen, denken (intelligentie), gevoel en emoties hebben, gedrag en handelen. En dus beschikken, behalve de mens, alle dieren daarover (Bos, 2017). Bewustzijn is lichamelijk én geestelijk van aard en levert kennis bij denken, handelen, voelen en waarderen (in de zin van: betekenis of waarde toekennen aan…; Crevits, 2016). Bewustzijn is intern en extern (naar de omgeving) gericht.

Waarnemen gebeurt met zintuigen waarmee we visuele (zien), auditieve (horen), tactiele (voelen) en proprioceptieve/ kinesthetische (aanvoelen) prikkels opvangen. Dit leidt tot gedrag dat reflexmatig of routineus (onbewust verlopend), regel-geleid of weloverwogen (bewust op basis van opvattingen, intenties of verwachtingen) plaatsvindt. 
Bewustzijn is energie - inclusief en holistisch - waarin en waardoor ons leven zich voltrekt. Het individuele en collectieve bewustzijn zijn innig met elkaar verweven. Het is de essentie van het menselijk bestaan om deel van een geheel te zijn.
Actief handelen optimaal toepassen, maakt je meer competent en zorgt voor ontwikkeling (Bos, 2014). ‘Use it or lose it’ is hierbij – zeker voor de 55-plusser - een gulden regel.

 

Handelen is mijn vrije wil! Een omgeving wordt door het lichaam, bewust én onbewust, waargenomen en zo ook het eigen gedrag. Een voorbeeld daarvan.
Als je gaat honk- of softballen is het slaan van de bal van belang om een bijdrage te leveren aan het resultaat van je team. Hard en/of geplaatst slaan is je doel als je aan slag staat. Om dat te realiseren ‘kijk je naar de bal’ en ‘sla je horizontaal’. Dat zijn twee bewuste acties of handelingen, waarmee je de bal vrijwel altijd raakt. Maar je doet meer onbewust: je maakt bewegingen. Je staat met enigszins gebogen knieën, voor je slaat breng je de knuppel nog wat meer naar achteren en draai je de heup in, na het raken van de bal sla je door om al je kracht op het slaan van de bal over te brengen. De hoogte van de worp bepaalt of je wat meer door de knieën gaat of niet horizontaal moet slaan, om de bal toch te raken.
Bewustzijn is overigens niet alleen afhankelijk van wat er in mijn lichaam gebeurt, maar ook van mijn levensgeschiedenis, mijn huidige positie in de wereld, kortom mijn interacties met die wereld en mijn handelen daarin is een kwestie van ‘vrije wil’. De mens kan actief innerlijke processen sturen en door aandacht gedrag of een omgeving veranderen. Alles wat je belangrijk vindt – en noem dat waarden, waarde-gebieden, overtuigingen of  opvattingen - sturen onze wil (Timmers, 2010 & 2012). Dat maakt ons gedrag 'zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk'. Autonoom handelen zonder 'vrije wil' is onmogelijk. Het is een voorwaarde, bewuste actie en zelfverwerkelijking (Laar, van de & Voerman, 2011). Als we dood gaan verdwijnt het individuele bewustzijn en blijven alleen herinneringen bij anderen over. Door ons actieve leven in gedrag en opvattingen (ons individuele bewustzijn) hebben we – ieder op eigen wijze en meer of minder inspirerend bijgedragen aan het collectieve bewustzijn of herinnering bij de ander. Zó blijft onze geest heel lang bestaan.