Ontwikkeling van de mens: denken en handelen in 'totaalplaatjes'
Afdrukken print contact contact lettergrootte:standaard groot

Ontwikkelen van ‘totaalbelevingen'    Versie december 2018.  

Ontwikkelen van ‘totaalbelevingen'    Versie december 2018.   

Deze bijdrage beschrijft de achterliggende opvattingen van de kernartikelen 4A & 4B. 
Samenvatting . ’Bewegen-Sporten’ en ‘Leren-Ontwikkelen’ zijn de pijlers van een actieve, gezonde en zinvolle leefstijl die een leven lang fundamenteel van belang zijn. ‘Lichaam, geest (of bewustzijn) én omgeving’ vormen hierbij een eenheid in waarnemen en handelen en de basis voor ‘beleven, leren en ontwikkelen’ van totaalplaatjes zoals ‘beoefenen van (een) sport(en)’. We zijn in staat om – gegeven onze mogelijkheden en omstandigheden – alleen én samen optimaal te presteren, te ervaren én omgevingen zo nodig activerend(er) te maken. Kortom … voor het zelf en samen ontplooien van een actieve of ondernemende leefstijl.
Lees- en fundamenteel/planniveau 2 voor kartrekker, coördinator, leefstijlcoach en/of de 55-plusser.


Een handelingstheorie als basis voor ‘Actief leven, leren en ontwikkelen’!
De keuze voor een actieve leefstijl en de ontwikkeling daarvan is kenmerkend voor het grootste deel van de ‘nieuwe generatie’ (geboren in de jaren veertig, vijftig en begin zestig). Zo’n leefstijl zal per levensfase van vorm en inhoud verschillen. Op deze OLDACTION-site richten we ons op de levensfase van de 55-plusser.
Het aan de persoon gebonden ‘zelf-, omgevings- en ontwikkelingsbesef’ (Verkuylen, 2010) en de ontwikkeling van je ‘zelf’, de relaties met anderen, de wijze waarop je anderen kunt inspireren of begeleiden en de ontwikkeling van de omgeving bepalen onze identiteit en geven ons handelen kwaliteit of niveau. Daarbij hoort ook samenwerking in ‘clubs, groepen, netwerken of leefgemeenschappen’. Een actieve leefstijl én optimaal willen ‘leren en ontwikkelen’ én ‘bewegen of sporten’ gaan samen. Het zijn een leven lang de fundamenten van ons bestaan.

Denken, handelen, voelen en waarderen (ofwel: ergens betekenis of waarde aan toekennen) vindt vrijwel gelijktijdig en in samenhang plaats. We voeren een geheel aan taken en activiteiten uit op een bepaald gebied. We volleyballen, fotograferen, spelen gitaar of met de kleinkinderen en dat alles geeft ‘ontspanning’ (een van de vier leefgebieden). Maar volleybal (ook een gebied) vereist vele vaardigheden (technieken en tactieken), regels en schema’s, werkpatronen of vuistregels om het sportspel te leren en methoden om het te ontwikkelen. Door methoden vindt leren hoe te leren (ontwikkelen) én leren hoe je anderen het spel beter kunt leren spelen (begeleiden/ coachen) plaats. Dat vergt tijd en een geheel van: motorisch/fysieke, mentaal/ cognitieve en sociaal/affectieve vaardigheden (De Monchy, 2013, p.23)  Een ‘totaal leren’ op het gebied van volleybal én – in overstijgende zin - van ‘lichaam, bewustzijn (of ‘geest’) én omgeving’.

Dat past in een fenomenologische-gedragswetenschappelijke kijk op de mens. Deze benadering is van 1999 tot en met 2009 en vervolgens tot en met 2018 door groepen ontwikkelaars-onderzoekers toegepast bij de ontwikkeling van twee praktijktheorieën (concept 1 en 2). Ze zijn/waren bedoeld voor verschillende doelgroepen en omgevingen: concept 1 voor lichamelijke opvoeding of sportonderwijs in het voortgezet onderwijs, vaklerarenopleidingen en de jeugdsport en concept 2 voor de 55-plus sport. De kern van deze site. 

Concept 1….Actief leren onderwijzen  of …. beleven, leren en ontwikkelen door groepen of ‘clubs’ op het gebied van sport, lichamelijke opvoeding en opleiding daarvoor….
Bij het uitvoeren van activiteiten of taken vindt op alle gebieden, individueel en in groepsverband, cyclische, opeenvolgende processen plaats van ‘beleven – leren – ontwikkelen’. Je speelt met plezier een partijtje volleybal. Dat spel bevalt je, je wilt deze sportvorm c.q. bewegingsactiviteit beter (effectiever of efficiënter) leren uitvoeren en op de langere termijn ontwikkel je deze activiteit als een ‘totaal’ in zowel theorie als praktijk, als een eenheid van denken-handelen-voelen-waarderen. Aan dit ontwikkelen (of ‘leren hoe te leren’) liggen schema’s- modellen, werkpatronen-procedures, vuistregels-principes ten grondslag. Deze zijn vaak op meerdere (sport)gebieden en (sport)vormen toepasbaar. Er vindt positieve transfer bij plaats. Op de lange termijn vormen ze ontwikkel- of trainingsmethoden. Kennis, maar ook kunde op een bepaald gebied wordt in samenhang gerealiseerd. Het fysiek-motorische en het mentaal-cognitieve-sociale ‘leren’ leidt later – na bewustwording en uitvoeringstaken – tot een ‘leren hoe te leren’ (of ontwikkelen) én ‘leren hoe je anderen iets kunt leren’. Het uitvoeren van rollen als scheidsrechter, ‘trainer-coach’, ontwikkelaar bij zowel bewegings- of sportthema's als enscenerings- of ontwerpthema's, stimuleert dat. Fysiek-motorisch, sociaal-affectief en cognitief-mentaal leren, vormen een eenheid.
Deze benadering is toegepast en onderzocht bij lessen Lichamelijke Opvoeding in het voortgezet onderwijs, bij (jeugd)sportbegeleiding en op enkele lerarenopleidingen (of toenmalige Academies voor Lichamelijke Opvoeding). Het sloot aan bij het onderwijs dat in Nederland, vanaf de jaren zeventig, op alle niveaus, is gepropageerd. Het doel was: het meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk leren handelen van leerlingen, studenten, trainers en docenten te bevorderen op het gebied van LO en Sport. De aanpak is ook toegepast bij het ontwikkelen van ‘lerende organisaties’ binnen het bedrijfsleven.
De uitgangspunten zijn in elke ‘club’, netwerk of leefgemeenschap toe te passen. Ze zullen ook in de toekomst onze samenleving beïnvloeden, vooral in de zin van: “samenwerken, kritisch reflecteren, transfervermogen, zelfregulatie” (Klarus & de Beer et al, p.7 e.v.). Het gaat om het creëren van situaties of contexten waardoor mensen binnen leer-, sport- of werkomgevingen worden geactiveerd c.q. gemotiveerd. ‘Krachtige’ of ‘rijke’ leer- en ontwikkelomgevingen. Ontwikkelingsonderzoek is toegepast om na te gaan ‘in welke mate’ programma’s, plannen of aanpakken in praktijk voldoende functioneren. Vaak zijn hier de leraren, lesgevers of trainers behalve ontwikkelaars ook uitvoerders en onderzoekers. Nadeel ze ‘keuren hun eigen vlees’, maar het zijn ook professionals. De nadruk bij dit soort onderzoek ligt op evaluatie/reflectie van ervaringen door alle betrokkenen met deze ‘good practice’-innovatie. Hoe groot is bij hen de ‘mate van tevredenheid’.

 

Concept 2… Actief leven, sporten en ontwikkelen … in en door 55-plus ‘sport- en ontwikkelclubs’….
‘Actief leren onderwijzen’ en ‘Actief leven, leren en ontwikkelen’ vormen samen één praktijktheorie die kan worden toegepast op het gebied van werk (vakleraren lichamelijke opvoeding, opleiders op lerarenopleidingen voor vakleraren LO en sporttrainer-coaches op hetzelfde niveau), zorg (leren en ontwikkelen),ontspanning (o.a. sport) en ontwikkeling van een of meerdere van deze gebieden.
Zowel jong als oud ambieert een leven lang actief (ondernemend, vitaal) leven. Daarvoor is een optimaal fysiek, sociaal én mentaal-cognitief beleven, leren - ontwikkelen nodig. Het niveau dat je kunt bereiken hangt af van de eigen competenties en de mogelijkheden van (leer- en ontwikkel)omgevingen of de mate van het veranderen daarvan. Actief ontwikkelen vraagt om een veelzijdige en veelvormige inhoud. Zo mogelijk een allround functioneren op vele manieren en gebieden. Sport, als aspect van ontspanning, is zo’n gebied dat behalve een allround (fysiek, sociaal en mentaal) ontwikkelen ook optimaal en/of maximaal ervaren mogelijk maakt. Dat heeft een grote invloed op het eigen welbevinden en van een groep. Sport moet dan niet alleen competitief, maar (bij het ouder worden vooral) ook recreatief/onderling uitgevoerd kunnen worden.  
Een actieve leefstijl draagt bij aan het meer zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk handelen én biedt mogelijkheden tot een voortdurend investeren in jezelf, in de relaties met … en het inspireren van anderen (coachen/begeleiden) plus in het veranderen van omgevingen. Plezier en resultaat zorgen voor een vitaal leven. Samenwerkend leren in een ‘club(je)’, bevordert de ontwikkeling van ‘inhoud’, ‘wijze van deelnemen’ en het blijven participeren in de samenleving.
Veelzijdig, veelvormig en/of allround handelen is relatief complex en vereist het leren van totaalplaatjes (vier tegen vier volleyballen). De mens is ook zelf een ‘totaalplaatje’ (van lichaam, geest, omgeving) die de werkelijkheid als een bewust en - vooral – onbewust ‘totaal’ waarneemt. Het vraagt om kennis (leren) begrijpen, integreren en toepassen en het ontwikkelen van kunde of een geheel van vaardigheden, om doelgericht te kunnen handelen.

Doel van het project – de bevordering van de actieve leefstijl van de 55-plusser - is het creëren van situaties of contexten waardoor mensen binnen en door leer-, sport- of werkomgevingen worden gemotiveerd. Ontwikkelingsonderzoek gaat na in welke mate programma’s, aanpakken of plannen in praktijk kunnen worden toegepast. Leraren, lesgevers of trainers zijn behalve de kartrekkers ook de ontwikkelaars, uitvoerders en, in de meeste gevallen, de (zelf)onderzoekers. Ze ‘keuren zeker hun eigen vlees’. Het hangt van hun professionaliteit af in hoeverre ze voldoende zelfkritisch en ontwikkelend kunnen zijn. Zo mogelijk alle betrokkenen (coördinatoren, kartrekkers en deelnemers/de 55-plussers) worden bij de proces- en productevaluatie van hun ‘good practice’-innovatie-ervaringen betrokken: hoe tevreden zijn ze ermee? 


Identiteit heeft een biologische én cultureel/sociale basis!

Evolutie is biologisch én cultureel/sociologisch de basis van ons mens-zijn. “De embryonale ontwikkeling van een soort herhaalt de embryonale fasen van voorvaderen, niet van de volwassen fasen” (Bos, 2017, p.59). Er vindt genetisch en memetisch, biologisch en cultureel ervaringsoverdracht plaats van de ene generatie op de volgende. Waar de oudere generatie in ontwikkeling lang over doet, is de volgende generatie daar veel sneller in/mee. Bijvoorbeeld het digitaal leren handelen van een zevenjarige in vergelijking met dat proces bij een zeventigjarige.
De mens is …. en de menselijke ontwikkeling verloopt als …. een bio-psycho-sociale eenheid, netwerk of ‘totaal  (Baltes et al., 2007; Bos, 2014; 2017; Bult, 1994; Buskes, 2013; Dekkers, 2006; Prinz, 2012; Ramanchandran, 2011; Verhaeghe, 2018; Voorsluis, 2009). “Biologisch gezien zijn genen de basis voor ons lichaam en onze emoties en vormen memen (opvattingen, ideeën, praktijken, constructen, methoden, overtuigingen, tradities of rituelen)’ het cognitief/mentale/sociale deel” (Dennett, 2017). De eerder bij ‘leren en ontwikkelen’ genoemde ‘schema’s, werkpatronen en vuistregels’ zijn voorbeelden van deze ‘opvattingen of methoden’. Genen en memen evolueren in samenhang en dat gebeurt ook tussen processen en functies. De ‘aangeboren kennis of kunde’ van het individu en de geaccumuleerde ervaring van de soort gaan hierbij hand in hand (Buskes, 2013, p.248; Cervits, 2016). Identiteit zegt iets over een persoon en gedeelde identiteiten over een collectief. Persoonlijk bepalen (aangeboren) aanleg (of nature) en omgeving (of nurture) samen het geheel van het ‘zelf-, ontwikkelings- en omgevingsbesef’ (Ramachandran, 2011, p.245; Verhoeven, 2013; Nagel, 2014).

Bewustzijn of ‘geest!
De kern van lichaam én omgeving
“Bewustzijn is waarnemen, denken (intelligentie), gevoel en emoties hebben, gedrag en handelen. En dus beschikken, behalve de mens, alle dieren daarover (Bos, 2017; p.230). Bewustzijn is lichamelijk én geestelijk van aard en levert kennis bij denken, handelen, voelen en waarderen (in de zin van: betekenis of waarde toekennen aan…; Crevits, 2016, p.37). Bewustzijn is intern en extern, naar de omgeving, gericht. Waarnemen en handelen, mens en omgeving, vormen een ‘geheel/totaal’. Waarnemen gebeurt met zintuigen waarmee we visuele (zien), auditieve (horen), tactiele (voelen) en proprioceptieve/ kinesthetische (aanvoelen) prikkels opvangen. Dit leidt tot gedrag dat reflexmatig of routineus (onbewust verlopend), regel-geleid of weloverwogen (bewust op basis van opvattingen, intenties of verwachtingen) plaatsvindt. 
Er vindt ook in samenhang motorisch, cognitief, sociaal en affectief (gevoelsmatig) leren, ontwikkelen of ervaren plaats. Het doelgerichte of bewuste in ons gedrag noemen we (doelgericht) handelen, de rest en het merendeel is onbewust bewegen of gedrag. Gedrag en bewustzijn vinden plaats op het niveau van processen (neuronen, spieren,…) en functies (uitvoeren van taken of vaardigheden) die deel uitmaken van een ‘totaal’ als bijvoorbeeld volleybal. Deze vinden tussen persoon en omgeving plaats én in een persoon.
Met een functie wordt een bepaalde bedoeling gerealiseerd en met een proces ervaren we het verloop (in de tijd) van gebeurtenissen (Arendt, 2013; Swaab 2010). ‘Ik pak een kopje thee vast om… te drinken. Dat ‘om…te…’ van acties of handelingen geeft de beleefde bedoeling van een activiteit aan als ‘beleefde lichamelijkheid’ (Chopra & Tanzi, 2013). Zo beleef je vandaag een mooie, zwoele dag, met een strakke blauwe hemel en slechts een lichte bries. Weer dat je uitnodigt om te gaan fietsen. Het is mijn interpretatie van een beleefde werkelijkheid, gebaseerd op zintuigelijke waarneming en vertaald in zelf gewild handelen (Dijksterhuis, 2009; Withagen, 2013). Het lichaam signaleert kortom functies en processen in een bepaald omgeving op een bepaald voor mij betekenisvol gebied. Een ‘totaalplaatje’ van bijvoorbeeld  ‘willen fietsen, in prettig aanvoelend weer en met ideale condities om er op mijn manier ‘hard’ tegenaan te gaan’ (van der Stigchel, 2016, p.23). Optimaal willen presteren dus.
Lichaam én omgeving dragen beide aan dat bewust ‘zijn of worden’ bij (Bos, 2014, p.196; Noë, 2009). Ze zorgen voor de herkenning of typering van ‘dit is Ans de Graaf uit Blaricum’ op basis van haar gedrag en opvattingen (Bor, 2011; Crevits, 2016). Omgeving of context doet de zin of betekenis zowel voor mezelf als een toeschouwer begrijpen. Zo is ‘knipperen met je ogen’ reflexmatig en onbewust gedrag, en ‘knipogen’ juist weloverwogen, betekenisvol en bewust gedrag is (Timmers, 2007). Context maakt de bedoeling van gedrag en handelen duidelijk. Gedragen doen we in veel omgevingen, zoals: woon, werk, sport, natuur, cultuur/samenleving, opvoeding/vorming, leefwijze, sociaal milieu (Crevits, 2016, p.49). Omgevingen beïnvloeden ons gedrag en onze opvattingen in positieve of negatieve zin (Verhaeghe, 2018). Omgekeerd kunnen ook wij omgevingen beïnvloeden door deze aan te passen c.q. meer op onze mogelijkheden (qua inspanning of niveau) af te stemmen. Zo is bij 55-plus sport- en wedstrijdgericht handelen op zich geen probleem, mits we de regels voor toepassing in een groep kunnen veranderen en met behoud van de essentie van een sport. Het bijvoorbeeld ‘elkaar raken bij boksen’ is typerend voor die sportvorm. Maar doen 55-plussers dat, dan is dat ‘raken’: het elkaar ontspannen, ‘net’ op het voorhoofd raken, waarbij je op dat moment stilstaat’. Zie bij SPORT ONTWIKKELEN – Spelend boksen. De sportvorm qua regels op een doelgroep afstemmen, is bij LO op school gewoonte en tref je ook in de jeugdsport en bij sporttraining aan. De wedstrijdsport is competitief en sterk aan regels gebonden. Dat is voor het sporten van de 55-plussers die als groep of ‘club’ onderling sterk in niveau verschillen en waarin mannen samen met vrouwen willen sporten, ongebruikelijk en ongewenst. Sparren als wedstrijdje is met ‘afgestemde regels’ prima te doen.

Holistisch handelen!

Holistisch in filosofische zin is de beschouwing van mens, natuur kosmos als samenhangend geheel. Holistisch in geneeskundige zin is het “erkennen van zowel fysische, psychologische, sociale en culturele factoren bij ziekte en gezondheid” (Crevits, 2016p.138).
Handelen geeft je objectieve én subjectieve ervaringen. De objectieve omgeving nodigt tot iets uit en dat wordt gekend of gebruikt. Subjectieve ervaringen deel je vaak met anderen. Een subject vormt ‘mijn’ of  'onze' gedachte(n) (Schermer et al, 2013, p.53). Een stoel is een object om op te zitten. Het ‘om….te…..’ geeft een voor de hand liggende subjectieve bedoeling aan. Een muziekinstrument vastpakken is een objectief gebeuren. Samen muziek maken is een subjectieve ervaring. Taal gebruiken we in objectieve zin. Maar bedoelingen in woorden en zinnen zijn weer subjectief…..“Zonder subjectief én objectief gebonden bewustzijn zou je niet weten dat je bestaat of dat je weet wie je bent en wat je denkt. Bewustzijn geeft je creatieve mogelijkheden bij zingen, schilderkunst of literatuur. Zonder de koppeling objectiviteit en subjectiviteit bestaat er geen kennis en cultuur” (Damasio, 2010, p16). De werkelijkheid is altijd een ‘totaal’ van objectieve én subjectieve aspecten.

Bewustzijn is het geheel van waarnemen, denken, handelen, voelen en waarderen van een omgeving. Dat verloopt ‘zonder aandacht’ (en is dan ‘gewaarworden’) óf met een ‘intentie’ (waarnemen). Ons lichaam speelt bij het bewust worden een cruciale rol (Bos, 2017). Dat gebeurt individueel of collectief, als gedeeld perspectief op gedrag, leren-ontwikkelen en waarnemen (van Dijk, 2018, p.15). “Het is de wijze waarop mensen in een bepaald collectief het samen leven en werken regelen volgens historisch gegroeide patronen, vastgelegde afspraken, waarden en normen en vanzelf ontstane gebruiken (p29)”. Het gedeeld collectief bewustzijn bestaat al. Het is immers bijzonder dat je vaak gelijktijdig, op verschillende plaatsen en gebieden, dezelfde opvattingen ziet (ontstaan). Bewustzijn is op deze manier inclusieve bewustwording en dat kunnen we al actief samenwerkend (in ‘clubs’ bijvoorbeeld) beleven en ontwikkelen (Van Dijk (2018, p.46).

 

“De ontwikkeling van de mens als soort is te typeren als voortschrijdende bewustwording. Eerst het bewonen van de aarde als fysiek-materiële werkelijkheid, gevolgd door bewustwording van het samenleven als gemeenschap, daarna de ontdekking van de eigen individualiteit en vervolgens de vaststelling dat individualiteit grenzen kent en meer inclusieve collectiviteit vereist. Inclusief bewustzijn is verbondenheid-in-actie (luisteren, invoelen, inbrengen, reflecteren, deelnemen en gezamenlijk zoeken naar wat nu kan en nodig is in het licht van het ‘geheel’) en overstijgt het individuele bewustzijn” (p.240). Bewustzijn is energie - inclusief en holistisch - waarin en waardoor ons leven zich voltrekt. Het individuele en collectieve bewustzijn zijn innig met elkaar verweven. Het is de essentie van het menselijk bestaan om deel van een geheel te zijn.

Kahneman (2012) maakt onderscheid in onbewust en bewust bewustzijn en ook over twee gedragssystemen. Systeem 1 (snel, onbewust of intuïtief) en systeem 2 (langzaam, bewust of weloverwogen; p.28)’. Systeem 1 werkt automatisch en snel, met weinig of geen inspanning en geen gevoel voor controle. Oordelen en beslissingen worden door gevoelens van voorkeur of afkeer bepaalt zonder al te veel rationele overwegingen. Het bestaat uit ideeën of concepten, gebeurtenissen, ervaringen, ontwikkelingen en is vooral gebaseerd op associaties. Creatief handelen hoort erbij. Systeem 2 is de bewuste aandacht voor de mentale inspanningen die worden verricht. De werking hiervan is gekoppeld aan de subjectieve ervaring van het handelen, keuzes maken en concentratie. Het programmeert de automatische functies van ‘systeem 1’, zorgt voor zelfbeheersing en levert mogelijk zelfkritiek. Beide systemen gaan samen met lichamelijke ervaringen gekoppeld aan zintuiglijke waarnemingen en interne receptoren. Serveer je de bal bij tennis de bal een paar keer achter elkaar verkeerd dan ga je jezelf afvragen: wat doe ik verkeerd of wat kan ik anders doen? Ons lichaam is bij alles wat we doen betrokken.  Als beide systemen tegelijk een rol spelen … is de herinnering aan die ervaring of gebeurtenis het sterkst.

Actief denken, handelen, voelen en waarderen maakt gebruik van een referentiekader met beelden van de werkelijkheid, herinneringen aan ervaringen én reflecties daarop óf verbeeldingen, los van de werkelijkheid. Vooral metaforen en opvattingen beïnvloeden gedrag. Die samenhang zie je bij een basketballer….
Loop ‘vrij’ bij of onder de basket (handel). Kies voor een lay up, een set shot of een schot uit stand (denk). Als de bal je handen verlaat bij een schot uit stand, weet je al: ‘ik scoor of ik scoor niet’ (voel). Ben je wel of niet tevreden met verloop en resultaat van je acties? (waardeer).

Actief handelen optimaal toepassen, maakt je meer competent en zorgt voor ontwikkeling (Bos, 2014, p 42). ‘Use it or lose it’ is hierbij – zeker voor de 55-plusser - een gulden regel.

 

Functie van taal en leren hoe te leren!
Taal en imiteren (ofwel spiegelen) vormen hét medium voor waarnemen, betekenissen toekennen en communiceren ofwel cultuuroverdracht. Als je naar een voetbalwedstrijd kijkt en een speler krijgt een scoringskans, dan maken velen een ‘denkbeeldige’ schopbeweging Je spant zelfs de daarvoor nodige spieren aan, maar gelukkig blijft de feitelijk trap achterwege. Je fungeert als een spiegelende voetballer. De imitatie is gebaseerd op visuele waarneming en herinnering (als je tenminste zelf hebt gevoetbald) en de bijbehorende tactiele (raken van de bal), proprioceptieve en kinesthetische waarnemingen (gevoel in banden, pezen en spieren) hebt ervaren. Je voelt die actie, maar denkbeeldig.
De semantiek van een taal gaat over “de relatie van woorden met gedachten, maar ook over de relatie van woorden met de werkelijkheid” (Pinker, 2009, p.15). Mensen leggen zich hiermee vast op een gezamenlijk begrip van de werkelijkheid en de taal is een manier om gedachten aan dingen en situaties te koppelen. “Taal gaat over relatie van woorden met een gemeenschap, over woorden met emoties en woorden met sociale relaties”. In de taal én bij het leren (bewegen of sporten bijvoorbeeld) wordt onderscheid gemaakt in concepten op basis van schema’s of modellen, werkpatronen of procedures en vuistregels of principes (de essentie van een stukje werkelijkheid in bijvoorbeeld een metafoor beschreven).
De conceptuele semantiek, de ‘taal van het denken’, verschilt van de taal zelf en is verwant met het leerpsychologische begrip ‘leren hoe te leren’. Je kunt vaardigheden leren én leren hoe je deze bij andere activiteiten en in andere situaties zelf verder kunt leren óf hoe je anderen kunt leren hoe ze dat zelf kunnen toepassen. Door dat ‘leren hoe te leren’ ontstaat een zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk leren en ontwikkelen én denken en handelen. Door de rol van begeleider of coach is dat te ontwikkelen. Met name deze leercompetenties bepalen de kwaliteit van wat je ontwikkelt.
Met taal drukken we onze gedachten en gevoelens uit, maar dat zijn niet de gedachten en gevoelens zelf. Bij spreken of schrijven worden zinsverbanden en woorden aan ons denken gekoppeld, maar ze bepalen niet het denken en het leert ons niet ‘hoe’ te redeneren (Pinker, 2009). Taal en gedrag ontstaan door conceptuele kaders van opvattingen en ordeningen van ervaringen. Zie de aan het begin van dit artikel genoemde twee concepten.
Taal is een functie van ons ‘zelf’ en wordt ‘al doende’- en op basis van onbewuste herkenning van de grammaticale structuur -  verworven. Dat gebeurt door inzichtelijk leren.

 

Handelen uit (vrije) wil!
Een omgeving wordt door het lichaam, bewust én onbewust, waargenomen en zo ook het eigen gedrag (Crevits, 2016, p.37; Monchy De, 2013, p.41). Een voorbeeld daarvan.
Als je gaat honk- of softballen is het slaan van de bal van belang om een bijdrage te leveren aan het resultaat van je team. Hard en/of geplaatst slaan is je doel als je aan slag staat. Om dat te realiseren ‘kijk je naar de bal’ en ‘sla je horizontaal’. Dat zijn twee bewuste acties of handelingen, waarmee je de bal vrijwel altijd raakt. Maar je doet meer onbewust: je maakt bewegingen. Je staat met enigszins gebogen knieën, voor je slaat breng je de knuppel nog wat meer naar achteren en draai je de heup in, na het raken van de bal sla je door om al je kracht op het slaan van de bal over te brengen. De hoogte van de worp bepaalt of je wat meer door de knieën gaat of niet horizontaal moet slaan, om de bal toch te raken.

Ervaren én bewegen gebeurt gelijktijdig (Bos, 2014). Door bewust handelen (=doelgericht bewegen) beïnvloeden en controleren we ons gedrag. We zijn in staat het onbewuste - zoals anticiperen op de bal van de werper bij honkbal - te beïnvloeden en daarin hebben bewuste processen de regie. Je iets bewust worden is één en het bewust vormen van een intentie is twee (Aleman, 2017, p.163-164).
Met bewust, betekenisvol handelen, is de ‘vrije wil’ gemoeid. Het is ons vermogen om uit verschillende gedragsmogelijkheden te kiezen en op zelf gekozen doelen af te stemmen. Bewust mentaal oefenen geeft zo controle over het handelen in toekomstige situaties. Denk hier aan het door sporters en musici visualiseren van handelingen voorafgaand aan een wedstrijd of optreden.

"Bewustzijn is overigens niet alleen afhankelijk van wat er in mijn lichaam gebeurt, maar ook van mijn levensgeschiedenis, mijn huidige positie in de wereld, kortom mijn interacties met die wereld” (Noë, 2009, p.26; Bos, 2014). Neurowetenschappers en filosofen verschillen van mening over ‘het wel of niet bestaan van vrije wil’. Zo vinden Bult (2014), Swaab (2010) en Verplaetse (2011) dat er geen ‘zelf’ en dus ook geen ‘vrije wil’ bestaat. In dat geval dus ook geen zelfverantwoordelijkheid of schuld en kun je mensen geen verwijt maken dat ze misdadig handelen. Keizer (2012), Kolk (2012), de Monchy (2013) en Cervits (2016) vinden ‘vrije wil’ geen illusie. De mens kan actief innerlijke processen sturen en door aandacht gedrag of een omgeving veranderen. Alles wat je belangrijk vindt – en noem dat waarden, waarde-gebieden, overtuigingen of  opvattingen - sturen onze wil (Timmers, 2010 & 2012). Dat maakt gedrag 'zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk'. Autonoom handelen zonder 'vrije wil' is onmogelijk. Het is een voorwaarde, bewuste actie en zelfverwerkelijking (Bos, 2014; Van de Laar & Voerman, 2011).
Als we dood gaan verdwijnt het individuele bewustzijn en blijven alleen herinneringen bij anderen over. Door ons actieve leven in gedrag en opvattingen (ons individuele bewustzijn) hebben we – ieder op eigen wijze en meer of minder inspirerend bijgedragen aan het collectieve bewustzijn of herinnering bij de ander. Zó blijft onze geest bestaan.


IK én SAMEN(werkend) ontwikkelen!

Fundamenteel voor het menselijk bestaan is je een leven lang – individueel én samen - blijven ontwikkelen (en leren) én actief zijn (sporten, bewegen, ondernemen) in fysiek, mentaal en sociaal opzicht. Het geeft een eigen bewustzijn en draagt ook bij aan een collectief bewustzijn (Bos, 2014; Bult, 2014; van Dijk, 2018; Goldberg, 2007; 2009; Helden, van der & Bekkering, 2015; Neuvel, 2011). Gedrag vereist fysieke en mentale coördinatie bij ons lichamelijk functioneren (Cervits, 2016). Als  gedrag verandert, veranderen ook onze fysieke, mentale en sociale mogelijkheden. Op vele ‘gebieden’ vormen we holistische ‘plaatjes’ van feitelijke, gewenste of gewilde competenties, zoals: ‘het vader of moeder-zijn’, ‘mijn sportgeschiedenis’, ‘ontwikkeling van mijn werk, zorg of ontspanning’. Voor een ‘totaalplaatje’ is nodig dat beleven-ervaren, leren-ontwikkelen en fysiek-sociaal-mentaal coördineren van mij in een omgeving zo volledig mogelijk én in samenhang plaatsvindt. Ontwikkelen van  ‘totaalplaatjes’ is een leven lang zich herhalend proces, waaraan wij als ‘belichaamde wezens’ deelnemen (Bos, 2014, p.72) “Mijn lichaam ontdekt en onthoudt hoe ik een bal bij handbal zo hard mogelijk op doel gooi, hoe ik bij snowboarden mijn evenwicht bewaar of hoe ik een sterke impuls aan een speerworp meegeef (Buytendijk, 1965, p.237)”. Maar ook: ‘hoe ik een professie zo goed mogelijk ontwikkel’. “Wie wij worden, hangt af van onszelf én van onze omgeving” (Verhaeghe, 2012, p.11)..

 

Optimaal leven om je als ‘totale mens’ te ontwikkelen!
Ontwikkelen betekent veranderen, verbeteren of vernieuwen. Veranderen doe je door de inhoud of werkwijze te wijzigen, vernieuwen doe je door doelen te veranderen en verbeteren kan alle drie betekenen. Leren en ontwikkelen is fundamenteel voor ons bestaan, toekomstgericht en betekent ‘zelfontwikkeling, ontwikkelen van de relaties met anderen en het inspireren van hen én ontwikkelen van omgevingen’ (SCP, 2006b). Het streven is dat in toenemende mate zelfstandig, zelfsturend en zelfverantwoordelijk te doen. Alleen of met een groep en maximaal of optimaal. Zeker voor de 55-plusser heeft optimaal presteren prioriteit en betreft drie dimensies….

 
1 Het gevoel dat je op ‘zestig tot zeventig procent’ van je persoonlijk maximaal (coördinatie)vermogen functioneert bij het uitvoeren van een activiteit – zoals een sportvorm, bewegen of sporten - of een ontwikkelingstaak. Dat vraagt ‘matig intensieve inspanning’ op - zo mogelijk - vijf tot zeven dagen per week.

2 Dagelijks en wekelijks aan vele, gevarieerde activiteiten of taken doen …meerdere sportvormen bijvoorbeeld. Voor een zeventigjarige: dagelijks dertig kilometer in een stevig tempo fietsen, wekelijks vijftien kilometer nordic walken, een uurtje tafeltennissen, een keer per maand een uurtje zwemmen, in de zomer wekelijks onderling honk-softballen en twee uurtjes kajakken, in de winter een week skiën en – zo mogelijk - dagelijks schaatsen of maandelijks een paar uur op de ijsbaan bezig zijn; alle activiteiten doe je alleen maar vaak samen met anderen, in ‘clubverband’.

3 Veel activiteiten of taken ontwikkelen, door deze achtereenvolgens te beleven, leren én leren hoe te leren c.q. ontwikkelen. Dat gebeurt dor er verschillende functies (bv. competitief, samenwerkend of coöperatief handelen) of rollen (bv. kartrekker, begeleider-coach) in, bijvoorbeeld een ’55-plus club’, mee uit te voeren. Zo’n club bestaat bij voorkeur uit een mix van mannen en vrouwen, die in niveau of mogelijkheden, interesse en sociaal zullen verschillen. De groep zorgt zelf voor een (mentaal) veilige, verantwoorde – gedifferentieerde werkwijze - en activerende leefomgeving.  En regelt, ontwikkelt of verandert dat alles samen en in overleg. Een kartrekker kan daarin voorgaan.

Zie verder….. Optimaal op maat of niveau ervaren en presteren  (ook na je 55e)! Al ouder wordend nemen de mogelijkheden van het specifieke geheugen – herinneren van gebeurtenissen of feiten – af, maar van het generieke geheugen - herkennen van patronen - juist toe. We worden wijzer, bekwamer of creatiever en beschikken over het vermogen om steeds tot ‘nieuwe’ gedrags-, denk- en werkwijzen te komen. Dat vermogen bezitten we in principe een leven lang (Goldberg, 2007; Van der Zee, 2012). Ons generieke geheugen zorgt voor visie, plannen, toepassen van (werk)patronen, schema’s, vuistregels of toepassen van concepten. (Aleman, 2012; Goldberg, 2007; Van der Zee, 2012). ‘Ons lichaam’ past zich functioneel aan activerende omgevingen én een actieve leefstijl aan (Aleman, 2012; van der Zee, 2012, p.76). Gaat de motoriek vooruit, dan ook je cognitie, en omgekeerd. Een: “actieve, gezonde en zinvolle leefstijl beperkt veroudering en laat je relatief lang leven” (Aleman, 2012, p.169). Ze is dus ook nog eens gezond omdat je je omgeving naar je eigen hand zet en veel met anderen samenwerkt plus zinvol omdat veel taken en activiteiten op essentiële leefgebieden je optimaal doen functioneren c.q. presteren. Kortom: je bent ‘mens sana in corpore sano’..

Voor literatuurannotaties, zie
LITERATUUR  Voor kenmerken van activerende ‘sport en beweeg’ of ‘leer- en ontwikkelomgeving’ zie Ontwikkelen van activerende omgevingen in 'clubs' voor 55 plussers